Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1183

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-04-2021
Datum publicatie
15-04-2021
Zaaknummer
C/19/126374 / HA ZA 19-64
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat over verzekeringsfraude. Het gaat om de vraag of bewezen is dat gedaagden samen de bedoeling hebben gehad om door het doen van onjuiste mededelingen bij het indienen en afwikkelen van de claims ter zake de gestelde ongevallen de verzekeraars te bewegen om een uitkering te verstrekken die zij zonder die mededelingen niet zouden hebben verstrekt. Die vraag beantwoordt de rechtbank, nadat de verzekeraars als bewijs getuigen hebben laten horen en stukken hebben overgelegd, bevestigend.

Bij het eerste gestelde ongeval weegt de rechtbank onder meer mee dat gedaagden onjuiste verklaringen hebben afgelegd over het incident, dat de ene gedaagde zich tijdens gesprekken met de verzekeraar heeft voorgedaan als iemand anders, dat de verklaringen niet stroken met die van de getuigende familieleden en dat het uitgekeerde geld niet is aangewend voor de schadeposten.

Bij de andere kwestie weegt de rechtbank mee dat gedaagden onware verklaringen hebben afgelegd over de reden van het verplaatsen van een afspraak met de verzekeraar naar een andere locatie en dat verklaringen over de toedracht van het ongeval niet stroken met de verklaringen van de dochter van gedaagden (terwijl haar kind bij het ongeval betrokken zou zijn geweest). Verder weegt mee dat dochter en vriend nooit hebben gemerkt dat sprake was van verwondingen of schade bij hun vader en dat over de schadeposten onjuiste verklaringen zijn afgelegd en dat het uitgekeerde geld niet is aangewend voor de gestelde schadeposten.

Hoewel de dochter haar tegen de verzekeraar afgelegde verklaringen, die zij ook heeft getekend, achteraf heeft ingetrokken, betrekt de rechtbank haar verklaringen wel bij de bewijslevering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Assen

zaaknummer / rolnummer: C/19/126374 / HA ZA 19-64

Vonnis van 14 april 2021

in de zaak van

1. naamloze vennootschap

KLAVERBLAD SCHADEVERZEKERINGSMAATSCHAPPIJ N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

2. de naamloze vennootschap

GOUDSE SCHADEVERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Gouda,

eiseressen,

advocaat mr. T. Havekes te Voorburg,

tegen

1 [gedaagde sub 1.] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. A. Kilinç te Amsterdam,

en

2 [gedaagde sub 2.] ,

wonende te [woonplaats] ,

gedaagde,

advocaat mr. R.H. Bouwman te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Klaverblad en Goudse en [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] genoemd worden.

1 De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 april 2020
- de akte uitlating bewijs op de rol van 29 april 2020
- de akte overlegging producties
- het proces-verbaal van getuigenverhoor gehouden op 8 september 2020
- de conclusie na enquête op de rol van 21 oktober 2020
- de antwoordconclusies na enquête op de rol van 18 november 2020.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank Klaverblad en Goudse het bewijs opgedragen van de stelling dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] , Klaverblad en Goudse opzettelijk hebben misleid - en daarbij al dan niet onder één hoedje hebben gespeeld - bij het indienen en afwikkelen van de claims ter zake de gestelde ongevallen op 12 januari 2015 en 28 februari 2017.

2.2.

Om aan de bewijsopdracht te voldoen hebben Klaverblad en Goudse de volgende personen als getuigen laten horen:
- de heer [getuige 1.] , in dienst bij Goudse als coördinator speciale zaken;
- de heer [getuige 2.] , onderzoeker bij een particulier recherchebureau,
- de heer [getuige 3.] , in dienst bij Goudse als schaderegelaar,
- de heer [getuige 4.] , ex-schoonzoon van [gedaagde sub 2.] en [gedaagde sub 1.] .
Klaverblad en Goudse hadden ook [naam 1.] opgeroepen, maar zij is niet verschenen. Klaverblad en Goudse hebben van het horen van [naam 1.] afgezien omdat zij had aangegeven zich op haar verschoningsrecht te zullen beroepen.

2.3.

Daarnaast hebben Klaverblad en Goudse de volgende stukken overgelegd:
- een handgeschreven verslag van het interview dat [getuige 2.] en [getuige 1.] op 26 januari 2018 hebben gevoerd met [naam 1.]
- vijf bezoekrapporten van de heer [naam 2.] , schaderegelaar van Klaverblad
- onderzoeksverslag van 23 november 2018 van de afdeling speciale zaken van Goudse
- PowerPointpresentatie opgesteld door [getuige 1.] ten behoeve van een overleg op 27 november 2018 tussen de betrokken verzekeraars en de politie
- e-mail van de Volksbank aan Klaverblad van 17 december 2019

- gespreksnotitie van mevrouw [naam 3.] van Klaverblad van het telefoongesprek met Dobben Wooncentrum

- een usb stick.

2.4.

[gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hebben geen getuigen in contra-enquête gehoord. Zij hebben ook geen schriftelijk tegenbewijs overgelegd.

Welke waarde komt toe aan de getuigenverklaringen van [getuige 1.] , [getuige 2.] en [getuige 3.] ?
2.5. [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hebben beiden aangevoerd dat [getuige 1.] , [getuige 2.] en Van [getuige 3.] niet als objectieve en onafhankelijke getuigen kunnen worden aangemerkt maar dat zij partijgetuigen zijn. Volgens hen zijn [getuige 1.] en Van [getuige 3.] voor hun inkomsten afhankelijk van Goudse en moeten hun verklaringen in het licht van deze afhankelijkheidsrelatie worden bezien. Voor [getuige 2.] geldt dat hij vaker, gemiddeld een keer per week, voor Goudse werkt, zodat ook hij geen onafhankelijke onderzoeker is, aldus [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] . Daarom kan volgens hen niet door middel van die verklaringen worden vastgesteld dat sprake zou zijn van misleiding.

2.6.

Als partijgetuigen in de zin van artikel 164 Rv zijn aan te merken formele en materiële procespartijen, statutaire bestuurders en andere wettelijk of statutair tot vertegenwoordiging van een formele of materiële procespartij bevoegde personen, beoordeeld naar het tijdstip waarop zij als getuige worden gehoord. [getuige 1.] , [getuige 2.] en Van [getuige 3.] zijn geen formele partij in deze zaak. Hun verklaringen kunnen daarom niet gelden als een verklaring van een partijgetuige in de zin van artikel 164 lid 2 Rv (vergelijk HR 22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1928 en HR 22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1932). Dat er een afhankelijkheidssituatie bestaat, brengt niet mee dat hun verklaringen onbetrouwbaar zijn en daarom buiten beschouwing gelaten moeten worden. Er kan niet van worden uitgegaan dat dergelijke werknemers, als zij al belang hebben bij het afleggen van een positieve verklaring voor hun opdrachtgever, daarin reden zien om - onder ede - een onjuiste verklaring af te leggen. In beginsel kan dus van hun verklaringen worden uitgegaan. Dat neemt niet weg dat de rechter, die vrij is in de waardering van het getuigenbewijs, bij de waardering van verklaringen van werknemers of een opdrachtnemer rekening kan houden met het feit, dat deze werknemers zich mogelijk in een (indirecte) afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de opdrachtgever bevinden, en de verklaringen om die reden met enige behoedzaamheid zal benaderen.

2.7.

[gedaagde sub 1.] merkt in haar conclusie na enquête op dat [getuige 1.] en [getuige 2.] hun geheugen voorafgaand aan het getuigenverhoor samen hebben opgefrist en dat blijkt ook uit de processen-verbaal. [gedaagde sub 1.] verbindt hier geen conclusies aan. Voor zover zij bedoelt te zeggen dat dit afbreuk doet aan de betrouwbaarheid van de verklaringen, overweegt de rechtbank dat een rechter zich bij de waardering van getuigenbewijs altijd rekenschap geeft van het feit dat het geheugen feilbaar is en dat het geheugen van een getuige kan zijn beïnvloed door gesprekken die men in de loop der tijd over de gebeurtenissen heeft gevoerd. Afhankelijk van de situatie kan het soms voor de hand liggen dat een getuige voorafgaand aan het getuigenverhoor zijn geheugen opfrist. Weliswaar houdt dit het risico in dat zijn verklaring daardoor aan betrouwbaarheid inboet, maar dat getuigen, die een aantal jaren geleden samen een bepaalde gebeurtenis hebben meegemaakt en daar ter voorbereiding op een getuigenverhoor samen over spreken, op voorhand niet betrouwbaar zijn in hun verklaringen, volgt daaruit niet. Zij verklaren onder ede over uit eigen waarneming bekende feiten. Bovendien zijn de getuigen in deze zaak ook niet gehoord over een routinematige kwestie, die in de regel weinig indruk zal hebben gemaakt, maar over ernstige verdenkingen van fraude. De rechtbank heeft geen reden heeft om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de over die gebeurtenissen afgelegde verklaringen.


Welke waarde komt toe aan de eerdere verklaringen van [naam 1.] en [getuige 4.] ?

2.8.

[gedaagde sub 2.] concludeert dat aan de (schriftelijke) verklaringen van [naam 1.] geen waarde kan worden gehecht omdat het verhalen zijn van iemand met borderline die haar hersenspinsels later als verklaring naar buiten heeft gebracht. [gedaagde sub 1.] wijst erop dat [naam 1.] en [getuige 4.] zich hebben gedistantieerd van hun verklaringen.

2.9.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van [naam 1.] betrokken kunnen worden bij de bewijslevering. [naam 1.] heeft drie keer, te weten op 14 november 2017, 26 januari 2018 en op 16 oktober 2018 met elkaar overeenstemmende verklaringen afgelegd. Vervolgens heeft zij die verklaringen "ingetrokken" volgens de brief van 21 januari 2019 omdat zij geen toestemming heeft gegeven om haar verklaring op papier te zetten en omdat zij onder druk zou zijn gezet door [getuige 1.] en [getuige 2.] . Daargelaten de vraag of het juridisch mogelijk is om een verklaring in te trekken (en of niet het spreekwoord "eens gezegd blijft gezegd" opgaat), vaststaat dat [naam 1.] haar mededelingen heeft gedaan in aanwezigheid van de getuigen [getuige 1.] en [getuige 2.] . De intrekking van de verklaring van [naam 1.] doet geen afbreuk aan wat zij hebben verklaard. In haar intrekkingsverklaring zegt [naam 1.] weliswaar dat zij geen toestemming heeft gegeven om haar verklaringen te gebruiken, maar er is geen rechtsregel die bepaalt dat een verklaring van een persoon pas mag worden gebruikt als daarvoor toestemming is gegeven. Bovendien heeft [naam 1.] op het handgeschreven verslag van het interview op 26 januari 2018 op iedere pagina haar paraaf gezet. Dat [naam 1.] haar verklaringen niet in vrijheid heeft afgelegd, acht de rechtbank, mede gelet daarop, niet aannemelijk. Daarnaast staat wel vast dat [naam 1.] de anonieme tipgever is. Dit blijkt uit de getuigenverklaring van [getuige 1.] en uit de emailwisseling die als productie 26 is overgelegd. Naar aanleiding van de anonieme tip is [naam 1.] uitgenodigd om erover te verklaren, een uitnodiging waar zij zelf op is ingegaan. Dat zij volgens [gedaagde sub 2.] en [gedaagde sub 1.] lijdt aan een geestelijke stoornis, namelijk borderline, betekent niet dat de verklaringen ook onder invloed van die stoornis zijn gedaan en aan die verklaringen geen waarde kan worden gehecht. Bovendien is geen (medische) onderbouwing gegeven van deze stoornis en is ook overigens niet gebleken dat [naam 1.] verklaringen heeft afgelegd die niet overeenstemden met haar wil. Tot [naam 5.] heeft [naam 1.] niet gezegd in welk opzicht de verklaringen door haar nooit zo zijn uitgesproken en wat niet klopt aan die verklaringen.

2.10.

Ook de schriftelijke verklaring van [getuige 4.] kan in de bewijslevering worden meegenomen. Ook hij zegt weliswaar dat hij de verklaring heeft ingetrokken, maar hij geeft niet aan in welk opzicht deze verklaring niet zou kloppen. Bovendien is hij alsnog als getuige gehoord en heeft hij daarbij zijn verklaring op een aantal onderdelen gehandhaafd (daarover hierna meer).


Is het bewijs geleverd?
2.11. Het gaat, kort gezegd, om de vraag of bewezen is dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] samen de bedoeling hebben gehad om door het doen van onjuiste mededelingen bij het indienen en afwikkelen van de claims ter zake de gestelde ongevallen op 12 januari 2015 en 28 februari 2017 Klaverblad en Goudse te bewegen om een uitkering te verstrekken die zij zonder die mededelingen niet zouden hebben verstrekt. Die vraag beantwoordt de rechtbank bevestigend. Zij overweegt daartoe het volgende.

