Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:929

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
10-03-2020
Datum publicatie
11-03-2020
Zaaknummer
8208260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verstekvonnis na ambtshalve toetsing: bij akte voldoende toegelicht waarom beding niet oneerlijk is en dat is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen van 7:59 tm 7:61 BW en aan de zorgplicht van 4:34 Wft. Vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2020/92
JONDR 2020/565
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Assen

zaak-/rolnummer: 8208260 \ CV EXPL 19-7900

Verstekvonnis van de kantonrechter van 10 maart 2020

in de zaak van

de naamloze vennootschap InterBank N.V.,

gevestigd en kantoorhoudende te Amsterdam,

eisende partij,

gemachtigde: M.M.J. Hafkamp,

tegen

[gedaagde] ,

wonende te [postcode] [woonplaats] , [adres] ,

gedaagde partij,

tegen wie verstek is verleend.

1 Procesverloop

1.1.

De eisende partij heeft bij dagvaarding, op de daarin geformuleerde gronden, gevorderd om de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 2.694,66 met rente en kosten. Na wijziging van eis is dit € 2.539,83 geworden.

1.2.

Op 14 januari 2020 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. Dit tussenvonnis dient als ingelast en herhaald te worden beschouwd.

1.3.

Ter zitting van 11 februari 2020 heeft de eisende partij een akte houdende specificatie van de vordering overgelegd. Aangezien er sprake was van een wijziging van eis, heeft eisende partij deze akte aan gedaagde partij betekend en hem opgeroepen op de rolzitting te verschijnen. Gedaagde partij is niet verschenen.

2 Motivering

2.1.

De kantonrechter heeft in het tussenvonnis overwogen dat de door de eisende partij uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie verschaft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv. De kantonrechter heeft de eisende partij bevolen de vordering nader te onderbouwen, al dan niet gebruikmakend van het landelijke informatieformulier. Daarbij heeft de kantonrechter bepaald dat de eisende partij in ieder geval stukken diende te overleggen waaruit blijkt dat bij het aangaan van de kredietovereenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen (artikel 7:59 t/m 7:61 BW) en aan de zorgplicht van artikel 4:34 Wft. Daarnaast diende eisende partij toe te lichten waarom de bedingen in de algemene voorwaarden waarop een beroep wordt gedaan volgens haar niet oneerlijk zijn in de zin van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen.

2.2.

De eisende partij heeft het landelijke informatieformulier ingevuld, producties overgelegd en haar vordering bij akte nader toegelicht. De vordering is gebaseerd op de artikelen 6 (vertragingsvergoeding) en 7 sub a (opeisbaarheid) van de algemene voorwaarden. Eisende partij laat de primair gevorderde vertragingsvergoeding te hoogte van de contractuele rente vervallen en wijzigt haar eis zodat zij nu uitsluitend wettelijke rente vordert vanaf 1 september 2018. De vordering is hierdoor niet langer gebaseerd op artikel 6 van de algemene voorwaarden. Eisende partij heeft daarnaast toegelicht dat artikel 7 sub a van de algemene voorwaarden in overeenstemming is met de gronden genoemd in artikel 7:77 lid 1 sub c onder 1 BW en daarom niet oneerlijk is.

Voorts heeft eisende partij stukken overgelegd waar naar het oordeel van de kantonrechter uit blijkt dat bij het aangaan van de kredietovereenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen en aan de zorgplicht van artikel 4:34 Wft.

2.3.

De eisende partij heeft gezien het voorgaande naar het oordeel van de kantonrechter thans voldoende informatie verschaft. Het gevorderde komt de kantonrechter voor het overige niet onrechtmatig of ongegrond voor zodat dit kan worden toegewezen als na te melden.

3 Beslissing

De kantonrechter:

3.1.

veroordeelt gedaagde partij om aan eisende partij te betalen € 2.539,83 te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 285 januari 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

3.2.

veroordeelt gedaagde partij tot betaling van de proceskosten, tot deze uitspraak aan de zijde van eisende partij begroot op € 103,06 aan dagvaardingskosten, € 486,00 aan vast recht en € 210,00 aan salaris gemachtigde;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. M.E. van Rossum en in het openbaar uitgesproken op 10 maart 2020.

typ/conc: 36330/TG

coll: