Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:935

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
8210986
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstekvonnis na ambtshalve toetsing: bij akte voldoende toegelicht dat gedaagde zich heeft ingeschreven voor een cursus en een wettelijk vastgesteld cursusgeld moet betalen. Facturen overgelegd en vordering niet gebaseerd op alg vw. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/93
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 8210986 \ CV EXPL 19-7935

Verstekvonnis van de kantonrechter van 10 maart 2020

in de zaak van

de stichting Stichting Regionaal Opleidingen Centrum Drenthe, naar buiten tredend onder de naam Drenthe College,,

gevestigd en kantoorhoudende te Emmen,

eisende partij,

gemachtigde: GGN Mastering Credit B.V.,

tegen

[gedaagde],

wonende te [postcode] [woonplaats], [adres],

gedaagde partij,

tegen wie verstek is verleend.

1 Procesverloop

1.1.

De eisende partij heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd om de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 582,- met rente en kosten.

1.2.

Op 14 januari 2020 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. Dit tussenvonnis dient als ingelast en herhaald te worden beschouwd.

1.3.

Ter zitting van 11 februari 2020 heeft de eisende partij een akte houdende specificatie van de vordering overgelegd.

2 Motivering

2.1.

De kantonrechter heeft in haar tussenvonnis overwogen dat de door de eisende partij uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie verschaft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv. De kantonrechter heeft de eisende partij bevolen de vordering nader te onderbouwen, al dan niet gebruikmakend van het landelijke informatieformulier. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de eisende partij in ieder geval stukken diende te overleggen waaruit blijkt dat en op welke manier een overeenkomst met gedaagde partij tot stand is gekomen. Daarnaast diende de eisende partij de onderliggende facturen te verstrekken en de vraag te beantwoorden of de vordering mede is gebaseerd op bepalingen in de algemene voorwaarden. Indien dat laatste het geval was, diende eisende partij toe te lichten op welke bepaling(en) een beroep wordt gedaan en toe te lichten waarom het beding volgens de eisende partij niet oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen.

2.2.

De eisende partij heeft het landelijke informatieformulier ingevuld, producties overgelegd en haar vordering bij akte nader toegelicht. Eisende partij heeft toegelicht dat gedaagde zich heeft ingeschreven voor cursusjaar 2018-2019 en dat hij een op grond van de wet vastgesteld bedrag aan cursusgeld verschuldigd is geworden.

2.3.

De eisende partij heeft gezien het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter thans voldoende informatie verschaft. Het gevorderde komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat dit kan worden toegewezen als na te melden.

3 Beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen € 700,02 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 582,- vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag van volledige betaling;

3.2.

veroordeelt gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van eisende partij begroot op € 103,07 aan dagvaardingskosten, € 486,00 aan vast recht en € 120,00 aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.

typ/conc: 36330/TG

coll: