Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1173

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-04-2021
Datum publicatie
08-04-2021
Zaaknummer
18/054557-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van de primair ten laste gelegde overtreding van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 en veroordeling voor de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 Wegenverkeerswet 1994 tot een geldboete van € 500,- en een geheel voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/054557-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 25 maart 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.C. Schutte, advocaat te Winschoten.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Veen.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 8 oktober 2019, nabij Barger-Compascuum,

in elk geval in de gemeente Emmen,

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (landbouwtrekker),

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk,

onvoorzichtig en/of onoplettend, met dat motorrijtuig vanaf een akkerland een langs de Verlengde Oosterdiep OZ (Provincialeweg N379) gelegen fietspad/bromfietspad was opgereden en/of overstak, althans bezig was over te steken en/of op te rijden,

juist op het moment dat een over dat fietspad/bromfietspad rijdende bestuurder van een bromfiets hem, verdachte, dicht was genaderd,

waardoor de bestuurder van die bromfiets (genaamd [slachtoffer])

zwaar lichamelijk letsel,te weten een gecompliceerde heupbreuk, of zodanig lichamelijk letsel werd toegebracht, dat daaruit tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 8 oktober 2019, nabij Barger-Compascuum,

in elk geval in de gemeente Emmen,

als bestuurder van een voertuig (landbouwtrekker), met dat voertuig (landbouwtrekker) vanaf een akkerland een langs de Verlengde Oosterdiep OZ (Provincialeweg N379) gelegen fietspad/bromfietspad is opgereden en/of overgestoken,

althans bezig was over te steken en/of op te rijden, juist op het moment dat een over dat fietspad/bromfietspad rijdende bestuurder van een bromfiets hem,

verdachte, dicht was genaderd, door welke gedraging,(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde, overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde feit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat nu niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden vastgesteld of verdachte het slachtoffer had kunnen zien op het moment dat hij het fietspad opreed, niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich aanmerkelijk onvoorzichtig, onoplettend of onachtzaam heeft gedragen.

Omdat aan het subsidiair ten laste gelegde veroorzaken van gevaar op de weg dezelfde gedragingen en omstandigheden ten grondslag zijn gelegd, heeft de raadsman eveneens vrijspraak betoogd van het subsidiair ten laste gelegde.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 25 maart 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Op 8 oktober 2019 omstreeks 13:00 uur was ik aan het werk op het land, tussen Emmercompascuum en Bargercompascuum. Ik was bestuurder van een trekker en een maishakselaar. Rond het genoemde tijdstip zat mijn wagen vol, dus ik moest van het land af de weg op richting de boerderij. Daarvoor ging ik over het pad wat langs een wit huisje liep naar de weg. Aan de linkerkant staan allemaal bomen tot aan te fietspad toe. Ik reed tot aan het fietspad en bleef daar stil staan. Ik had goed zicht naar rechts, maar naar links zag ik eigenlijk niks. Ik wilde rechtsaf de weg opdraaien. Ik reed vervolgens vanuit stilstand, stapvoets op richting de weg. Ik reed het fietspad op. Ik stond al met de voorkant van mijn trekker op het fietspad en toen zag ik de bromfietser van links komen. Ik heb toen meteen geremd en ik stond ook direct stil. De bromfietser reed vervolgens tegen mijn trekker aan en kwam ten val.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verkeersongevalsanalyse d.d.

26 december 2019, opgenomen op pagina 8 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met Registratienummer PL0100-2019268079 d.d. 13 januari 2020, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:

Conclusie/beantwoording

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de

Fendt immers:

Hij reed vanaf het akkerland het fiets/bromfietspad op. Bij deze bijzondere manoeuvre liet hij de voor hem van links, over het fiets/bromfietspad naderende bromfietser niet voorgaan.

(..)

Wegsituatie

Het verkeersongeval vond plaats op het verharde fiets/bromfietspad gelegen parallel aan het Verlengde Oosterdiep Oostzijde (Provincialeweg N379) gelegen buiten de als zodanig

aangeduide bebouwde kom van Barger-Compascuum in de gemeente Emmen.