2.12.

Uitgangspunt is dat bij het leveren van bewijs niet steeds is vereist dat de te bewijzen feiten en omstandigheden onomstotelijk komen vast te staan. Het gaat erom dat er een redelijke mate van zekerheid bestaat dat het feit zich heeft voorgedaan (zie HR 16 februari 2018, ECLI:NL:HR:2018:182).

2.13.

In het tussenvonnis heeft de rechtbank overwogen dat Klaverblad en Goudse hun stellingen ruimschoots hebben onderbouwd met het rapport van [getuige 2.] en andere bevindingen die twijfel oproepen bij de gang van zaken rond de indiening en afwikkeling van de claims bij Klaverblad en Goudse. Vanwege de gemotiveerde betwisting door [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] (met het rapport van [naam 4.] en de intrekkingsverklaringen) is Klaverblad en Goudse bewijs opgedragen van haar stellingen. Uit het geleverde bewijs (getuigen en stukken) blijkt het volgende. [getuige 1.] verklaart over hoe het is gegaan met zijn contact met [naam 1.] , dat [naam 1.] mededelingen heeft gedaan over de dubieuze verzekeringsclaim bij Goudse en ook dat zij zich bewust was van de spagaat waarin zij verkeerde. Deze verklaring bevestigt dus de verklaringen die [naam 1.] heeft afgelegd en die in de bij dagvaarding overgelegde rapporten zijn neergelegd. Dat geldt ook voor de getuigenverklaring van [getuige 2.] . Ook hij bevestigt dat hij met [naam 1.] over de dubieuze claims heeft gesproken en hij vult aan dat hij zijn handgeschreven verslag aan [naam 1.] heeft voorgelezen en dat zij deze heeft geaccordeerd, wat ook blijkt uit het als bewijsmiddel overgelegde handgeschreven verslag. De getuigenverklaring van [getuige 3.] gaat over zijn gesprek met [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] . Hij verklaart dat het een prettig gesprek was en dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] de indruk hebben gewekt dat alles hen duidelijk was. De getuigenverklaring van [getuige 4.] bevestigt de eerder gedane mededeling over de schadeclaim die bij Goudse is ingediend en de geleden schade. Verder blijkt uit een e-mail van de Volksbank dat [gedaagde sub 1.] gevolmachtigde is van de betaalrekening waarop de uitkeringen van Klaverblad en Goudse zijn gedaan, dat [gedaagde sub 1.] inzage heeft in deze rekening en dat [gedaagde sub 1.] gelden heeft opgenomen van de rekening. Uit de e-mail van de Volksbank (productie 32) blijkt dat vanaf oktober 2018 tot en met juni 2019 transacties van de rekening zijn gedaan met de digipas van [gedaagde sub 1.] . Verder is er een verklaring overgelegd waaruit blijkt dat het wooncentrum Dobben nooit vloerbedekking aan [gedaagde sub 2.] heeft geleverd.
Vervolgens is de vraag of hiermee het bewijs voor wat betreft beide incidenten is geleverd.
Met betrekking tot het incident op 12 januari 2015 (Klaverblad)

2.14.

De rechtbank is van oordeel dat het bewijs is geleverd dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] samen de bedoeling hebben gehad om Klaverblad door het doen van onjuiste mededelingen bij het indienen en afwikkelen van de claims voor het ongeval op 12 januari 2015 te bewegen om een uitkering te verstrekken die zij zonder die mededelingen niet zou hebben verstrekt. Daarbij weegt het volgende mee:
a. Ten tijde van de indiening van de claim hebben [gedaagde sub 2.] en [gedaagde sub 1.] elk verklaard dat zij geen relatie met elkaar hebben, terwijl zij ex-echtgenoten zijn die nog regelmatig contact met elkaar onderhouden

b. Hoewel zij daarmee de indruk hebben gewekt dat het een ongeval tussen toevallige voorbijgangers was, is [gedaagde sub 1.] bij de afwikkeling betrokken gebleven doordat het verzekeringsgeld is overgemaakt op een bankrekeningnummer dat niet - zoals zij jegens Klaverblad hebben verklaard - op naam van [gedaagde sub 2.] staat maar op naam van dochter [naam dochter] en waarover [gedaagde sub 1.] de beschikking had. Hierover hebben zij tijdens het gesprek van 27 juni 2018 opnieuw onjuiste verklaringen afgelegd (p.19 e.v.)
c. [gedaagde sub 1.] is daarnaast bij de afhandeling van de claim betrokken gebleven door onder een andere naam bij de gesprekken met Klaverblad aanwezig te zijn. Volgens de verslagen van Klaverblad (opgemaakt door [naam 2.] ) is bij de gesprekken over de afwikkeling van de ingediende claim, die telkens in de woning van [naam 1.] plaatsvonden, onder andere op 26 augustus 2015, op 7 juli 2015 en op 4 augustus 2015, een mevrouw [naam 5.] aanwezig geweest die is voorgesteld als een goede kennis of vriendin van [gedaagde sub 2.] die bij slachtofferhulp werkt. Volgens de verklaring van [naam 1.] op onder meer 16 oktober 2018 is echter haar moeder bij al die gesprekken aanwezig geweest omdat, als de gesprekken nog niet klaar waren, [naam 1.] zich in de buurt van de woning ophield en zij nooit iemand anders heeft gezien dan de mensen van Klaverblad en haar ouders. [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hebben geen contactgegevens van mevrouw [naam 5.] kunnen geven en hebben haar niet in een contra-enquête opgeroepen, zodat de rechtbank van oordeel is dat in voldoende mate is komen vast te staan dat [gedaagde sub 1.] zich heeft voorgedaan als mevrouw [naam 5.] .
d. [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hebben op 26 september 2017 (naar aanleiding van de bij Goudse ingediende claim) onjuiste verklaringen afgelegd over het incident. Ze hebben namelijk verklaard dat vijf jaar geleden een ongeval had plaatsgevonden waarbij een hond tegen de fiets van [gedaagde sub 2.] aanliep en hij ten val kwam, dat de eigenaar van de hond niet bekend is geworden én er daardoor ook geen uitkering heeft plaatsgevonden, terwijl [gedaagde sub 2.] en Klaverblad nog in december 2016 een vaststellingsovereenkomst hebben gesloten voor een totaalbedrag van € 56.936,41 en vervolgens op de rekening van [naam dochter] , waar [gedaagde sub 1.] gemachtigde van was, een slotuitkering van € 40.000,00 was uitgekeerd. De rechtbank acht het ongeloofwaardig dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] zich dit op 26 september 2017 niet meer konden herinneren. Als het ongeluk echt had plaatsgevonden, zouden [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] zich bovendien hebben herinnerd dat het de hond van [gedaagde sub 2.] was. Dat [gedaagde sub 2.] de vragen niet goed zou hebben begrepen, blijkt niet uit de verklaring van [getuige 1.] . Hieruit blijkt dat zij onware verklaringen hebben afgelegd. Dat [gedaagde sub 2.] twee keer eenzelfde fietsongeluk heeft gehad met een hond en dat zij twee incidenten door elkaar hebben, gehaald, acht de rechtbank onwaarschijnlijk.

e. De verklaringen van [gedaagde sub 2.] en [gedaagde sub 1.] over de toedracht van het ongeval komen niet overeen met die van [naam 1.] en [getuige 4.] . Zo verklaren zij dat [gedaagde sub 2.] en [gedaagde sub 1.] samen voor hun acht honden zorgen en die om de beurt uitlaten volgens een vast patroon, zodat het onwaarschijnlijk is dat ze gelijktijdig buiten zijn geweest en daar met elkaar in botsing zijn gekomen.

f. Het uitgekeerde geld is niet aangewend voor de gestelde schadeposten:
- [gedaagde sub 2.] heeft van Klaverblad geld ontvangen voor een nieuwe vloerbedekking nadat hij een offerte van Dobben Wooncentrum heeft overgelegd, maar Dobben Wooncentrum heeft verklaard nooit iets geleverd te hebben bij [gedaagde sub 2.] . Ook volgens de verklaringen van [naam 1.] en [getuige 4.] was er geen vloerbedekking in de woning, maar laminaat.
- de offerte van de Hubo die is vergoed, is niet uitgevoerd volgens de e-mail van Hubo [woonplaats] .

2.15.

Met het bovenstaande is naar het oordeel van de rechtbank ook de inhoud van het rapport van [naam 4.] en de intrekkingsverklaringen van [naam 1.] en [getuige 4.] weerlegd. In het rapport van [naam 4.] van 14 maart 2019 is [naam 4.] grotendeels ingegaan op de verklaringen van [getuige 4.] , welke verklaringen de stellingen van Goudse en Klaverblad niet zouden ondersteunen. [getuige 4.] is als getuige gehoord en volhardt echter in een aantal van zijn eerder afgelegde verklaringen. Zo blijft hij erbij dat hij [gedaagde sub 2.] al vanaf 2013 kent (wat ook voor de hand ligt omdat [getuige 4.] en [gedaagde sub 2.] in 2013 samen betrokken zijn geweest bij een ongeval dat iets te maken had met een ruzie tussen [naam 1.] en [getuige 4.] ) en handhaaft hij dat hij nooit heeft gemerkt van gehoorproblemen bij [gedaagde sub 2.] , dat [gedaagde sub 2.] zijn honden zelf uitliet en auto reed. Ook houdt hij vol dat hij destijds de fiets heeft gegeven aan [gedaagde sub 2.] waarvan [gedaagde sub 2.] bij Goudse schade heeft geclaimd. Bovendien baseren Goudse en Klaverblad hun bewijs niet alleen op de verklaringen van [getuige 4.] . In het rapport van [naam 4.] wordt verder aangevoerd dat mevrouw [naam 5.] een kennis is van [gedaagde sub 2.] die hij mee heeft genomen naar de gesprekken met Klaverblad waarbij [gedaagde sub 1.] nooit aanwezig zou zijn geweest. Zoals hiervoor overwogen, heeft [naam 1.] echter verklaard dat haar moeder bij die gesprekken - die in de woning van [naam 1.] plaatsvonden - is geweest.

2.16.

[gedaagde sub 1.] voert aan dat [getuige 1.] van het eerste gesprek met [naam 1.] op 14 november 2017 geen gespreksverslag heeft gemaakt zodat niet vaststaat dat [naam 1.] de anonieme tipgever was. De rechtbank denkt daar anders over en verwijst daarvoor naar haar overwegingen onder 2.9. Zij voegt daaraan toe dat de omstandigheid dat er geen gespreksverslag is gemaakt, niet betekent dat een feit niet gebeurd kan zijn. Ook voert [gedaagde sub 1.] aan dat tijdens het gesprek met [getuige 3.] het ongeval uit 2015 niet ter sprake is gekomen omdat alleen een ongeval van vijf jaar geleden aan de orde is geweest en dit kan niet de claim bij Klaverblad zijn geweest. Dat volgt de rechtbank niet. [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hebben immers desgevraagd weliswaar verklaard over een ongeval dat vijf jaar geleden zou hebben plaatsgevonden, maar dat had wel betrekking op het op de fiets aangereden worden door een hond met gehoorschade aan het linkeroor als gevolg. Dit moet wel om de claim bij Klaverblad gaan. Aan [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] kan dus wel worden tegengeworpen dat zij onjuiste mededelingen hebben gedaan.

2.17.

[gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hebben geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een contra-enquête te houden. Ze hebben hun stellingen ook niet op een andere manier nader onderbouwd. Tegen het geleverde bewijs hebben zij dus onvoldoende ingebracht. Het is dan ook in voldoende mate komen vast te staan dat het geclaimde ongeluk helemaal niet heeft plaatsgevonden. Daaruit is maar één conclusie te trekken en dat is dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] aan Klaverblad onwaarheden hebben verteld met het oogmerk om verzekeringsgelden op te strijken.

2.18.

Dat betekent dat [gedaagde sub 1.] in haar relatie tot Klaverblad wanprestatie heeft gepleegd en dat [gedaagde sub 2.] richting Klaverblad onrechtmatig heeft gehandeld. De rechtbank is ervan overtuigd dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hierbij onder één hoedje hebben gespeeld en dat zij daarom hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade die Klaverblad hierdoor heeft geleden. De rechtbank zal de verklaring voor recht toewijzen en [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk veroordelen om het aan Klaverblad betaalde bedrag, terug te betalen.

Met betrekking tot het incident van 28 februari 2017 (de Goudse)

2.19.

Naar het oordeel van de rechtbank is ook het bewijs geleverd van feiten en omstandigheden waaruit valt af te leiden dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] samen de bedoeling hebben gehad om ook Goudse door het doen van onjuiste mededelingen bij het indienen en afwikkelen van de claims voor het ongeval op 28 februari 2017 te bewegen om een uitkering te verstrekken die zij zonder die mededelingen niet zou hebben verstrekt. Daarbij weegt de rechtbank het volgende mee:
a. [gedaagde sub 1.] heeft de locatie van de afspraak met Goudse over het voorval telefonisch verplaatst naar de woning van [naam 1.] met als reden dat bij [gedaagde sub 2.] een keukenrenovatie plaatsvond. Uit een verklaring van de woningbouwvereniging blijkt dat er helemaal geen renovaties zijn geweest rond september 2017 en dit was voor de persoon van de verzekering, die zich eerst bij [gedaagde sub 2.] had gemeld, niet zichtbaar.
b. [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hebben verklaard dat [gedaagde sub 2.] is gevallen toen hij kleinzoon [naam 6.] naar school bracht maar dit strookt niet met de verklaringen van [naam 1.] dat [gedaagde sub 1.] [naam 6.] altijd naar school bracht; [gedaagde sub 1.] die bij dit gesprek aanwezig was, heeft dit niet aangevuld maar heeft erover gezwegen.
c. [gedaagde sub 2.] heeft in het interview van 27 juni 2018 waar [gedaagde sub 1.] als vriendin aanwezig was verklaard dat hij [naam 6.] op 28 februari 2017 naar school heeft gebracht, dat [naam 6.] die dag door zijn dochter aan hem is meegegeven en dat hij dezelfde dag tegen haar heeft gezegd dat hij gevallen was. [naam 1.] heeft echter verklaard dat zij al weg was toen [naam 6.] werd opgehaald en dat zij niet beter wist dan dat haar moeder [naam 6.] naar school zou brengen. Verder verklaart zij dat haar vader haar niet op dezelfde dag van het ongeluk heeft verteld, maar pas tien dagen later. Ook heeft zij verklaard dat zij niets over het voorval heeft gehoord van [naam 6.] , van haar moeder, of van de school. Verder verklaart zij dat de gang van zaken hoogst onwaarschijnlijk is omdat haar vader [naam 6.] nog nooit had gebracht en ook niet fietste.
d. Daarnaast hebben [naam 1.] en [getuige 4.] verklaard dat ze nooit hebben gemerkt dat sprake was van verwondingen of gehoorschade door dit ongeval, maar dat zij geen enkele verandering hebben waargenomen.
e. Volgens [gedaagde sub 2.] zou zijn fiets zes jaar oud zijn en zijn gekocht voor € 899,00 maar volgens [getuige 4.] en [naam 1.] hebben zij de betreffende fiets aan [gedaagde sub 2.] geschonken omdat [naam 1.] de fiets van haar vader had weggedaan en was het een oude fiets die [getuige 4.] dertien jaar geleden voor € 75,00 had gekocht. Ook uit het onderzoek van de verzekeraar blijkt dat de fiets ouder was dan zes jaar.
f. [gedaagde sub 2.] heeft verklaard dat hij vanwege het opgelopen letsel huishoudelijke hulp heeft moeten inschakelen en iemand om zijn honden uit te laten. Verder moest hij een tuinman laten komen. [naam 1.] en [getuige 4.] hebben verklaard dat [gedaagde sub 2.] nooit huishoudelijke hulp of een tuinman heeft gehad en dat hij altijd zijn honden zelf uitliet omdat de honden een ander niet accepteren. [gedaagde sub 2.] heeft geen bewijs aangeboden of geleverd van de gestelde schadeposten maar wil er tijdens het interview niets over verklaren. Hiermee is in voldoende mate komen vast te staan dat hij het verzekeringsgeld niet voor deze posten heeft gebruikt.
g. [gedaagde sub 2.] heeft geld ontvangen voor schade aan zijn scootmobiel en voor een nieuwe vloerbedekking maar daarover verklaren [naam 1.] en [getuige 4.] dat ze [gedaagde sub 2.] nooit in een scootmobiel hebben zien rijden, niet hebben gemerkt dat hij slecht ter been was en dat hij geen vloerbedekking had.

2.20.

