Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1127

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-03-2021
Datum publicatie
06-04-2021
Zaaknummer
18/220268-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte vrijgesproken van het primair (poging doodslag) en subsidiair (zware mishandeling) ten laste gelegde en acht het meer subsidiair tenlastegelegde (poging tot zware mishandeling) wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank ontslaat verdachte ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde van alle rechtsvervolging wegens een geslaagd beroep op noodweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/220268-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 25 maart 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1988 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

11 maart 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. G.R. Stoeten, advocaat te Leeuwarden.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L. Lubbers.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 augustus 2020 te Gorredijk, in de gemeente Opsterland ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om [slachtoffer] opzettelijk van het leven te beroven,

met dat opzet, die [slachtoffer] , meermalen, met een mes, althans met een scherp en/of een puntig voorwerp, in het hoofd (te weten: in/bij een oor) en/of in het (boven)lichaam (te weten: in de borst (nabij een long) en/of in een oksel en/of pols en/of bovenarm) heeft gestoken en/of gesneden en/of (daarbij) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "ik maak je af", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 augustus 2020 te Gorredijk, in de gemeente Opsterland aan

[slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten (onder meer) een of meer

steek- en/of snijwond(en), voor de geneeskundige behandeling waarvan een of meer hechting(en) zijn aangebracht, heeft toegebracht door met dat opzet, die [slachtoffer] , meermalen, tegen het hoofd te slaan en/of te stompen en/of met een mes, althans met een scherp en/of een puntig voorwerp, in het hoofd (te weten: in/bij een oor) en/of in het (boven)lichaam (te weten: in de borst (nabij een long) en/of in een oksel en/of pols en/of bovenarm) te steken en/of te snijden en/of (daarbij) die [slachtoffer] de woorden toegevoegd: "ik maak je af", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

hij op of omstreeks 24 augustus 2020 te Gorredijk, in de gemeente Opsterland ter

uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer] , meermalen, tegen het hoofd heeft geslagen en/of gestompt en/of met een mes, althans met een scherp en/of een puntig voorwerp, in het hoofd (te weten: in/bij een oor) en/of in het (boven)lichaam (te weten: in de borst (nabij een long) en/of in een oksel en/of pols en/of bovenarm) heeft

gestoken en/of gesneden en/of (daarbij) die [slachtoffer] de woorden heeft toegevoegd: "ik maak je af", althans woorden van gelijke aard en/of strekking, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte weliswaar geen vol opzet, maar wel voorwaardelijk opzet op de dood van aangever heeft gehad. Verdachte heeft aangever meermalen in het bovenlichaam gestoken. In het geval van steken in het bovenlichaam is er een aanmerkelijke kans dat vitale delen van het lichaam (organen of bloedvaten) worden geraakt. Daarmee heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het steken een dodelijke afloop zou hebben.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair en subsidiair ten laste gelegde. Ten aanzien van het primair ten laste gelegde heeft hij daartoe aangevoerd dat ‘steken in het hoofd’ niet kan worden bewezen. Het letsel (krasletsel en een barstwond) van aangever past eerder bij slaan tegen, dan steken in het hoofd. Opzet op het overlijden van aangever, ook in voorwaardelijke zin, kan niet worden vastgesteld. Verdachte verklaart hier niet over en er is onvoldoende bekend over het wapen waarmee de verwondingen zijn toegebracht en of dit geschikt was om iemand dodelijk mee te verwonden. De lengte van het steekwapen waarmee het letsel is toegebracht (voor zover het een mes betrof de lengte van het lemmet) is onbekend, terwijl dat relevant is voor de vraag of het steken bij of in de richting van de oksel tot de dood had kunnen leiden. Het steken naar de arm levert in ieder geval geen aanmerkelijke kans op het intreden van de dood op, aldus de raadsman.

Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat niet blijkt van zwaar lichamelijk letsel als bedoeld in artikel 82 en 302 Wetboek van Strafrecht. Er zijn wellicht relatief kleine littekens, maar van blijvende beperkingen lijkt geen sprake. De raadsman is van mening dat er hooguit sprake zou zijn van een poging zware mishandeling en refereert zich ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 11 maart 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 24 augustus 2020 te Gorredijk [slachtoffer] geslagen en in zijn arm gestoken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 25 augustus 2020, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020233694 d.d. 13 oktober 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer] :

Op 24 augustus 2020 te Gorredijk werd ik door [verdachte] geslagen met zijn vuist op mijn hoofd. Ik zag en voelde dat [verdachte] mij met het mes in mijn bovenarm raakte. Ik zag en voelde dat hij mij nog een aantal keren stak met het mes en dat hij mij daarbij in mijn bovenarm (binnenzijde) en linker oksel raakte. Ik heb hechtingen gekregen in mijn bovenarm en mijn oksel.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 26 augustus 2020, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Ik zag dat de onbekende man op mijn vader insloeg. Ik zag dat de man mijn vader met een mes in de linker bovenarm stak.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2020, opgenomen op pagina 89 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Wij verbalisanten zagen op de beschikbare beelden het volgende:

Wij zagen dat de ons bekende verdachte [verdachte] op 24 augustus 2020 de oprit van [adres] op fietst. Vervolgens loopt verdachte via het toegangspad naar de voordeur. Om 17.01.12 opent iemand met een fors postuur (vermoedelijk aangever) de voordeur. De persoon die de voordeur opent laat verdachte binnen. Dit verloopt kalm en rustig. Na zijn binnenkomst wordt de voordeur door diezelfde persoon weer gesloten.

Om 17.01.53 zien wij de voordeur weer opengaan en zien wij verdachte zichtbaar gehaast de woning verlaten. Terwijl hij in versnelde pas via het toegangspad terugloopt naar het trottoir valt op dat verdachte iets in zijn rechterhand houdt. Dat iets is gelijkend op een mes en er wordt met beide handen iets mee gedaan en lijkt op het dichtklappen van een mes.

5. Een schriftelijk stuk, te weten een forensisch geneeskundige letselverklaring, op

17 september 2020 opgemaakt en ondertekend door M.S.P. Löwik, forensisch arts i.o. voor zover inhoudend, als zijn/haar geneeskundige verklaring:

Op 27 augustus 2020 werd onderzocht de heer [slachtoffer] .

Locatie letsel: circa 3,5cm achter de linkeroorschelp in de behaarde hoofdhuid, ter hoogte van de bovenzijde van de oorschelp.

Beschrijving: een Y-vormige oppervlakkige huidbeschadiging met een lengte van circa 3mm per arm.

Soort verwonding: barstwond.

Locatie letsel: circa 5,5cm rechtstreeks onder de linker oksel.

Beschrijving: er is een verticaal streepvormige huidonderbreking met een lengte van circa 1,5cm en 1 hechting zichtbaar. Rondom en voornamelijk aan de onderzijde is in een gebied van circa 6,5x6cm blauwgele verkleuring van de huid zichtbaar met aan de voor een bovenzijde meerdere horizontale en verticale streepvormige paarse huidverkleuringen.

Soort verwonding: gehechte wond met een bloeduitstorting.

Locatie letsel: aan de buitenzijde van de linker bovenarm, circa 1,5cm onder de okselplooi.

Beschrijving: er is een diagonale licht krommende streepvormige huidonderbreking met een lengte van circa 3cm en 5 hechtingen zichtbaar. Aan de onderzijde van dit letsel is in een gebied van 8x2cm een blauwe verkleuring van de huid zichtbaar.

Soort verwonding: gehechte wond met een bloeduitstorting.

Locatie letsel: aan de binnenzijde van de linker bovenarm, circa 4cm onder de oksel.

Beschrijving: er is een verticale streepvormige huidonderbreking van circa 1 cm met

2 hechtingen zichtbaar. Aan de voor en onderzijde van dit letsel zijn in een gebied van circa 8x13cm meerdere paarse en blauwgele huidverkleuringen zichtbaar.

Soort verwonding: gehechte wond met bloeduitstortingen.

De genezingsduur is tenminste drie weken. Een (blijvende) beperking ligt niet in de lijn der verwachting. Het is echter wel aannemelijk dat er littekens zullen blijven.

6. Een schriftelijk bescheid, te weten een verklaring van E.J. Breet, huisarts Dokterswacht, post Heerenveen, d.d. 24 augustus 2020, als bijlage III gevoegd bij de vordering van de benadeelde partij, voor zover inhoudend:

Wondjes: linker bovenarm 3cm breed, arm 1 hechting, 50 cc bloedverlies, wondjes zijn droog. (O) ni bewustzijn, alert; schram boven li oor/wang, wond li bovenarm 3cm, binnenzijde bovenarm 1 cm _ li oksel ondiep 1 cm, geen aanw perforerende wond.

