Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:908

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
04-03-2020
Zaaknummer
8188897 CV EXPL 19-9856
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Ambtshalve toetsing. Online gesloten sportschoolabonnement. Informatieverplichting. Herroepingstermijn.

6:230m BW, geen betaling verschuldigd.

6:230 o BW

6:230 s lid 5 BW

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Verstek

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

Zaak-/rolnummer: 8188897 CV EXPL 19-9856

verstekvonnis d.d. 11 februari 2020

inzake

de vennootschap onder firma Due Amici v.o.f.,

gevestigd te Wolvega,

eisende partij,

gemachtigde: Bureau Mercuur,

uw kenmerk: [kenmerk],

tegen

[gedaagde],

wonende te [adres],

gedaagde partij, tegen wie verstek is verleend.

Procesverloop

De eisende partij heeft bij dagvaarding, op daarin geformuleerde gronden, gevorderd de gedaagde partij te veroordelen tot betaling van € 760,59 met rente en kosten.

Op 31 december 2019 heeft de kantonrechter tussenvonnis gewezen. Dit tussenvonnis dient als ingelast en herhaald te worden beschouwd.

Ter zitting van 28 januari 2020 heeft de eisende partij een akte houdende specificatie van de vordering overgelegd.

Motivering

De kantonrechter heeft in zijn tussenvonnis overwogen dat de door de eisende partij uitgebrachte dagvaarding onvoldoende informatie verschaft en daarmee niet voldoet aan de eisen van artikel 21 Rv. De kantonrechter heeft de eisende partij bevolen de vordering nader te onderbouwen al dan niet gebruikmakend van het landelijke informatieformulier. Daarbij heeft de kantonrechter opgemerkt dat de eisende partij in ieder geval informatie diende te verstrekken over onder meer de vragen of aan artikel 6:230m BW is voldaan, voor welke duur de overeenkomst is aangegaan of de vordering mede is gebaseerd op bepalingen in de algemene voorwaarden en zo ja toe te lichten waarom het beding volgens de eisende partij niet oneerlijk is in de zin van Richtlijn 93/13 oneerlijke bedingen.

De eisende partij heeft gesteld dat de inleidende dagvaarding op 21 november 2019 werd uitgebracht en dat de overgangsregeling met betrekking tot het informatieformulier op 1 december 2019 is gestart. De kantonrechter overweegt daaromtrent dat voor de overgangstermijn niet van belang is op welk moment de dagvaarding is uitgebracht, maar de roldatum waarop de zaak is aangebracht, in dit geval 3 december 2019.

De eisende partij heeft het landelijke informatieformulier ingevuld.

De kantonrechter is van oordeel dat de eisende partij haar vordering nog steeds onvoldoende heeft onderbouwd. Hij overweegt daartoe als volgt.

De eisende partij heeft geen antwoord gegeven op de vraag voor welke duur de overeenkomst is aangegaan. Zij heeft de vraag of zij aan de precontractuele en contractuele informatieverplichtingen van artikel 6:230m lid 1 BW en artikel 6:230t BW/6:230v BW heeft voldaan met 'ja' beantwoord. Ter toelichting heeft zij slechts aangevoerd dat de gedaagde partij online de algemene voorwaarden gelezen en voor akkoord heeft verklaard. Uit de door de eisende partij overgelegde overeenkomst en algemene voorwaarden blijkt niet dat de eisende partij de gedaagde partij heeft geïnformeerd over zijn recht op ontbinding van de overeenkomst binnen veertien dagen na het sluiten van de overeenkomst (ex artikel 6:230m lid 1 onder h BW jo. 6:230o BW). Dat betekent dat de ontbindingstermijn op grond van artikel 6:230o lid 2 BW wordt verlengd tot maximaal 12 maanden. Volgens artikel 6:230s lid 5 aanhef en onder a BW is de gedaagde partij gedurende die termijn enkel betaling verschuldigd indien hij uitdrukkelijk heeft verzocht om binnen die termijn met de levering van de dienst te beginnen. In dit geval is niet gesteld of gebleken dat de gedaagde partij heeft ingestemd met levering van de dienst gedurende de ontbindingstermijn. Dat betekent dat de gedaagde partij in ieder geval over de eerste 12 maanden na het sluiten van de overeenkomst ex artikel 6:230s lid 5 aanhef en onder a BW geen betaling verschuldigd is.

Ten aanzien van de overige maanden waarover contributie wordt gevorderd overweegt de kantonrechter als volgt. De eisende partij heeft geen antwoord gegeven op de vraag voor welke duur partijen de overeenkomst hebben gesloten. Voor zover de eisende partij heeft gesteld dat de overeenkomst na afloop van de overeenkomst is verlengd overweegt de kantonrechter, mede gelet op het feit dat de gedaagde partij niet is geïnformeerd over de wettelijke ontbindingstermijn bij het sluiten van een overeenkomst op afstand, dat de eisende partij het structureel onbetaald laten van de contributie had dienen aan te merken als een opzegging van de overeenkomst. Daarom is de contributie over periode na de eerste twaalf maanden van het sluiten van de overeenkomst evenmin toewijsbaar.

De eisende partij zal in de proceskosten worden veroordeeld.

Beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt de eisende partij in de kosten, tot op heden aan de zijde van de gedaagde partij begroot op nihil.

Aldus gewezen door mr. J.E. Biesma, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 11 februari 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.