Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2021:1080

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-03-2021
Datum publicatie
01-04-2021
Zaaknummer
18/036647-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Eendaadse samenloop van art. 6 en 8 WVW 1994. Zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag. Beginnend bestuurder, onder invloed van alcohol bezig met Spotify op zijn telefoon, op een 80-kilometerweg. Verdachte is achtereenvolgens van zijn rijbaan geraakt, tegen een verhoogde verkeersgeleider gereden en op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. Op die weghelft is hij vol op een hem tegemoetkomende personenauto gebotst. De twee inzittenden van die auto hebben zwaar lichamelijk letsel opgelopen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/036647-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 maart 2021 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats] ,

wonende te [adres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 15 maart 2021.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.G. Knegt, advocaat te Assen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

hij op of omstreeks 11 oktober 2019, te Hoogezand, althans in de gemeente Midden-Groningen, in elk geval in Nederland, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk: Mini, daarmede rijdende over de weg, de Kielsterachterweg/N385, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank - tijdens het besturen van genoemd motorrijtuig (een) handeling(en) te verrichten aan zijn, verdachte's telefoon en/of radio, en/of door (vervolgens) met het door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig tegen en/of over een (zogenaamde) verkeersgeleider te rijden en/of (vervolgens) op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte bestuurder motorrijtuig en een personenauto, merk: Renault, bestuurd door [slachtoffer 1] ,

waardoor aan die [slachtoffer 1] lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen en/of een

gebroken bekken en/of een gebroken staartbeen, en/of waardoor aan [slachtoffer 2] , inzittende van de door [slachtoffer 1] bestuurde personenauto, zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen en/of een verbrijzelde heup en/of gebroken ribben, in elk geval (telkens) zodanig lichamelijk letsel aan genoemde [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] werd toegebracht, dat daaruit (telkens) tijdelijke ziekte of verhindering in de uitoefening van de normale bezigheden is ontstaan,

terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, eerste of tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994, dan wel na het feit niet heeft voldaan aan een bevel gegeven

krachtens artikel 163, tweede, zesde, achtste of negende lid van genoemde wet;

2.

hij op of omstreeks 11 oktober 2019, te Hoogezand, althans in de gemeente Midden-Groningen als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, merk: Mini, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0.68 milligram, in elk geval hoger dan 0,2 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt, dan wel zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en waarop hem voor het eerst een rijbewijs van categorie B is afgegeven.

De rechtbank stelt vast dat het onder 1 ten laste gelegde lichamelijk letsel van [slachtoffer 1] , te weten een gebroken bovenbeen en/of een gebroken bekken en/of een gebroken staartbeen, kan worden beschouwd als zwaar lichamelijk letsel, zodat de rechtbank het niet opnemen van het woord zwaar, voor lichamelijk beschouwt als een kennelijke verschrijving en de tenlastelegging verbeterd zal lezen. Verdachte is hierdoor niet in zijn rechtens te erkennen belangen geschaad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 ten laste gelegde. De feiten, waarbij onder feit 1 sprake is van zeer onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag, kunnen onder meer worden bewezen op grond van het ter zake opgemaakte proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, het onderzoek naar de telefoon van verdachte, het onderzoek naar het alcoholgehalte in het bloed van verdachte en de verklaringen van het slachtoffer [slachtoffer 1] en getuige [getuige] , alsmede de medische rapportages betreffende [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] .

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 en 2 ten laste gelegde en heeft daartoe het volgende aangevoerd.

Ten aanzien van feit 2 is bij verdachte niet binnen de termijn van anderhalf uur bloed voor bloedonderzoek afgenomen, zoals voorgeschreven in artikel 12, derde lid van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, zonder dat is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan van die termijn mag worden afgeweken. Ondanks dat voornoemde bepaling niet geldt indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van alcohol, is de bepaling in deze zaak wel van toepassing omdat de aanvraag ten behoeve van het toxicologisch onderzoek van bloed strekte tot onderzoek naar het gebruik van alcohol en drugs. Nu het onderzoek in strijd met deze bepaling heeft plaatsgevonden, kan het resultaat ervan niet voor het bewijs worden gebruikt. Dit betekent dat niet kan worden bewezen dat verdachte met teveel alcohol in zijn bloed heeft gereden. De verklaring van verdachte ter terechtzitting dat hij bier heeft genuttigd is onder de gegeven omstandigheden onvoldoende voor een bewezenverklaring van het feit.

Gelet hierop kan ten aanzien van feit 1 niet worden bewezen dat verdachte heeft gehandeld terwijl hij verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8, tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994 (verder: WVW 1994). De ten laste gelegde gedragingen die dan nog resteren bestaan uit het onvoldoende rechts houden en de bediening van de telefoon, hetgeen onvoldoende is voor het aannemen van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW 1994.

Mocht de rechtbank van oordeel zijn dat wel sprake is van schuld als bedoeld in artikel 6 WVW 1994, dan is dit hooguit in de zin van onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 en 2 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 15 maart 2021 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 11 oktober 2019, na het werk tijdens de vrijdagmiddagborrel, twee à drie biertjes gedronken. Ik sluit niet uit dat het er meer zijn geweest. Daarna ben ik in de auto gestapt en ben ik gaan rijden. Dat was dom van mij. Ik was bekend op de weg waar het ongeval heeft plaatsgevonden. Ik wist dat daar een middenberm was.

2. Proces-verbaal VerkeersOngevallenAnalyse, nummer 11102019.2000.2393, d.d. 4 november 2019, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019271209, d.d. 8 januari 2020, inhoudend als relaas van verbalisanten:

1.2

Beknopte ongevalsbeschrijving:

De bestuurder van de Mini (de rechtbank begrijpt: verdachte) reed hiermee over de N985 (de rechtbank begrijpt: N385) nabij Hoogezand. Hij kwam uit de richting Hoogezand en reed in de richting Veendam. Hem tegemoet komende over dezelfde weg reed de bestuurster van de Renault (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1] ). Tussen hen ontstond een aanrijding waarbij beide bestuurders en een passagier (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 2] ) zwaar lichamelijk letsel opliepen.

1.4

Conclusie / beantwoording

Wij, verbalisanten, zijn van mening dat het ongeval niet te wijten is aan een technisch gebrek, doch dat de oorzaak moet worden gezocht in een rij- c.q. beoordelingsfout van de bestuurder van de Mini, immers hij hield niet zoveel mogelijk rechts.

6.1

Oorzaak, toedracht en gevolg

De bestuurder van de Mini reed met zijn voertuig over de N385. Hij kwam uit de richting Hoogezand en reed in de richting Veendam. De bestuurster van de Renault reed hem tegemoet over dezelfde weg.

De bestuurder van de Mini reed tegen de verhoogde middengeleider en vervolgens tegen het verkeersbord. Vervolgens belandde de Mini op de voor de Renault bestemde weghelft. Vervolgens botste de Mini met de linker voorzijde tegen de linker voorzijde van de Renault.

Kennelijk verloren bij deze botsing beide voertuigen korte tijd het contact met het wegdek. De Renault belandde aan de linkerzijde van de rijbaan op het fietspad. De Mini belandde op de rechter weghelft.

Bij deze aanrijding liepen de bestuurster en de passagier van de Renault zwaar lichamelijk letsel op. De bestuurder van de Mini werd uit zijn voertuig geslingerd. Ook hij liep zwaar lichamelijk letsel op.

3. Een geneeskundige verklaring, op 30 oktober 2019 opgemaakt en ondertekend door

dr. E.F.M. Veldhuis, chirurg, niet praktiserend, opgenomen op pagina 93 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend, als zijn/haar verklaring:

Medische informatie betreffende [slachtoffer 1] .

Datum waarop persoon werd onderzocht: 11 oktober 2019.

Uitwendig waargenomen letsel:

5. Sacrumfractuur links

6. hoge bovenbeen/heup-fractuur

Overige van belang zijnde informatie:

5 en 6 zijn operatief behandeld.

Geschatte duur van de genezing:

maanden

4. Een geneeskundige verklaring, op 30 oktober 2019 opgemaakt en ondertekend door dr. E.F.M. Veldhuis, chirurg, niet praktiserend, opgenomen op pagina 94 van voornoemd dossier, voor zover inhoudend, als zijn/haar verklaring:

Medische informatie betreffende [slachtoffer 2] .

Datum waarom voornoemde persoon werd onderzocht: 11 oktober 2019.

Uitwendig waargenomen letsel:

1. bovenbeenfractuur links;

2. heupkomfractuur rechts;

3. fractuur 1ste rib rechts.

Overige van belang zijnde informatie:

1. en 2 zijn operatief behandeld.

Geschatte duur van de genezing:

maanden

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 24 oktober 2019, opgenomen op pagina 118 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op vrijdag 11 oktober 2019, omstreeks 19.30 uur reed ik als bestuurster van mijn auto, een Renault Twingo, op de Kielsterachterweg te Hoogezand, komende uit de richting van Veendam. Mijn vriend [slachtoffer 2] zat naast mij.

Opeens zag ik dat er een auto op mij afkwam. Ik had het gevoel dat deze auto van de ene zijde naar de andere zijde stuiterde. Na de botsing kwam mijn auto tot stilstand. Ik voelde dat ik weinig lucht had en heb het autoraam geopend. Ik zag [slachtoffer 2] bewusteloos naast mij zitten. Ik reed voor het ongeval op mijn eigen rijstrook. Ik reed tachtig kilometer per uur. Ik zie dat de auto op mij afkomt. Het leek alsof hij ergens tegen aan gebotst was en daarom op mijn weghelft terecht kwam.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 oktober 2019, opgenomen op pagina 101 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Op vrijdag 11 oktober 2019, tussen 19.15 uur en 19.30 uur, reed ik, verbalisant, in burger in privétijd in mijn personenauto, een Volkswagen Up over de Kielsterachterweg, komende uit de richting Veendam, en gaande in de richting Hoogezand.

Ter hoogte van de gemeentegrens Hoogezand-Sappemeer, ter hoogte van de wijk de Dreven, zag ik dat mij uit de richting Hoogezand een personenauto tegemoet kwam rijden. Ik zag dat deze auto de middenbermgeleider raakte. Ik zag een regen van vonken onder deze auto vandaan komen. Ik zag dat diverse onderdelen van deze auto afbraken. Ik zag dat deze auto, rijdende over de middenbermgeleider, mijn auto rakelings passeerde. Ik heb vervolgens onmiddellijk mijn voertuig tot stoppen gebracht. Mijn vrouw en ik zijn uitgestapt en mijn vrouw heeft meteen 112 gebeld. Ondertussen ben ik met

mijn vrouw terug in de richting van Veendam gelopen over de Kielsterachterweg. Ik zag dat daar twee personenauto's met beide forse schade aan de voorzijde stonden. Ik zag vanuit de richting Hoogezand dat aan de linkerzijde van de rijbaan, in de berm een donkerkleurige Renault Twingo stond met de voorzijde in de richting van Hoogezand. Ik zag dat in dit voertuig twee personen zaten. Ik zag dat er een vrouw achter het stuur zat en dat een manspersoon op de passagiersstoel voorin zat. Ik zag dat beiden gewond waren. Vervolgens zag ik een grijskleurige Mini staan. Ik zag dat deze Mini met de voorzijde nagenoeg in de richting van Hoogezand stond, op de rechter rijbaan, gezien vanuit Hoogezand.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 16 december 2019, opgenomen op pagina 82 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op 18 oktober 2019 ontving ik van collega [verbalisant 1] veiliggestelde gegevens uit de telefoon met goednummer 1193716. Dit betreft de telefoon van verdachte [verdachte] . De

onderzoeksvraag betrof na te gaan of de telefoon door de verdachte werd gebruikt vlak voor of tijdens het veroorzaken van een verkeersongeval. Dit ongeval vond plaats op 11 oktober 2019 en werd gemeld om 19:24 uur.

Samenvatting van de logging vanaf 19:20 uur

19:22:31 uur: Spotify speelt het nummer Poeder in je neusgat;

19:23:37:329 uur: Spotify legt vast dat de app wordt bediend via het scherm;

19:23:39:254 uur: de aan/uit knop aan de rechter zijkant van de telefoon wordt ingedrukt;

19:23:39:600 uur: het scherm wordt vergrendeld;

19:23:40:252 uur: Spotify speelt het nummer Poeder in je neusgat;

19:23:40:678 uur: de datastroom over de Bluetooth verbinding (EDR waarde) kan niet

meer gedefinieerd worden, dit blijft zo in de volgende regels. Dit is vermoedelijk veroorzaakt omdat het gekoppelde audioapparaat niet meer communiceert met de telefoon.

19:23:42,456 uur: kanteling oriëntatie van het toestel, (Portrait to LandscapeRight);

19:23:47,264 uur: Stopt met Bluetooth audio streaming en handsfree verbinding verbroken

(p. 85) ontgrendeling scherm

19:23:39 Screen did lock (Was unlocked for 2004.318130 seconds). Dit komt overeen met het tijdstip waarop de aan-uit knop werd ingedrukt.

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal rijden onder invloed d.d.18 november 2019, opgenomen op pagina 66 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als relaas van verbalisanten:

Op vrijdag 11 oktober 2019 om 19:25 uur kreeg ik, [verbalisant 1] , kennis van een verkeersongeval op de voor het openbaar verkeer openstaande weg, de Kielsterachterweg, Hoogezand, binnen de gemeente Midden-Groningen.

Daaruit bleek, dat de hierna genoemde persoon als bestuurder van een voertuig personenauto, Mini Cooper; Co, Nederland, kenteken [kenteken] , bij dat verkeersongeval betrokken was.

Bij controle bleek dat de bestuurder in het bezit was van een rijbewijs waarvan

sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven nog

geen vijf jaren zijn verstreken en dat hij op die datum van afgifte de leeftijd van

18 jaar of ouder had bereikt.

Op vrijdag 11 oktober 2019 om 22:48 uur, heeft de arts, dr. C. Oostdam in

aanwezigheid van mij, W.J.M. Ruiter, de verdachte bloed afgenomen conform

Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

Ik, W.J.M. Ruiter, heb de bloedmonsters overeenkomstig het bepaalde in het

Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer, gewaarmerkt, direct verpakt

en verzegeld, alsmede het bloedafnameformulier voorzien van een genummerde en op naam

gestelde SIN-sticker "Analyse" met het nummer TABA8730NL en SIN-sticker "Tegen

Onderzoek" met het nummer TABA8731NL.

Uit het hierbij gevoegde rapport, d.d. 30 oktober 2019 (de rechtbank leest: 25 oktober 2019) blijkt dat het bloed van de verdachte ten tijde van de bloedafname stoffen bevatte die de rijvaardigheid kunnen verminderen en/of waarvan het gehalte hoger is dan de vastgestelde waarde(s), zoals gesteld in het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer en/of vermeld in artikel 8 Wegenverkeerswet 1994.

9. Een rapport van het Maasstad ziekenhuis, opgemaakt en ondertekend door Dr. T.M. Bosch, ziekenhuisapotheker-klinisch farmacoloog, d.d. 25 oktober 2019, opgenomen op pagina 71 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

Resultaten onderzoek

Tabel Resultaten onderzoek in bloed van P R. vd Laan met sporen identificatienummer TABA8730NL

Aangewezen stof

Meetbare stof

Grenswaarde indien enkelvoudig gebruikt

Grenswaarde indien in combinatie gebruikt

Eindreslutaat in bloed TABA8730NL

Rapportage eenheid

Alcohol

Ethanol

0.50 of 0.20* (*voor een beginnend bestuurder)

0.20

0.68

Milligram per milliliter

De rechtbank zal allereerst beoordelen of bewezen kan worden dat verdachte zich aan het onder 2 ten laste gelegde heeft schuldig gemaakt en overweegt daartoe als volgt.

In artikel 12 lid 3 van het Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer is de termijn geregeld waarbinnen de bloedafname dient te geschieden, indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van in de artikel 2 van dit besluit genoemde stoffen, zijnde drugs. Deze bepaling is volgens de laatste volzin van artikel 12 lid 3 niet van toepassing indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van alcohol.

Het bloedonderzoek in deze zaak heeft geleid tot de vaststelling dat de grenswaarde van de toegestane hoeveelheid alcohol in het bloed bij verdachte is overschreden.

De enkele omstandigheid dat bij de aanvraag ten behoeve van het toxicologisch onderzoek van bloed is aangegeven dat het gewenste onderzoek alcohol èn drugs betrof maakt naar het oordeel van de rechtbank - en in tegenstelling tot hetgeen de raadsman van verdachte heeft betoogd - niet dat alsdan de in artikel 12 lid 3 genoemde termijn ook van toepassing is op het bloedonderzoek naar alcohol.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de raadsman en acht op grond van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen, waaronder het rapport van het Maasstad Ziekenhuis met de resultaten van het bloedonderzoek, bewezen dat verdachte als beginnend bestuurder met een alcoholgehalte van 0.68 milligram alcohol per milliliter bloed een personenauto heeft bestuurd.

Ten aanzien van feit 1 overweegt de rechtbank als volgt.

Bij het vaststellen van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 komt het aan op het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en de ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. In dat kader overweegt de rechtbank als volgt.

Verdachte is op 11 oktober 2019 na een vrijdagmiddagborrel op het werk waarbij hij drie maal zoveel alcohol heeft genuttigd dan hem, als beginnend bestuurder, was toegestaan, in zijn auto gestapt. Nadat hij een collega naar huis had gebracht is hij via de Subway in Hoogezand naar huis gereden. Rijdend op de Kielsterachterweg/N385, zijnde een 80-kilometerweg, heeft hij op zijn telefoon Spotify bediend, waardoor hij (kennelijk) zijn aandacht korte tijd niet op de weg heeft gehad. Verdachte is achtereenvolgens van zijn rijbaan geraakt, tegen een verhoogde verkeersgeleider gereden en op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer terechtgekomen. Op die weghelft is hij, nadat hij rakelings de auto van getuige [getuige] passeerde, vol op de hem tegemoetkomende personenauto, met de inzittenden [slachtoffer 1] , als bestuurder, en [slachtoffer 2] , als bijrijder gebotst.

De rechtbank beoordeelt het handelen van verdachte als zeer onvoorzichtig en heeft daarbij gelet op de volgende combinatie van omstandigheden.

Verdachte reed op een 80-kilometerweg alwaar extra voorzichtigheid is geboden, vanwege de snelheid waarmee daar gereden mag worden in relatie tot de relatief smalle rijbanen en korte afstand waarop tegenliggers elkaar doorgaans passeren. Verdachte was bekend op deze weg en wist dat hij een verkeersgeleider naderde waar hij met een korte bocht omheen zou moeten sturen. Desondanks is verdachte op zijn telefoon Spotify gaan bedienen, waardoor hij korte tijd zijn aandacht niet op de weg heeft gehad. Hij verkeerde bovendien onder invloed van (driemaal de toegestane hoeveelheid) alcohol waardoor zijn reactievermogen was afgenomen.

De rechtbank is van oordeel dat met het handelen van verdachte sprake is van schuld in de zin van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. Het handelen van verdachte heeft geleid tot een ongeval waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1 en 2 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij op 11 oktober 2019 te Hoogezand, in de gemeente Midden-Groningen, als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig, een personenauto, merk: Mini, daarmede rijdende over de Kielsterachterweg/N385, zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door zeer onvoorzichtig en/of onoplettend, - terwijl hij, verdachte, verkeerde onder invloed van het gebruik van alcoholhoudende drank - tijdens het besturen van genoemd motorrijtuig handelingen te verrichten aan zijn, verdachte's, telefoon en door vervolgens met het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig tegen en/of over een zogenaamde verkeersgeleider te rijden en vervolgens op de weghelft bestemd voor het tegemoetkomende verkeer te gaan rijden, ten gevolge waarvan een aanrijding is ontstaan tussen het door hem, verdachte, bestuurde motorrijtuig en een personenauto, merk: Renault, bestuurd door [slachtoffer 1] ,

waardoor aan die [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen en een

gebroken bekken en een gebroken staartbeen, en waardoor aan [slachtoffer 2] , inzittende van de door [slachtoffer 1] bestuurde personenauto, zwaar lichamelijk letsel, te weten een gebroken bovenbeen en een verbrijzelde heup en een gebroken rib, werd toegebracht, terwijl hij, verdachte, verkeerde in de toestand als bedoeld in artikel 8 tweede lid van de Wegenverkeerswet 1994;

2.

hij op 11 oktober 2019 te Hoogezand, in de gemeente Midden-Groningen, als bestuurder van een motorrijtuig, personenauto, merk: Mini, dit motorrijtuig heeft bestuurd na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte in zijn bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, derde lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 0.68 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn, terwijl voor het besturen van dat motorrijtuig een rijbewijs was vereist en nog geen vijf jaren waren verstreken sedert de datum waarop aan hem voor de eerste maal een rijbewijs is afgegeven, zijnde een datum waarop hij de leeftijd van 18 jaar had bereikt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

de eendaadse samenloop van

1.

overtreding van artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994, terwijl het een ongeval betreft waardoor een ander zwaar lichamelijk letsel wordt toegebracht en terwijl de schuldige verkeerde in de toestand, bedoeld in artikel 8, tweede lid, van deze wet, meermalen gepleegd,

en

2.

overtreding van artikel 8, derde lid van de Wegenverkeerswet 1994,

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 en feit 2 tot het volgende wordt veroordeeld:

- een taakstraf van 240 uren, subsidiair 120 uren vervangende hechtenis;

- een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van drie jaren;

- een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van drie jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor het geval de rechtbank tot een veroordeling komt, gewezen op de omstandigheid dat verdachte zijn baan zal verliezen indien hij twee jaren niet mag autorijden. Verder heeft verdachte een blanco strafblad en dient de ouderdom van de zaak matigend op de hoogte van de op te leggen straf te werken.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft door te handelen als bewezenverklaard een ongeval veroorzaakt waarbij [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] beiden zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen. Beide slachtoffers hebben meerdere botbreuken opgelopen, waarvoor operatief ingrijpen noodzakelijk was. Het slachtoffer [slachtoffer 2] heeft ter terechtzitting verklaard dat zij beiden nog steeds niet volledig van hun verwondingen zijn hersteld en dat hij nog steeds arbeidsongeschikt is en dat het slachtoffers Renger haar baan ten gevolge van het feit heeft verloren.

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank de binnen de rechtspraak ontwikkelde oriëntatiepunten voor straftoemeting als uitgangspunt genomen. Volgens de oriëntatiepunten is het uitgangspunt voor het veroorzaken van een verkeersongeval waarbij sprake is van ernstige schuld, met als gevolg zwaar lichamelijk letsel van een slachtoffer en waarbij sprake is van de strafverzwarende omstandigheid van rijden onder invloed van alcohol, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren. Daarin is de eendaadse samenloop van overtreding van artikel 6 WVW 1994 met overtreding van artikel 8 WVW 1994, zoals hier aan de orde, verdisconteerd.

In het voordeel van verdachte houdt de rechtbank rekening met zijn blanco strafblad, zijn jonge leeftijd en het feit dat hij ten gevolge van het ongeval ook zelf zwaar gewond is geraakt en langere tijd heeft moeten revalideren. Verder houdt de rechtbank rekening met het lange tijdsverloop van de zaak.

Gelet op deze omstandigheden acht de rechtbank de oplegging van een (voorwaardelijke) gevangenisstraf niet passend. In plaats daarvan zal de rechtbank een taakstraf voor de maximale duur van 240 uren opleggen, met daarnaast een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee jaren, waarvan één jaar voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 55 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 6, 8, 175, 176 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Ten aanzien van feit 1 voorts:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van twee jaren.

Bepaalt dat van deze bijkomende straf een gedeelte, groot één jaar, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Jongsma, voorzitter, mr. H.R. Bracht en mr. J.H.S. Kroeze, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 maart 2021.

Mr. Jongsma en mr. Kroeze zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.