Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:886

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-02-2020
Datum publicatie
13-08-2020
Zaaknummer
6874869 \ CV EXPL 18-3767
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:RBNNE:2018:5667
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Beoordeling geleverd tegenbewijs van bestaan van het gebrek, hoefbevangenheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer: 6874869 \ CV EXPL 18-3767

Vonnis van de kantonrechter d.d. 25 februari 2020

inzake

[eiser] ,

wonende te [woonplaats] ,

eiseres,

gemachtigde: mr. S.A. Wensing,

tegen

de besloten vennootschap

[gedaagde] ,

gevestigd te [gevestigd] ,

gedaagde,

gemachtigde: mr. F.Y. de Reus,

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

1 PROCESGANG

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- tussenvonnis van 20 november 2018;

- proces-verbaal van twee getuigenverhoren van 28 maart 2019 aan de zijde van [gedaagde] ;

- akte tot depot van 22 juli 2019;

- proces-verbaal van een partij-getuigenverhoor van 31 oktober 2019 aan de zijde van [eiser] ;

- conclusie na enquête van 3 december 2019 met producties;

- conclusie na enquête van 14 januari 2020 met producties;

- akte uitlating producties op 28 januari 2020 aan de zijde van [gedaagde] .

2 De verdere beoordeling

2.1.

De inhoud van het vonnis van 20 november 2018 moet als hier herhaald en ingelast worden beschouwd en de daarvan deel uitmakende overwegingen worden gehandhaafd.

2.2.

In voornoemd vonnis is [gedaagde] opgedragen om tegenbewijs te leveren tegen het vermoeden dat het door [eiser] gekochte paard Enola ten tijde van de levering op 26 november 2017 behept was met het gebrek 'chronische hoefbevangenheid'. De kantonrechter overweegt, zoals zij ook in het tussenvonnis van 20 november 2018 heeft gedaan, dat [gedaagde] het tegendeel moet bewijzen. Het enkel ontzenuwen van het bewijsvermoeden dat het paard op 26 november 2017 behept was met chronische hoefbevangenheid is onvoldoende.

2.3.

[gedaagde] heeft ter voldoening aan deze bewijsopdracht dierenarts [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen laten horen.

2.4.

Voor zover van belang hebben de getuigen het volgende verklaard:

[getuige 1] :

'(…) Op de vragen van de rechter antwoord ik als volgt:

Kent u het paard Enola?

Nee ik ken het paard niet. Ik heb alleen de röntgenopname gezien en niet veel meer aan gedaan dan deze in opdracht van de eigenaar versturen naar KWPN. Dit is een stamboekvereniging.

Welke röntgenopnamen heeft u gezien?

De opnames van januari 2017. Die zijn thuis gemaakt bij de eigenaar, [gedaagde] , door mijn collega [naam] . (…)

Waren er bijzonderheden te zien op de foto’s?

Nee. Ik heb de foto’s alleen op technische formaliteiten gescreend. Geen diergeneeskundige beoordeling gedaan. Alleen beoordeeld of ze technisch gezien voldoende waren voor PROK-onderzoek. (…)

Bent u bekend met andere röntgenopnamen van Enola?

Ik heb van de eigenaar van Enola vorig jaar schermafbeeldingen gezien van ondervoeten wat foto’s zouden zijn van dit paard. Dit was in 2018. Deze foto’s zijn per e-mail verstuurd. Wat ik heb gezien is niet geschikt voor een betrouwbaar diergeneeskundig oordeel. Er stond ook niet om welk paard het ging, welke opnamedatum en wie de foto’s had gemaakt. Op het scherm stond een röntgenfotoafbeelding maar deze was gemaakt met een telefoon. (…)

Durft u een uitspraak te doen op basis van uw deskundigheid of het paard Enola 26 november 2017 behept was met chronische hoefbevangenheid?

Nee dat durf ik niet te zeggen. Hoefbevangenheid kan ook binnen een paar dagen ontstaan. Binnen een dag of 2 a 3 kan dit ontstaan. (…)

Wat is chronische hoefbevangenheid?

Kan je ervan herstellen/genezen?

Er zijn heel veel paarden die een periode van bevangenheid doormaken en vervolgens weer herstellen. Een duidelijke vorm van bevangenheid die zal blijven, maar of het paard er dan klinisch last van houdt hangt ervan af.

Met behulp van goede zorg kan het paard in een aantal gevallen van hoefbevangenheid herstellen zodanig dat het ook weer in de sport kan meedoen. Hele ernstige gevallen niet.

Kunt u iets zeggen over de toestand van de benen op 26 november 2017?

Nee. (…)

Op vragen van meneer Wensing antwoord ik als volgt: (…)

Wanneer een paard een gekanteld hoefbeen heeft, is dat zichtbaar of kan dat verborgen zijn?

Dit kan ook verborgen zijn. Dat kan een gevolg zijn van hoefbevangenheid. (…)

[getuige 2] :

'(…) Op de vragen van de rechter antwoord ik als volgt:

Hoe heeft u het paard leren kennen?

Mijn eigen paard staat bij [gedaagde] gestald. Hier zag ik het paard Enola regelmatig.

Welke periode stond uw paard hier gestald?

Drie jaar geleden is mijn paard hier op stal gekomen en deze staat hier nog steeds.

Hoe vaak kwam u bij uw paard?

Om de dag en in de vakantie iedere dag. Met regelmaat.

Kunt u zich iets van het paard Enola herinneren als het gaat om het najaar 2017 (oktober, november)?

Ze heeft een veulen gekregen, ze werd niet bereden, ging dagelijks naar buiten en ’s nachts op stal. Dit heb ik zelf gezien. Alle paarden komen overdag buiten en ’s avonds gaan ze op stal. (…)

Weet u wat hoefbevangenheid is?

Ik ken een aantal uiterlijke kenmerken, maar de medische achtergrond niet. De uiterlijke kenmerken die ik ken zijn kreupelheid en het paard gaat naar achter leunen omdat hij zijn benen wil ontzien.

Kunt u zich herinneren dat het paard Enola deze kenmerken had?

Nee deze kenmerken heb ik niet gezien bij Enola.

Heeft u zelf wel eens een paard gehad met hoefbevangenheid?

Nee ik niet, maar een vriendin van mij wel. Hierdoor weet ik hoe het eruit ziet.

Deze kenmerken heb ik nooit gezien bij het paard Enola.

Kun je dit alleen zien als het paard loopt?

Ze gaan veel liggen en als ze staan, hangen ze ook naar achter. De kenmerken zijn zowel zichtbaar als het paard loopt maar ook in stilstand gaat het paard achterover leunen. Als het heel erg is wil het paard ook gaan liggen. Dit gedrag heb ik bij Enola niet kunnen waarnemen.

Op de vragen van mevrouw de Reus antwoord ik als volgt:

U heeft het paard tot aan de verkoop waar kunnen nemen?
Ja

En de symptomen niet gezien?
Dat klopt. Op de dag van de verkoop heb ik Enola niet gezien maar op de dag daarvoor wel.

Op de vragen van meneer Wensing antwoord ik als volgt:

Weet u of het paard eerder is verkocht?
In de periode dat ik op stal ben geweest weet ik niet of het paard verkocht is geweest. Volgens mij niet. Ik weet zeker dat het paard in de periode dat ik bij [gedaagde] ben geweest niet eerder verkocht is geweest en niet eerder weg is geweest.


Weet u of [gedaagde] het paard eerder heeft terug moeten nemen wegens een gebrek?

Niet in de periode dat ik er ben geweest. (…)

Na voorlezing van mijn verklaring vul ik deze nog aan met het volgende:

Als ik heel druk ben met mijn werk, dan ben ik ook wel eens een week niet bij [gedaagde] geweest. Dit gebeurt niet vaak, maar dit is wel eens gebeurd. (…)'

2.5.

Uit de verklaring van dierenarts [getuige 1] kan niet worden afgeleid dat het paard op 26 november 2017 niet behept was met chronische hoefbevangenheid. [getuige 1] heeft op de vraag of hij iets kan zeggen over de toestand van de benen op 26 november 2017 geantwoord dat hij dat niet kan. Daarbij komt dat [getuige 1] heeft verklaard dat op de röntgenfoto's die zijn genomen in januari 2017, geen bijzonderheden zijn te zien en dat hij de röntgenfoto's van 2018 wel heeft gezien, maar niet heeft kunnen beoordelen omdat de foto's niet geschikt zijn voor een betrouwbaar diergeneeskundig oordeel.

2.6.

[getuige 2] heeft verklaard dat zij het paard een dag voor de verkoop heeft gezien en geen symptomen van hoefbevangenheid heeft waargenomen. De kantonrechter stelt voorop dat [getuige 2] geen deskundige is op het gebied van diergeneeskunde. De enkele omstandigheid dat [getuige 2] in de periode voor de verkoop en op de dag voor de verkoop geen symptomen van hoefbevangenheid heeft waargenomen, is naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat hiermee het bewijs is geleverd dat het paard op 26 november 2017 niet behept was met chronische hoefbevangenheid.

2.7.

[gedaagde] heeft verder aangevoerd dat het mogelijk is dat het paard bij [eiser] behept is geraakt met chronische hoefbevangenheid omdat zij het paard te hard heeft laten werken en teveel voer heeft gegeven. [eiser] betwist dit en voert aan dat de gekochte balen bedoeld waren voor 2 paarden en 2 pony's en niet voor 2 paarden zoals [gedaagde] stelt. Ook betwist [eiser] dat haar rijgedrag ervoor heeft gezorgd dat het paard behept is geraakt met chronische hoefbevangenheid. De kantonrechter overweegt dat het aan [gedaagde] is om te bewijzen dat het paard op 26 november 2017 niet behept was met chronische hoefbevangenheid. De stelling dat het paard door toedoen van [eiser] behept is geraakt met chronische hoefbevangenheid, komt gelet op de betwisting aan de zijde van [eiser] niet vast te staan. Bovendien heeft [eiser] terecht aangevoerd dat het niet aan haar is om te bewijzen wat de oorzaak is van het gebrek en dat de oorsprong van het gebrek is te wijten aan [gedaagde] .

2.8.

Ten slotte overweegt de kantonrechter in het kader van de bewijsopdracht dat [eiser] ter onderbouwing van haar stelling dat er geen sprake is van chronische hoefbevangenheid de originele röntgenopnames van 8 maart 2018 bij akte heeft overgelegd. De kantonrechter kan echter aan de hand van die röntgenfoto's niet zelf vaststellen of er al dan niet afwijkingen zichtbaar zijn op die röntgenopnames.

2.9.

De conclusie van het bovenstaande is dat [gedaagde] niet in haar bewijsopdracht is geslaagd. Dit heeft tot gevolg dat het eerder genoemde vermoeden niet is ontkracht en dat dus komt vast te staan dat het paard ten tijde van de levering op 26 november 2017 behept was met chronische hoefbevangenheid. Dit betekent dat het paard ten tijde van de levering niet de eigenschappen bezat die [eiser] op grond van de overeenkomst mocht verwachten. Derhalve beantwoordt het paard niet aan de overeenkomst en is er dus sprake van non-conformiteit in de zin van artikel 7:17 BW.

2.10.

[gedaagde] heeft (wederom) aangevoerd dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd en daarom geen beroep kan doen op artikel 7:17 BW. In haar conclusie na enquête heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] niet tijdig heeft geklaagd omdat uit de door [eiser] afgelegde verklaring blijkt dat het paard vanaf het begin af aan niet radliep, aldus kreupel liep, en dat dit ook een reden voor [eiser] was om het paard op 30 november 2017 te laten onderzoeken. Vanaf dat moment is volgens [gedaagde] gaan lopen en omdat [eiser] op 5 februari 2018 heeft geklaagd, is dit volgens [gedaagde] niet tijdig. De kantonrechter overweegt dat zij reeds in haar tussenvonnis van 20 november 2018 heeft overwogen dat [eiser] tijdig heeft geklaagd. Dit is een bindende eindbeslissing en daar kan de kantonrechter in beginsel niet op terugkomen. Dit is alleen mogelijk als sprake zou zijn van zodanige bijzondere omstandigheden dat het onaanvaardbaar zou zijn dat de kantonrechter aan die eindbeslissing gebonden blijft dan wel blijkt dat die beslissing berust op een onjuiste of feitelijke grondslag (zie HR 5 januari 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC1946 en HR 4 september 2016, ECLI:NL:HR:2015:2461). Deze omstandigheden doen zich in dit geval niet voor. Bovendien betekent het gegeven dat [eiser] (ook) wegens het niet-radlopen op 30 november 2017 naar de dierenarts is gegaan, nog niet dat zij vanaf dat moment ook bij [gedaagde] had moeten klagen. De dierenarts heeft op dat moment immers geen afwijkingen geconstateerd bij het paard zodat er voor [eiser] geen reden was om te klagen bij [gedaagde] .

2.11.

Voorts heeft [gedaagde] in haar conclusie na enquête aangevoerd dat [eiser] haar onderzoeksplicht heeft verzaakt. Ook ten aanzien van de onderzoeksplicht heeft de kantonrechter een bindende eindbeslissing genomen, namelijk - kort gezegd - dat [eiser] haar onderzoeksplicht niet heeft verzaakt. Op deze beslissing zal de kantonrechter evenmin terugkomen omdat er ook op dit punt zich geen omstandigheden voordoen die daartoe aanleiding geven.

2.12.

Nu het paard non-conform is, komt [eiser] op grond van artikel 6:265 jo. 7:22 lid 1 BW de bevoegdheid toe om over te gaan tot ontbinding van de overeenkomst. Nu [eiser] daartoe een vordering heeft ingesteld, zal de kantonrechter de tussen partijen gesloten overeenkomst ontbinden. Als gevolg van de ontbinding ontstaan er over een weer ongedaanmakingsverplichting. Daarom is [gedaagde] gehouden om de koopsom van het paard van € 4.750,00 aan [eiser] terug te betalen. [gedaagde] zal hiertoe worden veroordeeld evenals tot betaling van de hierover gevorderde en niet weersproken wettelijke rente. Nu het paard is geëuthanaseerd kan [eiser] niet worden gehouden aan haar ongedaanmakingsverplichting om het paard aan [gedaagde] terug te geven.

2.13.

Naast terugbetaling van de koopsom vordert [eiser] , zo begrijpt de kantonrechter, aanvullende schadevergoeding en vermogensschade. De schade bestaat volgens [eiser] uit kosten voor de stalling en de verzorging van het paard alsmede medische kosten. De verdere schade dient volgens [eiser] opgemaakt te worden bij staat.

2.14.

Bij de berekening van de aanvullende schadevergoeding (ex art. 6:277 BW) stelt de kantonrechter het volgende voorop. De omvang van deze schade wordt berekend door uit te gaan van het positief contractsbelang, waarbij de verschuldigde schadevergoeding wordt gevonden door vergelijking van twee denkbare vermogenssituaties. Enerzijds de situatie welke zou zijn voortgevloeid uit een in alle opzichten onberispelijke nakoming en anderzijds die welke zou resulteren uit een ontbinding zonder schadevergoeding, na afwikkeling van de daaruit voortvloeiende restitutieplichten (Parl. Gesch. Boek 6, p. 1036). Voor de toewijzing van aanvullende schadevergoeding is vereist dat er causaal verband bestaat tussen de (gestelde) schade en de non-conformiteit van het paard.

2.15.