Bewijsoverweging

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat nadat verdachte door aangever is binnengelaten in zijn woning, de deur achter verdachte door aangever wordt gesloten. In de gang is tussen hen een gevecht ontstaan, waarbij over en weer door aangever en verdachte is geslagen. Uit de verwondingen van aangever blijkt dat hij daarbij door verdachte op de zijkant van zijn hoofd is geslagen.

Dit gevecht heeft zich– al dan niet via de woonkamer – op zeker moment verplaatst naar de keuken, waar verdachte aangever meermalen met een mes heeft gestoken.

Uit de aangifte en de letselverklaring blijkt dat aangever verwondingen heeft aan zijn linker bovenarm en oksel, welke verwondingen door de dokterswacht zijn gehecht. Het letsel past bij steek- en snijverwondingen door een mes.

De rechtbank acht niet bewezen dat het letsel aan het hoofd van aangever is veroorzaakt door het mes. Dit letsel past eveneens bij het slaan tegen het hoofd. Bovendien heeft aangever vlak na het incident op de vraag van de politie of hij ook in zijn hoofd was gestoken, geantwoord dat hij daar door verdachte was geslagen en dat hij daarom bloed aan zijn hoofd had.

Vrijspraak poging doodslag

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen niet kan worden vastgesteld dat verdachte vol opzet heeft gehad om aangever van het leven te beroven. Zogenoemd ‘vol opzet’ is dus niet bewijsbaar. Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of sprake is geweest van voorwaardelijk opzet.

De rechtbank stelt voorop dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg – zoals hier de dood (primair) – aanwezig is indien de verdachte zich willens en wetens heeft blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat dit gevolg zal intreden.

Of een gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Daarbij komt betekenis toe aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het zal in alle gevallen moeten gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten.

De rechtbank is van oordeel dat in deze zaak niet kan worden vastgesteld dat sprake is geweest van een aanmerkelijke kans dat aangever door het handelen van verdachte zou kunnen overlijden.

Weliswaar kan dit handelen op zichzelf in het algemeen naar zijn uiterlijke verschijningsvorm een mogelijk dodelijke afloop tot gevolg hebben, maar in deze zaak kan niet worden vastgesteld of het gebruikte wapen geschikt is geweest om dodelijk letsel te veroorzaken. Het dossier bevat onvoldoende informatie over de aard en omvang van het steekwapen, anders dan dat het een klapmes betrof. De politie heeft het door verdachte gebruikte steekwapen niet aangetroffen. Klapmessen beschikken doorgaans niet over een lang lemmet. Evenmin kan uit het dossier worden afgeleid onder welke omstandigheden en met hoeveel kracht verdachte heeft gestoken, terwijl door het ambulancepersoneel is geconstateerd dat de verwondingen van aangever oppervlakkig waren.

Gelet hierop is de rechtbank, anders dan de officier van justitie, van oordeel dat niet is komen vast te staan dat verdachte met zijn handelen een aanmerkelijke kans op de dood van aangever in het leven heeft geroepen.

De rechtbank acht de primair ten laste gelegde poging doodslag dan ook niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken.

Vrijspraak zware mishandeling

De rechtbank acht daarnaast ook het onder 1. subsidiair ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte ook hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat onder zwaar lichamelijk letsel op grond van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht (hierna Sr) wordt begrepen: ziekte die geen uitzicht op volkomen genezing overlaat, voortdurende ongeschiktheid tot uitoefening van ambts- of beroepsbezigheden, afdrijving of dood van de vrucht van een vrouw alsmede storing van de verstandelijke vermogens die langer dan vier weken heeft geduurd. Ook buiten deze gevallen kan volgens vaste rechtspraak lichamelijk letsel als zwaar worden beschouwd indien dat letsel voldoende belangrijk is om naar gewoon spraakgebruik als zodanig te worden aangeduid. Bij de beantwoording van de vraag of zeker letsel als zwaar lichamelijk letsel moet worden aangemerkt, is van belang of het oordeel van de rechter iets inhoudt over de aard van het letsel, de eventuele noodzaak en aard van medisch ingrijpen en/of het uitzicht op (volledig) herstel.

De rechtbank is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het letsel dat door de gedragingen van de verdachte bij het slachtoffer is veroorzaakt, te weten oppervlakkige snijwonden die zijn gehecht, kan worden aangemerkt als zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 Sr. Daartoe overweegt de rechtbank dat sprake is geweest van enig lichamelijk letsel bij het slachtoffer, maar dat medisch ingrijpen beperkt is gebleven tot het aanbrengen van enkele hechtingen door de dokterswacht. Verdachte heeft weliswaar fysiotherapie gehad en het is aannemelijk dat er littekens op de arm en onder de oksel zichtbaar zullen blijven, maar van min of meer blijvende beperkingen is niet gebleken.

Het voorgaande betekent dat de verdachte van dit deel van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.

Poging zware mishandeling

De rechtbank acht het onder 1 meer subsidiair tenlastegelegde te bewijzen, waarbij naar het oordeel van de rechtbank sprake is van voorwaardelijk opzet bij verdachte op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank leidt uit de bewijsmiddelen af dat verdachte meermalen met een mes in de richting van het bovenlichaam van aangever heeft gestoken en aangever in de oksel en (twee keer) in de linker bovenarm heeft geraakt. Naar algemene ervaringsregels geldt dat als met een mes wordt gestoken in of in de richting van de oksel en de armen de kans op zwaar lichamelijk letsel aanmerkelijk is te noemen. Het is immers goed mogelijk dat belangrijke bloedvaten, zenuwen of pezen worden geraakt, waardoor medisch ingrijpen noodzakelijk is en blijvend letsel kan ontstaan. De gedragingen van verdachte kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm dan ook worden aangemerkt als zo zeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het niet anders kan dan dat verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het meer subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 24 augustus 2020 te Gorredijk, in de gemeente Opsterland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet, die [slachtoffer] , tegen het hoofd heeft gestompt en meermalen met een mes, in het bovenlichaam, te weten: in een oksel en bovenarm heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

meer subsidiair: poging tot zware mishandeling

Strafuitsluitingsgrond

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft namens verdachte een beroep op noodweer subsidiair noodweerexces gedaan. De raadsman heeft daartoe aangevoerd dat uit de beelden blijkt dat de binnenkomst van verdachte bij aangever kalm en rustig is verlopen, terwijl aangever het tegenovergestelde heeft verklaard. Aangever is bovendien onbetrouwbaar gebleken wat betreft zijn verklaring met betrekking tot de honkbalknuppel die hij op zeker moment heeft gepakt en heeft gebruikt. Gelet hierop en op het feit dat de beelden meer aansluiten bij de verklaring van verdachte, terwijl ook niet onaannemelijk is dat het is gegaan zoals door verdachte is verklaard, moet in deze zaak van de verklaring van verdachte worden uitgegaan. Verdachte heeft verklaard dat in de gang een woordenwisseling ontstond en dat aangever hem als eerste een klap heeft gegeven. Deze aanval vindt plaats in de krappe gang van de woning. Verdachte ziet geen andere mogelijkheid dan zich met toepassing van geweld, slaan en stompen, te verdedigen. Daarmee is sprake geweest van een noodweersituatie waarin zijn reactie gepast en geboden was. Verdachte komt dan ook een beroep op noodweer toe.

Vervolgens, dus nadat eerst met de hand/vuist over en weer is geslagen, heeft aangever een honkbalknuppel gepakt en is verdachte daarmee in de gang gaan slaan. Ook daartegen mocht verdachte zich in deze situatie verweren. Verdachte heeft verklaard dat hij in paniek is geraakt door de honkbalknuppel, dat hij dacht dat hij doodgeslagen zou worden en dat hij iets scherps heeft gepakt en zich daarmee heeft verdedigd. Als hij door of met het gebruik van het voorwerp te ver is gegaan, is dat het gevolg geweest van de hevige gemoedsbeweging bij verdachte. In dat geval is er sprake van noodweerexces. Het slaan kan als noodweer worden beschouwd en het steken met het scherpe voorwerp als noodweer dan wel noodweerexces. Verdachte dient onder die omstandigheden te worden ontslagen van rechtsvervolging.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft betoogd dat een beroep op noodweer dan wel noodweerexces niet kan slagen. De officier van justitie is van mening dat er geen sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding. Voor het geval die er wel is geweest, was verdediging door verdachte niet noodzakelijk omdat verdachte altijd nog de mogelijkheid had om weg te gaan. Op het moment dat het niet mogelijk bleek om een gesprek met aangever te voeren, had verdachte immers via de voordeur de woning kunnen verlaten. De schermutseling tussen verdachte en aangever zou in dat geval in de richting van de voordeur moeten zijn geweest. Uit het dossier volgt echter dat verdachte achter aangever is aangerend in de richting van de achterdeur.

Dat verdachte een mes zou hebben gepakt van het aanrecht, is eveneens onwaarschijnlijk nu uit de beschrijving van de beelden duidelijk blijkt dat het een klapmes is geweest. De feiten passen beter bij een scenario dat verdachte het mes in zijn rechterzak heeft meegenomen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat voor een geslaagd beroep op noodweer(exces) eerst de vraag moet worden beantwoord of er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van verdachte, dan wel een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor, en vervolgens of de door verdachte tegen deze (dreigende) aanranding gevoerde verdediging noodzakelijk was (anders gezegd: of aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan). Ten slotte moet worden beoordeeld of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was (met andere woorden: of aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan).

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet de rechter, indien door of namens de verdachte een beroep op noodweer, noodweerexces of putatieve noodweer is gedaan, een gemotiveerde beslissing geven op dat verweer. Dan zal hij moeten onderzoeken of aan de voorwaarden voor de aanvaarding van dat verweer is voldaan. In dat verband kan betekenis toekomen aan de inhoud en indringendheid van de door of namens de verdachte aangevoerde argumenten. Bij de beoordeling van het beroep kunnen nauwkeurige en consistente feitelijke vaststellingen van belang zijn, waarbij de rechter de last tot het aannemelijk maken van die feitelijke grondslag niet uitsluitend op de verdachte mag leggen.

Vaststelling van de feitelijke toedracht

Bij de vaststelling van de feiten ziet de rechtbank zich geconfronteerd met verklaringen van verdachte aan de ene kant en aangever (en zijn zoon) aan de andere kant die op essentiële onderdelen tegenover elkaar staan. Zo heeft verdachte verklaard dat aangever hem als eerste sloeg, waarna hij hem terugsloeg, en dat aangever hem met een honkbalknuppel tegen het lichaam sloeg, waarop hij aangever met een mes heeft gestoken. Aangever heeft echter verklaard dat hij werd geslagen door verdachte en vervolgens werd geconfronteerd met een mes, waarop hij een honkbalknuppel heeft gepakt en verdachte daarmee heeft geslagen. Dat laatste wordt door zijn zoon bevestigd. Voor de beoordeling van het beroep op noodweer dan wel noodweerexces is de volgorde van de geweldshandelingen en van wie deze uitgingen, van doorslaggevend belang.

De rechtbank moet zich in het kader van de beoordeling van de aannemelijkheid van de door verdachte geschetste feitelijke gang van zaken een oordeel vormen over de betrouwbaarheid van de verklaringen van verdachte enerzijds en aangever en zijn zoon anderzijds. Aangever, noch zijn zoon hebben in eerste instantie verklaard over het gebruik van de honkbalknuppel tegen verdachte door aangever. Enkel omdat de politie – naar aanleiding van de verklaring en het letsel van verdachte – aangever een aantal weken later onverwacht heeft bezocht is de aanwezigheid van de honkbalknuppel aan het licht gekomen en zijn aangever en zijn zoon over het gebruik daarvan door aangever gaan verklaren.

Ook op de verklaringen van verdachte valt iets af te dingen. Zo acht de rechtbank niet geloofwaardig dat verdachte een scherp voorwerp van het aanrecht van aangever heeft gepakt, maar vindt zij het veeleer aannemelijk dat verdachte een mes bij zich had toen hij naar aangever toe ging. De rechtbank slaat in dat verband acht op de vage verklaringen van verdachte over de aard van het scherpe voorwerp dat hij van het aanrecht zou hebben gepakt en waar hij dat vervolgens heeft gelaten. Daarnaast hecht de rechtbank waarde aan de camerabeelden die door de politie zijn bekeken, waaruit de rechtbank afleidt dat verdachte direct na het verlaten van de woning van aangever een klapmes dichtklapt. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat verdachte niet eerlijk heeft verklaard over de herkomst van het door hem gebruikte mes.

Bij de beoordeling of de door verdachte geschetste feitelijke gang van zaken aannemelijk is, betrekt de rechtbank verder dat de verklaring van aangever dat hij direct nadat hij verdachte de woning had binnengelaten door hem werd geslagen, geen steun vindt in het dossier. Uit de camerabeelden blijkt iets anders, namelijk dat aangever verdachte zijn woning heeft binnengelaten en de deur achter hem heeft gesloten, welke handelingen op een rustige en kalme manier zijn verricht.

De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van aangever en zijn zoon dusdanig aan geloofwaardigheid inboeten, dat aan de verklaringen van verdachte meer waarheidsgehalte moet worden toegekend. Verdachte is weliswaar niet eerlijk geweest over het meenemen van een mes naar de woning van aangever, maar hij heeft vanaf het eerste verhoor erkend dat hij een scherp voorwerp heeft gebruikt en aangever daarmee heeft gestoken.

Aangever daarentegen heeft gezwegen over het hanteren van een honkbalknuppel en dus over zijn aandeel in de geweldshandelingen die zich in de woning hebben afgespeeld. De rechtbank zal bij het vaststellen van de feiten dan ook de verklaring van verdachte als uitgangspunt nemen, met uitzondering van onderdelen die afwijken van objectief vast te stellen gegevens.

De rechtbank stelt de volgende feiten en omstandigheden vast.

Verdachte is op 24 augustus 2020 naar de woning van aangever gegaan, omdat hij met aangever in gesprek wilde over bepaalde gedragingen van aangever, die in de ogen van verdachte niet juist waren. Verdachte droeg een klapmes bij zich.

Nadat verdachte door aangever is binnengelaten, heeft aangever de naar binnen draaiende voordeur weer achter hen gesloten. Aangever en verdachte stonden vervolgens in de krappe gang van de woning. Bij het sluiten van de deur stond aangever tussen verdachte en de voordeur in. In de gang is vervolgens na een woordenwisseling een gevecht ontstaan. Aangever heeft verdachte geslagen, waarna verdachte aangever tegen het hoofd heeft gestompt. Vervolgens heeft aangever een honkbalknuppel gepakt waarmee hij verdachte heeft geslagen, onder meer tegen de romp. Het gevecht heeft zich daarna verplaatst naar de keuken. Om zich te verweren tegen de slagen met de honkbalknuppel heeft verdachte zijn mes gepakt en aangever daarmee meermalen gestoken. Hij heeft hem twee oppervlakkige steken in de bovenarm en een onder de oksel toegebracht.

Ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding

Op grond van de door de rechtbank vastgestelde feitelijke toedracht voorafgaand aan en tijdens het incident, is de rechtbank met de raadsman van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat sprake was van een noodweersituatie. Er was immers sprake van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van het lijf van verdachte door aangever. Deze aanranding bestond uit het geven van een klap in de gang van de woning en het vervolgens meermalen slaan met een honkbalknuppel.

De rechtbank komt hiermee tot het oordeel dat sprake was van een noodweersituatie.

Voor een geslaagd beroep op noodweer zal vervolgens moeten worden beoordeeld of de door verdachte gehanteerde verdediging proportioneel is geweest en of voldaan is aan het vereiste van subsidiariteit.

Subsidiariteitsvereiste

Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval sprake van een noodweersituatie, waarin het gebruik van geweld in het kader van de verdediging noodzakelijk was. De aanval vond plaats in een krappe gang van de woning, terwijl de deur naar buiten door aangever gesloten was en de aangever zich (enige tijd) tussen verdachte en deze (naar binnen draaiende) deur heeft bevonden. Naar het oordeel van de rechtbank was het voor verdachte onder die omstandigheden niet mogelijk om zich aan de aanval te onttrekken door op de vlucht te slaan, althans kon dat niet van hem worden gevergd. Verdachte kon de woning niet snel genoeg verlaten om zonder nieuwe klappen en (daarna) slagen met de honkbalknuppel uit de situatie te geraken. Verdachte had daarmee geen reële uitweg. Het zich met fysiek geweld verdedigen tegen deze aanval was daarom naar het oordeel van de rechtbank noodzakelijk. Hieruit volgt dat aan het subsidiariteitsvereiste is voldaan.

Proportionaliteitsvereiste

Ten aanzien van de vraag of de gekozen verdediging in redelijke verhouding stond tot de ernst van de aanranding komt de rechtbank tot het volgende oordeel. De rechtbank acht de door de verdachte toegepaste verdediging proportioneel. Hij heeft zich tegen het slaan door aangever verweerd door aangever te stompen. Deze handelingen staan in een redelijke verhouding tot elkaar. Vervolgens heeft verdachte zich tegen het slaan met een honkbalknuppel verdedigd door middel van het drie keer steken met een mes. De rechtbank is van oordeel dat dat in deze situatie een te begrijpen reactie is geweest op het handelen van aangever en ook proportioneel was.

Omdat bij de aanval op verdachte een honkbalknuppel, een potentieel dodelijk slagwapen, werd ingezet, staat het gebruik van een mes ter verdediging daarmee naar het oordeel van de rechtbank in een redelijke verhouding. De rechtbank gaat ervan uit dat verdachte het mes niet eerder tevoorschijn heeft gehaald dan nadat hij door aangever met de honkbalknuppel was geslagen.

Voorts stelt de rechtbank vast dat ook met de wijze waarop het mes is gebruikt de grenzen van de proportionaliteit niet zijn overschreden. Er is weliswaar meermaals gestoken, maar de daardoor veroorzaakte wonden zijn oppervlakkig en bevinden zich op dan wel in de nabijheid van de arm(en) van aangever. De rechtbank leidt uit dat laatste af dat de verdediging van verdachte erop was gericht om het slaan met de honkbalknuppel te doen ophouden. In ieder geval ontbrak bij hem het (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van dodelijk letsel bij aangever. Zodra verdachte daartoe de gelegenheid had, heeft hij de woning van aangever verlaten. Uit de (tijdaanduiding van de) camerabeelden blijkt immers dat verdachte minder dan een minuut in de woning is geweest.

De rechtbank is, alles overziend, van oordeel dat in de gegeven omstandigheden, de wijze van verdedigen door verdachte in een redelijke verhouding stond tot de aanranding van zijn lijf door aangever.

Geen culpa in causa

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kunnen gedragingen van de verdachte die aan de wederrechtelijke aanranding door het latere slachtoffer zijn voorafgegaan, in de weg staan aan het slagen van een beroep op noodweer of noodweerexces, maar slechts onder bijzondere omstandigheden. Van zulke bijzondere omstandigheden kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de verdachte de aanval heeft uitgelokt door provocatie van het latere slachtoffer en hij aldus uit was op een confrontatie, of wanneer hij willens en wetens de confrontatie met het slachtoffer heeft gezocht en een gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. De enkele omstandigheid dat een verdachte zich willens en wetens in een situatie heeft begeven waarin een agressieve reactie van het latere slachtoffer te verwachten viel of dat een verdachte zich in verband met een mogelijke aanval van het slachtoffer als voorzorgsmaatregel van een illegaal vuurwapen had voorzien, is daartoe evenwel onvoldoende.

De rechtbank heeft eerder vastgesteld dat verdachte een mes bij zich droeg toen hij naar de woning van aangever ging en dat zijn doel was om hem aan te spreken op zijn gedrag. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de rechtbank echter niet van zodanig gewicht dat gezegd kan worden dat verdachte de gewelddadige reactie van het slachtoffer heeft uitgelokt. Dat verdachte ontkent dat hij het mes al bij zich had toen hij naar de woning van aangever toeging, maakt dat oordeel niet anders.

De rechtbank komt tot de conclusie dat het bewezenverklaarde niet strafbaar is, nu daaraan de wederrechtelijkheid ontbreekt. Verdachte zal daarom ten aanzien van het meer subsidiair ten laste gelegde worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 425,36 ter vergoeding van materiële schade en € 1.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Oordeel van de rechtbank

Nu het beroep van verdachte op noodweer door de rechtbank is gehonoreerd en verdachte geen straf of maatregel zal worden opgelegd, komt de rechtbank niet toe aan het bespreken en beoordelen van de vordering zelf en zal de rechtbank de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder primair en subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, en te kwalificeren zoals voormeld.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging.

Ten aanzien van 18/220268-20, meer subsidiair:

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet ontvankelijk in zijn vordering.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.A. Vlietstra, voorzitter, mr. K.A. de Groot en

mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door C. Vellinga-Terpstra, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 25 maart 2021.