Het verkeersongeval had plaatsgevonden ter hoogte van perceel nummer 44. Het Verlengde Oosterdiep Oostzijde is gelegen tussen de plaatsen Zwartemeer en Emmer-Compascuum en is ter plaatse bestemd voor verkeer in beide richtingen.

Het ongeval vond gezien de oorspronkelijke rijrichting van de bromfiets plaats op een recht weggedeelte. Het fiets/bromfietspad heeft een breedte van circa 3.00 meter en is door middel van een onderbroken streep verdeeld in twee rijstroken. Het fiets/bromfietspad is van de hoofdrijbaan (Verlengde Oosterdiep Oostzijde) gescheiden door een grasberm met een breedte van circa 2.70 meter.

Uitzicht

Het zicht van de bestuurder van de Fendt, in de richting van de naderende bromfietser, werd bij het oprijden van het fiets/bromfietspad ernstig belemmerd door de aanwezigheid van

struiken. Nadat de Fendt was teruggezet in een positie waarbij de voorkant op gelijke hoogte stond met het begin van het fiets/bromfietspad zagen wij dat het zicht vanaf de bestuurdersplaats in de richting van de naderende bromfietser minimaal was.

(…)

Snelheid

De snelheid van de Fendt is onmiddellijk voor de botsing vrijwel zeker gering (stapvoets) geweest. Er werden door mij, verbalisant [verbalisant 1], tijdens de rijproef, geen aanwijzingen gevonden waaruit zou kunnen blijken dat de bromfiets (aanmerkelijk) sneller zou hebben kunnen rijden dan de constructiesnelheid van 25 km/h.

Oorzaak, toedracht en gevolg

De bestuurder van de Fendt landbouwtrekker met daarachter gekoppeld een twee-assige aanhangwagen beladen met gehakseld mais reed vanaf een akkerland het aangrenzende

fiets/bromfietspad op. Voor het oprijden van het fiets/bromfietspad werd zijn zicht naar links volledig dan wel nagenoeg volledig belemmerd door een rij hoge en dichte struiken.

De bestuurder reed, ondanks het ontbreken van enig zicht, stapvoets het fiets/bromfietspad op. Tijdens het oprijden zag hij kennelijk de bromfietser van links naderen immers hij zette een krachtige remming in en bracht zijn voertuigcombinatie tot stilstand.

Hij stond op dat moment met de voorzijde van de Fendt circa 2.15 meter op het 3.00 meter brede fiets/bromfietspad.

De naderende bromfietser werd plotseling geconfronteerd met de oprijdende voertuigcombinatie en was deze naar alle waarschijnlijkheid als zo dicht genaderd dat hij een botsing niet meer kon voorkomen. De rechter voorzijde van de bromfiets kwam in botsing met de linkerzijde van het frontgewicht voor op de Fendt. De botsing vond plaats op het fiets/bromfietspad. Als gevolg van de botsing kwam bromfietser ten val. De bromfiets kwam op zijn linkerzijde tot stilstand kort voor het frontgewicht. Als gevolg van de botsing liep de bromfietser zwaar lichamelijk letsel op en werd de bromfiets beschadigd.

Uit het onderzoek is gebleken dat de bestuurder van de Fendt naar alle waarschijnlijkheid met geringe snelheid (stapvoets) het fiets/bromfietspad opgereden was.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 26 november 2019, opgenomen op pagina 88 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

Ineens kwam van deze uitrit een trekker achter de bomen vandaan. Ik reed gewoon rechts op het fietspad maar kon een aanrijding niet meer voorkomen. Ik week nog uit en raakte de zijkant van de trekker met mijn rechterbeen en kwam ten val.

Uit voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af:

Verdachte is als bestuurder van een landbouwtrekker, met daarachter gekoppeld een

twee-assige aanhangwagen beladen met gehakseld mais, vanaf een akkerland het aangrenzende fiets/bromfietspad op gereden. Voor het oprijden van het fiets/bromfietspad werd het zicht naar links volledig dan wel nagenoeg volledig belemmerd door een rij hoge en dichte struiken. Verdachte reed ondanks het ontbreken van enig zicht stapvoets het fiets/bromfietspad op. Op het moment dat verdachte de bromfietser van links zag naderen, zette hij een krachtige remming in en bracht hij zijn voertuigcombinatie tot stilstand.

De naderende bromfietser werd plotseling geconfronteerd met de oprijdende voertuigcombinatie en was deze al zo dicht genaderd dat hij een botsing niet meer kon voorkomen.

Primair is ten laste gelegd overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW). De vraag is of het handelen van verdachte overtreding van artikel 6 WVW oplevert.

Om tot schuld in de zin van artikel 6 WVW te komen, is vereist dat het rijgedrag van verdachte roekeloos dan wel zeer of aanmerkelijk onoplettend, onvoorzichtig of onachtzaam was. Daarvoor moet beoordeeld worden of sprake was van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld zoals bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Gekeken moet worden naar het geheel van gedragingen van verdachte, naar de aard en de concrete ernst van de verkeersovertreding en voorts naar de omstandigheden waaronder die overtreding is begaan.

Het ongeval is veroorzaakt doordat verdachte de bromfietser te laat heeft gezien en hij hem geen voorrang heeft verleend. Voor schuld in de zin van artikel 6 WVW is echter meer nodig dan het enkel niet of te laat zien van een andere verkeersdeelnemer. Er moet op zijn minst sprake zijn van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid.

Daarvan is naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de aard van deze verkeersfout en de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan, hoe ernstig de gevolgen hiervan ook zijn, geen sprake.

Nu er geen voor het misdrijf van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994 benodigde mate van schuld bewezen kan worden verklaard, zal verdachte van het primair ten laste gelegde worden vrijgesproken.

De rechtbank is van oordeel dat er wel sprake is van overtreding van het subsidiair tenlastegelegde artikel 5 WVW, het veroorzaken van gevaar op de weg.

Vaststaat dat verdachte de bromfietser voorrang had moeten verlenen. Verdachte was, zoals hij ter terechtzitting heeft verklaard, er van op de hoogte dat hij op het moment dat hij vanaf het akkerland het aangrenzende fiets/bromfietspad op wilde rijden, rekening moest houden met (brom)fietsers die gebruik maken van het fiets/bromfietspad. Verdachte reed in een groot landbouwvoertuig, met daarachter gekoppeld een twee-assige aanhangwagen beladen met gehakseld mais. Dit vereist extra voorzichtigheid. Hoewel uit de inhoud van de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het zicht van verdachte aan de linkerkant werd gehinderd door een rij hoge en dichte struiken, had de bromfietser voor verdachte eerder waarneembaar kunnen zijn als hij bijvoorbeeld alvorens stapvoets het fietspad op te rijden uit zijn landbouwtrekker was gestapt, om te kijken of er op het fiets/bromfietspad (brom)fietsers aan kwamen. Het fiets/bromfietspad is een lang recht pad gelegen parallel aan het Verlengde Oosterdiep Oostzijde (Provincialeweg N379) tussen de plaatsen Zwartemeer en

Emmer-Compascuum. Verdachte had door eerst uit te stappen alsnog goed zicht én voldoende tijd gehad om vervolgens weer zijn landbouwtrekker in te stappen, het fiets/bromfietspad stapvoets op te rijden en de weg rechtsaf op te draaien. Verdachte heeft dit nagelaten en door zijn gedrag een gevaar op de weg veroorzaakt, waarbij lichamelijk letsel is toegebracht aan de bromfietser.

De rechtbank acht gelet op het vorenstaande de subsidiair ten laste gelegde overtreding van artikel 5 WVW wel wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

verdachte op 8 oktober 2019, nabij Barger-Compascuum, in de gemeente Emmen,

als bestuurder van een voertuig (landbouwtrekker), met dat voertuig (landbouwtrekker) vanaf een akkerland een langs de Verlengde Oosterdiep OZ (Provincialeweg N379) gelegen bromfietspad is opgereden, juist op het moment dat een over dat bromfietspad rijdende bestuurder van een bromfiets hem, verdachte, dicht was genaderd, door welke gedraging, van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 100 uren, alsmede een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, mocht de rechtbank toch tot een bewezenverklaring komen, gepleit voor het opleggen van een geheel voorwaardelijke straf en heeft daarbij verzocht in het bijzonder rekening te houden met het volgende.

Verdachte is al 25 jaar werkzaam als beroepschauffeur (ZZP’er) en hoofdkostwinner. Een ontzegging van de rijbevoegdheid zal voor zijn gezin grote financiële gevolgen hebben. Daarnaast is verdachte first offender. Hij is in al die 25 jaar nimmer betrokken geweest bij een verkeersongeval en heeft ook nooit zaaksgerelateerde bekeuringen gekregen.

De pleegdatum is 8 oktober 2019, nagenoeg anderhalf jaar geleden. Verder heeft verdachte opnieuw rijexamen moeten doen voor de categorie “Auto met aanhanger”, hetgeen extra kosten met zich meebracht en waardoor verdachte inkomsten is misgelopen.

Voorts heeft verdachte door het voorval een grote opdrachtgever verloren.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 15 februari 2021, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een overtreding van artikel 5 WVW. Verdachte heeft als bestuurder van een landbouwtrekker gevaar op de weg veroorzaakt.

Hij reed, ondanks het ontbreken van enig zicht naar links, stapvoets vanaf een akkerland het aangrenzende fiets-/bromfietspad op, waardoor een aanrijding met een bestuurder van een bromfiets is ontstaan. Het ongeval heeft een zeer grote impact (gehad) op het inmiddels

82-jarige slachtoffer. Het slachtoffer heeft ten gevolge van het ongeval een gecompliceerde heupbreuk opgelopen, waarvan het herstel gepaard is gegaan met een lang revalidatieproces.

Voorts heeft de rechtbank bij de strafbepaling meegewogen dat verdachte beroepschauffeur is. Een bestuurder van een landbouwtrekker, met in onderhavig geval daarachter gekoppeld een twee-assige aanhangwagen beladen met gehakseld mais, moet extra voorzichtig zijn en nog meer dan andere weggebruikers er alles aan doen om welk gevaar dan ook op de weg te voorkomen. Hoe gering de fout ook is, de gevolgen van een ongeval waarbij een dergelijk voertuig is betrokken zijn immers vaak groot, zoals ook in dit geval is gebleken.

De rechtbank ziet echter ook in dat zaken zoals deze enkel verliezers kennen. Ook verdachte heeft dit ongeval niet gewild. Verdachte heeft kort na het ongeval regelmatig contact gezocht met het slachtoffer om te vragen hoe het met hem gaat. De rechtbank waardeert de houding van de verdachte richting het slachtoffer.

Nu de rechtbank overtreding van artikel 6 WVW niet bewezen acht, komt de rechtbank tot een lagere straf dan door de officier van justitie is gevorderd.

De rechtbank heeft gekeken naar straffen die in vergelijkbare zaken worden opgelegd.

In zaken zoals deze, waarbij niet te hard is gereden, geen drank of drugs in het spel waren en het voertuig normaal functioneerde, maar de verkeersfout bestaat uit het geen voorrang verlenen, wordt doorgaans een geldboete opgelegd. Die zal de rechtbank in dit geval ook opleggen.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat een geldboete van € 500,- en een ontzegging van de rijbevoegdheid passend en geboden is. Gelet op de persoon van verdachte en het feit dat verdachte nooit eerder met politie en justitie in aanraking is geweest, ziet de rechtbank aanleiding om een geheel voorwaardelijk ontzegging van de rijbevoegdheid op te leggen voor de duur van drie maanden, met een proeftijd van twee jaren. Deze voorwaardelijke sanctie dient als extra prikkel voor oplettendheid in het verkeer en om te voorkomen dat verdachte als (beroeps)chauffeur opnieuw een verkeersovertreding zal begaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 500,- (zegge: vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 10 dagen hechtenis.

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van 3 maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd,

die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Eelsing, voorzitter, mr. J.G. de Bock en mr. M.A.A. van Capelle, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 april 2021.