Om te beginnen overweegt de kantonrechter dat de vordering om de schade op te maken bij staat, zal worden afgewezen. Te gelden heeft dat de kantonrechter die een veroordeling tot schadevergoeding uitspreekt, voor zover hem dit mogelijk is, de schade begroot in het vonnis. In dit geval zal de kantonrechter de schade begroten omdat de schade als gevolg van de non-conformiteit van het paard thans vast staat.

2.16.

Ten aanzien van de stallingskosten wordt vooropgesteld dat [eiser] deze kosten ook heeft moeten maken indien het paard wel had beantwoord aan de overeenkomst. Dat [eiser] extra kosten heeft moeten maken vanwege de non-conformiteit van het paard is gesteld noch gebleken. Om die reden zullen de gevorderde stallingskosten worden afgewezen. Hetzelfde geldt voor de verzorgingskosten. Ook in dit kader heeft [eiser] onvoldoende onderbouwd dat zij deze kosten heeft moeten maken vanwege de non-conformiteit van het paard.

2.17.

[eiser] heeft tevens betaling gevorderd van de veterinaire kosten. Dit betreft kosten voor de hoefsmid en voor de dierenarts. De kantonrechter is van oordeel de kosten voor de hoefsmid niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten in causaal verband staan met de chronische hoefbevangenheid. De factuur van € 546,73 die betrekking heeft op de euthanasie van het paard komt wel voor vergoeding in aanmerking. Vast staat dat het paard als gevolg van de hoefbevangenheid geëuthanaseerd moest worden. Dit had niet gehoeven als het paard aan de overeenkomst had beantwoord. De kosten die dit met zich mee heeft gebracht, dienen dan ook door [gedaagde] te worden betaald.

2.18.

Ten slotte heeft [eiser] betaling gevorderd van overige medische kosten. De kantonrechter begrijpt dat het gaat om een drietal facturen. De eerste factuur van € 126,59 heeft betrekking op het beoordelen van röntgenfoto's van het paard en het schrijven van de een verklaring door diergeneeskundige Lingehoeve. De tweede factuur van € 782,56 ziet op het onderzoek van de Universiteit Utrecht en de derde factuur ten bedrage van € 200,00 ziet op het door dierenartsen Hofma & Van Gelder uitgevoerde kreupelheidsonderzoek. Deze kostenposten komen op grond van artikel 6:96 lid 2 sub b BW als kosten ter vaststelling van schade en aansprakelijkheid voor vergoeding in aanmerking. [gedaagde] zal dan ook worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 1.109,15.

2.19.

De conclusie van het bovenstaande is dat de overeenkomst tussen partijen zal worden ontbonden, [gedaagde] zal worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 4.750,00 wegens terugbetaling van de koopsom van het paard. Tevens zal zij worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 546,73 aan aanvullende schadevergoeding en tot betaling van een bedrag van € 1.109,15 aan vermogensschade. De gevorderde en niet weersproken wettelijke rente over deze bedragen zal eveneens worden toegewezen. Met dien verstande dat de wettelijke rente over een bedrag van € 546,73, zijnde de factuur voor de euthanasie, zal worden toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van dit vonnis. Hiervoor is redengevend dat niet is gebleken dat [gedaagde] op een eerder moment nalatig is geweest met het betalen van dit bedrag.

2.20.

[eiser] heeft onvoldoende gesteld en onvoldoende onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen daarom worden afgewezen.

2.21.

[gedaagde] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld.

3 BESLISSING

De kantonrechter:

3.1.

ontbindt de koopovereenkomst tussen partijen;

3.2.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 4.750,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf 26 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening;

3.3.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 546,73 te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf 14 dagen na de datum van dit vonnis tot de dag der algehele voldoening;

3.4.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.109,15, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag, te rekenen vanaf 26 maart 2018 tot de dag der algehele voldoening;

3.5.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de proceskosten, welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] zijn begroot op € 98,01 aan explootkosten, € 226,00 aan griffierecht en € 1.200,00 (4 punten x € 300,00) aan salaris van de gemachtigde;

3.6.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.7.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr. M.A.B. Faber-Siermann, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 februari 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 412