Dat [naam 1.] en [getuige 4.] [gedaagde sub 1.] niet expliciet noemen in hun verklaringen als het gaat om de claim bij Goudse, neemt niet weg dat [gedaagde sub 1.] op meerdere manieren betrokken is geweest bij de claim bij Goudse. Zo was zij aanwezig bij het gesprek met Goudse over de schadeafhandeling in september 2017 en heeft zij een dag daarvoor de afspraak telefonisch verzet vanwege een gestelde renovatie aan de woning van [gedaagde sub 2.] . Ook heeft zij herhaaldelijk telefonisch bij Goudse gevraagd waar het voorschot blijft en is bij de indiening van de claim de bankrekening vermeld waartoe niet [gedaagde sub 2.] maar [gedaagde sub 1.] gevolmachtigd was. Hieruit blijkt dat zij met [gedaagde sub 2.] heeft samengewerkt.

2.21.

Op grond van het voorgaande is in voldoende mate komen vast te staan dat ook dit geclaimde ongeval niet is gebeurd maar dat [gedaagde sub 2.] en [gedaagde sub 1.] het ongeluk hebben voorgewend om verzekeringsgelden te kunnen incasseren. Ook hier is maar één conclusie te trekken: [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hebben Goudse onwaarheden verteld met het oogmerk om verzekeringsgelden op te strijken. Zij hebben in hun relatie tot Goudse onrechtmatig gehandeld. De rechtbank is ervan overtuigd dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hierbij onder één hoedje hebben gespeeld. Zij zijn daarom hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die Goudse hierdoor heeft geleden. De rechtbank zal de verklaring voor recht toewijzen en [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk veroordelen om het aan Goudse betaalde bedrag terug te betalen.

2.22.

Ook de (niet gemotiveerd betwiste) kosten van het onderzoek door [getuige 2.] in opdracht van Goudse zullen als redelijke kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid worden toegewezen.

2.23.

[gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] zullen als de in het ongelijk gestelde partij hoofdelijk worden veroordeeld in de proceskosten die zijn begroot op:
- griffierecht € 1.992,00

- kosten dagvaarding € 167,04
- salaris gemachtigde € 3.099,00 (3 ½ punten x tarief € 1.114,00)
totaal € 6.058,00

3 De beslissing

De rechtbank

3.1.

verklaart voor recht dat [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] zich schuldig hebben gemaakt aan opzettelijke misleiding van Klaverblad en Goudse en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn om de daaruit voortvloeiende schade te vergoeden,

3.2.

verklaart voor recht dat de tussen Klaverblad enerzijds en [gedaagde sub 2.] anderzijds op 21 december 2016 gesloten vaststellingsovereenkomst en belastinggarantie op goede gronden zijn vernietigd op grond van dwaling en bedrog,

3.3.

veroordeelt [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de één betaalt de ander is gekweten, tot betaling aan Klaverblad van € 56.936,41 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2017 tot aan de dag der volledige betaling,

3.4.

veroordeelt [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de één betaalt de ander is gekweten, tot betaling aan Goudse van € 2.500,00 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2017 over het bedrag van € 500,00, vanaf 14 juni 2017 over het bedrag van € 500,00 en vanaf 25 april 2017 over het bedrag van € 1.500,00 tot aan de dag van volledige betaling,

3.5.

veroordeelt [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de één betaalt de ander is gekweten, tot betaling aan Goudse van € 1.000,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2018 tot aan de dag van volledige betaling,

3.6.

veroordeelt [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de één betaalt de ander is gekweten, tot betaling aan Goudse van € 234,86 vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 augustus 2018 tot aan de dag van volledige betaling,

3.7.

veroordeelt [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de één betaalt de ander is gekweten, tot betaling aan Goudse van € 408,00, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2019 tot aan de dag van volledige betaling,

3.8.

veroordeelt [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de één betaalt de ander is gekweten, tot betaling aan Goudse een bedrag van € 9.701,26 aan onderzoekskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling,

3.9.

veroordeelt [gedaagde sub 1.] en [gedaagde sub 2.] hoofdelijk, dat wil zeggen dat als de één betaalt de ander is gekweten, tot betaling aan van de proceskosten, tot op heden aan de zijde van Klaverblad en Goudse begroot op € 6.058,00,

3.10.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. Schothorst en in het openbaar uitgesproken op 14 april 2021.1

1 type: CvdD coll: