Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1131

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-04-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
18/317058-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Oplegging ISD-maatregel wegens diefstallen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 310
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/317058-20

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/301294-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 21/000079-16

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 april 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1983 te [geboorteplaats] ,

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder bekende woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te Leeuwarden in PI Leeuwarden.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 maart 2021. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. H.P. Eckert, advocaat te Groningen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

parketnummer 18/317058-20

hij op of omstreeks 17 november 2020 te Groningen, in/uit een woning ( [adres] ), een handtas (met inhoud), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

parketnummer 18/301294-20

hij op of omstreeks 20 november 2020 te Groningen, vanuit (een vertrek van) een Synagoge/ pand (gelegen aan de Folkingestraat) een jas en/of autosleutels en een telefoon en/of een oplader, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer] en/of [slachtoffer] en/of [slachtoffer] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor beide ten laste gelegde feiten.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van beide ten laste gelegde feiten. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd.

parketnummer 18/317058-20

Wettig en overtuigend bewijs dat verdachte de diefstal heeft gepleegd ontbreekt. Verdachte is op de plek geweest waar de diefstal plaatsvond. Dat betekent niet dat verdachte de tas van aangeefster dus heeft gestolen. Het ligt meer voor de hand dat de diefstal is gepleegd door [naam] , die is herkend als degene die met de van aangeefster ontvreemde bankpas heeft gepind. De betrokkenheid van deze [naam] bij de diefstal past in het tijdsverloop van de pintransacties die met de bankpas van aangeefster zijn verricht. Het is mogelijk dat deze [naam] via de nooduitgang het appartementencomplex is binnengedrongen.

parketnummer 18/301294-20

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat hij een dubbelzijdige jas droeg toen hij in de synagoge was, en dat hij die bij binnenkomst droeg met de rode buitenzijde en bij het verlaten met de blauwe buitenzijde. Verdachte heeft ook op zitting verklaard dat bij een huiszoeking bij hem thuis zo'n dubbelzijdige jas is aangetroffen. Gelet op deze verklaring zou vrijspraak moeten volgen.

Indien de diefstal van de jas wettig en overtuigend kan worden bewezen, leidt dit niet zonder meer tot een bewezenverklaring van diefstal van de autosleutels en de telefoon van de andere aangevers. De kamer waar deze zaken zich bevonden was niet op slot en er waren meerdere mensen in de synagoge die bij die zaken konden komen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

parketnummer 18/317058-20

1. De door verdachte ter zitting van 23 maart 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ben in de hal van dit appartementencomplex geweest. Ik was daar in mijn eentje. Op de camerabeelden is te zien dat ik iets bij me had toen ik het complex verliet. Dat is mijn schoudertas. Ik droeg die onder mijn jas toen ik binnenkwam en ik hield hem in mijn hand toen ik weer naar buiten ging.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 17 november 2020, opgenomen op pagina 4 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020319222 van 21 december 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Op 17 november 2020, omstreeks 18:00 uur, was ik bij een vriendin aan de [adres] te Groningen. In de centrale hal zag ik een man staan. Omstreeks 18:30 uur kwamen we erachter dat de voordeur van de woning openstond. Toen ik binnenkwam had ik mijn tas op een tafeltje gezet, welke vlak na de voordeur is geplaatst. Ik zag dat mijn tas nu weg was.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 11 december 2020, opgenomen op pagina 10 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik heb de camerabeelden bekeken van de [adres] .

fragment 1

Om 17.59.37 is te zien dat de verdachte, nader te noemen: verdachte [verdachte] , samen

met een jongedame via de voordeur van het wooncomplex naar binnen loopt.

fragment 3

tijdstip 18.14.13

Te zien is dat verdachte [verdachte] met versnelde pas richting de elektrische schuifdeur loopt. Te zien is dat verdachte [verdachte] een voorwerp in zijn linkerhand vasthoudt wat lijkt op een tas/handtas.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 15 december 2020, opgenomen op pagina 36 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Van deze diefstal zijn camerabeelden beschikbaar van het wooncomplex. Ik, verbalisant, laat fragment 3 van de camerabeelden zien. Op deze beelden is te zien dat de verdachte het wooncomplex verlaat met een voorwerp in zijn hand.

Ik hoorde aangeefster het volgende zeggen:

Ik weet 100 procent zeker dat de man mijn tas vast heeft. Ik weet dit zeker omdat de kleur overeenkomt met mijn tas, het is een soort paarse/bruine kleur. Ik kan dit op de camerabeelden zien omdat de kleur zichtbaar is als de tas over een zwart vlak op de grond heen bewogen wordt. Ook zie ik dat de tas glimt, het is een soort nep slangenleren tasje. Ik zie een zilveren ringetje waar het hengsel mee aan de tas vastzit. Ook zie ik dat de grootte van de tas overeenkomt met mijn tas.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft zichzelf herkend op de camerabeelden die zijn gemaakt van de entrée van het appartementencomplex aan [adres] . De diefstal heeft plaatsgevonden tussen 18.00 en 18.30 uur. Uit de beelden blijkt dat verdachte om 18.14 met versnelde pas het pand verlaat, met in zijn hand een tas die door aangeefster is herkend als die van haar. Mede in het licht van de herkenning van de tas door aangeefster acht de rechtbank de verklaring van verdachte- dat het zijn eigen tas was die bij binnenkomst niet zichtbaar was-ongeloofwaardig. Bovendien is het tijdsbestek waarin aangeefster het appartementencomplex is binnengekomen en de diefstal van haar handtas uit de woning heeft opgemerkt kort en bevond verdachte zich binnen dit tijdsbestek in het appartementencomplex.

De rechtbank verwerpt ook het verweer voor zover dat ziet op het mogelijke daderschap van [naam] . Diens betrokkenheid blijkt volgens de verdediging uit pintransacties die zijn verricht kort na de diefstal van de tas waarin de gebruikte pinpassen zaten, te weten volgens aangeefster om 18:31 en 18:37 uur. Dit enkele tijdsverloop en de afstand van de Akkerstraat tot de plek waar gepind is staan aan de bewezenverklaring van de diefstal door verdachte niet in de weg.

parketnummer 18/317058-20

1. De door verdachte ter zitting van 23 maart 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik ben op 20 november 2020 in de synagoge aan de Folkingestraat in Groningen geweest. Ik ben te zien op de camerabeelden die zich in het dossier bevinden.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 25 november 2020, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020332188 van 18 december 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Ik doe aangifte van diefstal. De dader heeft een zwarte damesjas met bontkraag die

geheel mijn eigendom is, zonder mijn toestemming weggenomen en zich toegeëigend.

Ik ben gids bij Stichting Folkingestraat Synagoge te Groningen. Ik was op 20 november 2020 in die hoedanigheid aanwezig in de synagoge. Omstreeks 08:45 uur kwam ik aan bij de synagoge. Ik ben vervolgens gelijk naar de rabiaatkamer gegaan en bij binnenkomst heb ik mijn tas op een stoel gelegd en mijn jas op mijn tas gelegd. Toen ik omstreeks 10:45 uur mijn jas wilde pakken, kwam ik erachter dat mijn jas was weggenomen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 23 november 2020, opgenomen op pagina 9 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Kort daarna ontdekte [slachtoffer] dat haar jas uit de rabiaatkamer van de

synagoge was weggenomen. Dat betrof een jas met grote bontkraag, donker blauw/groen

van kleur. Ik ben na die ontdekkingen beveiligingsbeelden gaan bekijken die worden gemaakt met een beveiligingscamera bij de ingang van de synagoge. Toen zag ik op die beelden dat er met de groep kinderen van het Werkmancollege, als laatste een blanke man de synagoge binnenkwam. Ik zag dat die man gekleed ging in een opvallende rode jas, een blauwe spijkerbroek, een blauwe trui en dat hij liep op slippers. De man had heel kort haar of is kalend. Ik zag op de beelden verder dat diezelfde man, kort nadat hij binnenkwam, ook de synagoge weer verliet door de nog openstaande synagogedeur, en dat de man toen de jas aanhad van Tineke, de jas die was weggenomen uit de rabiaatkamer.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor van aangeefster van 16 maart 2021, opgenomen op pagina 1 e.v. van het aanvullend proces-verbaal met nummer PL0100-2020322033, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

De aangeefster verklaarde:

"U toont mij camerabeelden met de vraag of ik de jas die de persoon aan heeft herken. Ik herken de jas 100% als mijn jas welke is weggenomen. Ik herken de jas aan de bontkraag en het model, de jas is een parka model."

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 16 maart 2021, opgenomen op pagina 1 e.v. van het aanvullend proces-verbaal met nummer PL0100-2020321927, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant] :

Bij dit proces-verbaal worden twee afbeeldingen gevoegd. Op één (1) is de verdachte te zien waarbij hij een rode jas draagt. Op twee (2) is de verdachte te zien met de jas welke is weggenomen en waarvan aangifte is gedaan.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft zichzelf herkend op de camerabeelden waarop is te zien dat hij bij binnenkomst van de synagoge een korte rode jas draagt, en waarop te zien is dat hij bij het verlaten van de synagoge een donkere jas met een grote (nep-)bontkraag draagt, welke jas langer en wijder is dan de rode jas. De jas die verdachte draagt bij het verlaten van de synagoge is door zowel aangeefster als haar collega herkend als de jas van aangeefster. Verdachte heeft verklaard dat dit dezelfde jas is als die hij droeg bij binnenkomst van de synagoge, en dat deze jas binnenstebuiten gedragen kan worden en dat hij dit ook heeft gedaan. De rechtbank volgt dit verweer niet. Uit de camerabeelden blijkt dat de jas die verdachte draagt niet alleen is veranderd van kleur, maar ook van model. Dit kan maar één oorzaak hebben: verdachte draagt een andere jas bij het verlaten van de synagoge, namelijk die van aangeefster.

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte ook de autosleutels van aangever [slachtoffer] en de telefoon en oplader van aangever [slachtoffer] heeft gestolen. Verdachte heeft de diefstal ontkend en de zaken zijn niet bij hem aangetroffen. De tijdspanne waarin de diefstal van deze twee zaken heeft plaatsgehad is dusdanig ruim en de kamer waar deze zaken werden bewaard was niet afgesloten, zodat niet kan worden uitgesloten dat een ander dan verdachte deze zaken heeft ontvreemd.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht hetgeen onder parketnummers 18/317058-20 en 18/301294-20 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

parketnummer 18/317058-20

hij op 17 november 2020 te Groningen uit een woning ( [adres] ) een handtas met inhoud die toebehoorde aan [slachtoffer] heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

parketnummer 18/301294-20

hij op 20 november 2020 te Groningen vanuit een vertrek van een synagoge gelegen aan de Folkingestraat een jas die toebehoorde aan [slachtoffer] heeft weggenomen met het oogmerk om hem zich wederrechtelijk toe te eigenen.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

parketnummer 18/317058-20

diefstal

parketnummer 18/301294-20

diefstal

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte ter zake van beide feiten wordt opgelegd de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren (hierna: ISD-maatregel) zonder aftrek van de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak. In het geval de rechtbank tot een bewezenverklaring komt, verzoekt de raadsman een voorwaardelijke sanctie op te leggen met daarbij een verplicht te volgen behandeling in de Piet Roorda-kliniek, of een soortgelijke instelling. In de Piet Roorda-kliniek heeft verdachte eerder een behandeling gevolgd; hoewel die positief verliep, is die behandeling beëindigd omdat verdachte een voorwaardelijk opgelegde straf alsnog moest uitzitten. Het opleggen van een ISD-maatregel is buitenproportioneel. Indien de ISD-maatregel toch wordt opgelegd, verzoekt de raadsman de voorlopige hechtenis in mindering te brengen op de duur van de maatregel en om na zes maanden te evalueren hoe het traject verloopt.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapportage, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft twee diefstallen gepleegd, waarbij hij de woon- of de kantoorruimte van anderen is binnengedrongen. Dit zijn ergerlijke feiten. Woon- en kantoorruimten horen voor de rechtmatige gebruikers een veilige omgeving te zijn om hun goederen onbeheerd achter te laten. Verdachte heeft dit vertrouwen op grove wijze geschonden.

Uit het reclasseringsrapport en de ter terechtzitting gegeven toelichting daarop blijkt dat verdachte in het verleden weinig gemotiveerd was om mee te werken aan een behandeling die gericht is op het voorkomen van recidive. Het gebrek aan motivatie en (de terugval in) het druggebruik lagen eraan ten grondslag dat verdachte is gerecidiveerd. Verdachte blijft vatbaar voor druggebruik, waarmee de kans op recidive groot wordt geacht. Gezien de strafrechtelijke ontwikkelingen sinds de laatste invrijheidstelling van verdachte en de eenvoud waarmee hij lijkt te recidiveren, is het opleggen van de ISD-maatregel noodzakelijk om recidive te voorkomen, mede gezien het feit dat alle andere interventies om tot een succesvolle hulpverlening te komen zijn mislukt. De reclassering adviseert een ISD-maatregel voor de duur van twee jaren.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte voldoet aan de voorwaarden die artikel 38m Wetboek van Strafrecht stelt aan het opleggen van een ISD-maatregel. Bewezenverklaard is dat verdachte een misdrijf heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel justitiële documentatie van 9 maart 2021 blijkt dat verdachte gedurende de vijf jaren voorafgaand aan het plegen van de tenlastegelegde diefstallen meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf. De in dit vonnis bewezenverklaarde diefstallen zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Ook blijkt uit de reclasseringsrapportage dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte wederom een misdrijf zal begaan. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat ook is voldaan aan de eisen die de “Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers” van het Openbaar Ministerie stelt: verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaren processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt worden voor meer dan tien misdrijven, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen vanaf de pleegdatum van het laatst gepleegde feit. Verder eist de veiligheid van personen of goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal door verdachte begane soortgelijke feiten. Tot slot heeft de officier van justitie het opleggen van de ISD-maatregel gevorderd.

Anders dan de raadsman heeft bepleit, ziet de rechtbank geen aanleiding om een voorwaardelijke straf met een verplichte behandeling op te leggen. Uit de justitiële documentatie van verdachte blijkt dat hij veelvuldig is veroordeeld wegens vermogens-, gewelds- en druggerelateerde delicten. Daar komt bij dat verdachte in een proeftijd liep. Dat heeft hem er niet van weerhouden om opnieuw delicten te plegen; een voorwaardelijk traject is naar het oordeel van de rechtbank vruchteloos. De rechtbank acht de oplegging van de ISD-maatregel dan ook geboden ter beveiliging van de maatschappij en ter beëindiging van de recidive van verdachte.

Alles in aanmerking nemend acht de rechtbank oplegging van de ISD-maatregel voor de duur van twee jaren passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om de duur van de ISD-maatregel te verminderen met de periode die verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Evenmin ziet de rechtbank aanleiding om te beslissen tot een vooraf bepaalde tussentijdse beoordeling van de noodzaak van de voortzetting van de uitvoering van de ISD-maatregel.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk arrest van 17 november 2017 van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een gevangenisstraf van 21 maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 2 april 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft bij vordering van 25 februari 2021 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf. Ter terechtzitting heeft de officier van justitie haar standpunt gewijzigd in het licht van de gevorderde ISD-maatregel, en gevorderd de vordering tot tenuitvoerlegging af te wijzen indien door de rechtbank de ISD-maatregel voor twee jaren wordt opgelegd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman deelt het standpunt van de officier van justitie dat de vordering tot tenuitvoerlegging dient te worden afgewezen.

Oordeel van de rechtbank
Nu verdachte de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering tot tenuitvoerlegging in beginsel worden toegewezen. Gelet echter op het feit dat de ISD-maatregel wordt opgelegd, acht de rechtbank de tenuitvoerlegging van bovengenoemde voorwaardelijk opgelegde straf niet opportuun. De rechtbank zal de vordering tot tenuitvoerlegging dan ook afwijzen.

In beslaggenomen goederen

Onder verdachte is een geldbedrag van € 350,40 in beslag genomen. De officier van justitie heeft gevorderd dat dit bedrag aan verdachte kan worden teruggegeven. Ook de verdediging stelt zich op dat standpunt.

De rechtbank is van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag van € 350,40 moet worden teruggegeven aan verdachte nu het belang van strafvordering zich daartegen niet verzet.

Ter zitting is aan de orde gekomen dat ook een damesfiets onder verdachte in beslag is genomen, waarvan de officier van justitie heeft verklaard dat die aan de rechtmatige eigenaar kan worden teruggegeven. Nu een kennisgeving van inbeslagneming en een beslaglijst terzake de fiets ontbreken, zal de rechtbank zich onthouden van een oordeel.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 57 en 310 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder parketnummers 18/317058-20 en 18/301294-20 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezenverklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Legt aan verdachte op de maatregel tot:

plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Gelast de teruggave aan verdachte van het onder hem in beslaggenomen geldbedrag van

€ 350,40.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

21/000079-16:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 november 2017.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Veen, voorzitter, mr. A. Jongsma en mr. C.J. Hoedt, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 april 2021.

Mrs. Veen en Hoedt zijn buiten staat dit vonnis te ondertekenen.