Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:761

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
19-02-2020
Zaaknummer
18/830145-19
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2020:6912
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Poging tot doodslag, tweemaal een mishandeling en een vernieling

Gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0206
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830145-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 februari 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1971 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te PI Achterhoek, te Zutphen.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

4 februari 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Mulder, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1. Primair

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (telkens) met kracht en/of ongecontroleerd in/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen, en/of (vervolgens, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) met (hak van) schoen in/tegen het hoofd heeft getrapt en/of geschopt en/of in/tegen het hoofd en/of lichaam heeft gestompt en/of geslagen terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatisch schedelhersenletsel (bestaande uit) een breuk van het

voorhoofdsbeen van de schedel, een (ernstige) hersenkneuzing, en/of

hersenschade ten gevolge van (tijdelijk) zuurstofgebrek, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal (telkens) met kracht en/of ongecontroleerd in/tegen het gezicht/hoofd te stompen en/of te slaan, en/of (vervolgens, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) met (hak van) schoen in/tegen het hoofd te trappen en/of te schoppen

en/of in/tegen het hoofd te stompen en/of te slaan;

Meer Subsidiair

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam [slachtoffer 1] heeft mishandeld door haar meermalen, althans eenmaal (telkens) met kracht en/of ongecontroleerd in/tegen het gezicht/hoofd en/of lichaam te stompen en/of te slaan, en/of (vervolgens, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag) met (hak van) schoen in/tegen het hoofd te trappen en/of te schoppen en/of in/tegen het hoofd en/of lichaam te stompen en/of te slaan, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten traumatisch schedelhersenletsel (bestaande uit) een breuk van het voorhoofdsbeen van de schedel, een (ernstige) hersenkneuzing, en/of

hersenschade ten gevolge van (tijdelijk) zuurstofgebrek ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam [slachtoffer 2] , gedurende de uitoefening van een publieke taak/functie, heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met zijn elleboog/arm en/of vuist/hand in/tegen buik/lichaam te slaan, althans (een) slaande beweging(en) te maken

waarbij die [slachtoffer 2] werd geraakt;

3.

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam [slachtoffer 3] , gedurende de uitoefening van een publieke taak/functie, heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] een of meermalen tegen zijn been te schoppen, althans (een) schoppende beweging(en) te maken waarbij die [slachtoffer 3]

werd geraakt;

4.

hij op of omstreeks 12 juli 2019 te Veendam opzettelijk en wederrechtelijk (ruit van aan/nabij Jan Salwaplein staande) auto (VW Up [kenteken] ), in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feit 1 primair, 2, 3 en 4.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat uit de verklaringen van de aangevers en getuigen volgt dat verdachte de mishandeling heeft gepleegd tijdens een black out en er geen sprake was van een bewust gemaakte keuze. Hij heeft geen opzet gehad op de mogelijkheid van het intreden van de dood van aangeefster [slachtoffer 1] . Ook heeft hij niet bewust de aanmerkelijke kans daarop aanvaard.

De feiten 2 en 3 kunnen wettig en overtuigend bewezen worden. De raadsvrouw merkt op dat aangever [slachtoffer 3] slechts eenmaal is geschopt en niet meermalen.

De onder 4 ten laste gelegde vernieling van de ruit kan niet wettig en overtuigend worden bewezen nu verdachte zich niets kan herinneren en er slechts één getuige is. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van feiten 1, 2 en 3

De rechtbank past ten aanzien van het onder 1 primair, 2 en 3 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 september 2019, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019182014/2019182021/2019182026/2019182280 d.d. 18 december 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op vrijdag 12 juli 2019 ben ik door mijn ex man [verdachte] zwaar mishandeld toen

wij om 16:00 uur voor een gesprek bij het gemeentekantoor waren.

2. Een geneeskundige verklaring, op 13 november 2019 opgemaakt en ondertekend door T. Naujocks, forensisch arts, voor zover inhoudend, als haar geneeskundige verklaring:

Medisch gezien staat het schedelhersenletsel bij betrokkene op de voorgrond. Dit bestaat uit

een breuk in het voorhoofdsbeen van de schedel, een ernstige hersenschudding

(hersenkneuzing) en hersenschade ten gevolge van (tijdelijk) zuurstofgebrek.

Dit laatste houdt in dat verspreid door de hersenen uitlopers van hersencellen beschadigd

zijn met als gevolg een belemmerde overdracht van zenuwprikkels. Afhankelijk van de

lokalisatie en de uitgebreidheid kan dit leiden tot verlammingen, gevoelsstoornissen en/of

cognitieve stoornissen. Bij betrokkene was vooral sprake van het laatste.

Naast het schedelhersenletsel was bij betrokkene sprake van meerdere bloeduitstortingen en

scheurwonden aan hoofd en gelaat- en bloeduitstortingen verspreid over het verdere lichaam.

De bij betrokkene geconstateerde letsels leveren een AIS-score van 4 op, overeenkomend met levensbedreigend letsel.

De bij betrokkene aangetroffen letsels, zowel in- als uitwendig, passen bij (meervoudig)

van buitenaf inwerkend stomp geweld.

Uit de medische literatuur is bekend dat de sterfte bij een AIS-score van 4, zoals bij

betrokkene, minimaal 5% is en kan oplopen tot 50%.

Ook bestaat er bij dit soort letsels een gerede kans op blijvende restverschijnselen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juli 2019, opgenomen op pagina 30 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Ik doe aangifte van mishandeling. Ik heb pijn en letsel opgelopen door de trap(pen) die ik heb gekregen.

Ik ben jeugdconsulent bij de gemeente Veendam en Pekela. Ik ben betrokken bij het gezin [verdachte] .

Ik zie dat [verdachte] [slachtoffer 1] met zijn blote handen, gebalde vuisten, echt hard en vol op het gezicht en of het lichaam slaat. Ik ben direct bovenop [verdachte] gesprongen. Ik probeerde [verdachte] om zijn nek te pakken en hem naar de grond te werken. Ik zie op dat moment dat [verdachte] met de hak van zijn schoen vol intrapt op het hoofd van [slachtoffer 1] . Volgens mij trapte [verdachte] op de zijkant van het hoofd van [slachtoffer 1] . Ik dacht dat [verdachte] twee a drie keer tegen het hoofd aantrapte. Met vol bedoel ik zo hard met de bedoeling om het hoofd van [slachtoffer 1] te vermorzelen. Ik zag dat [verdachte] daarna nogmaals met zijn gebalde vuist vol uithaalde naar de middenrif van [slachtoffer 1] . Ik zag dat alle klappen en trappen op het hoofd en lichaam van [slachtoffer 1] raak waren.

Ik zag dat [slachtoffer 1] amper reactie gaf, zij reageerde op pijn maar niet op haar naam. Ik zag veel bloed en een hoofdwond bij [slachtoffer 1] .

Als bij mij kennelijk de adrenaline is gezakt, voel ik dat ik veel pijn aan mijn

rechter kuit heb. Ik voel dat mijn kuit stijf is en dat mijn kuit steeds opzwelt. Ik kan nu amper lopen.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 12 juli 2019, opgenomen op pagina 35 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] :

Ik werk als gezinsbegeleider bij Protalent. Ik ben door het Centrum Jeugd en Gezin in Veendam benaderd om een omgangsregeling op te zetten tussen [verdachte] en zijn jongste zoon.

Op dat moment zag ik dat [verdachte] [slachtoffer 1] een vuistslag in haar gezicht gaf. Door de vuistslag viel [slachtoffer 1] achterover op de grond. Ik zag dat [slachtoffer 3] [verdachte] met beide handen bij de schouders pakte en duwde hem naar achteren. Op dat moment zag ik dat [slachtoffer 1] opstond en wegrende. Ik zag dat [verdachte] achter haar aan wilde. Ik riep tegen hem: 'stop word rustig.' Ik zag dat hij zich toen omdraaide. Tijdens het draaien zag en voelde ik dat hij mij met zijn rechter elleboog in mijn buik sloeg. Daarna zag en voelde ik dat hij mij met een vuist nog een keer in mijn buik sloeg. Ik zag dat [verdachte] daarna naar [slachtoffer 1] toe rende. Zij stond inmiddels bij de uitgang. Ondertussen zag ik dat [verdachte] [slachtoffer 1] met zijn hak in het gezicht schopte. Ik weet nog dat [verdachte] zware schoenen aan had.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 22 juli 2019, opgenomen op pagina 47 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Vader (de rechtbank begrijpt: verdachte) heeft met een gebalde vuist moeder geslagen. Moeder liep weg. Hij (de rechtbank begrijpt: verdachte) zag toen blijkbaar [slachtoffer 1] in het hoekje liggen, hij gaf haar een paar schopjes op haar lichaam, dat was twee of drie keer. Ik weet niet hoe hard dat was. Toen ging hij zo'n klapdeurtje vasthouden. In mijn beleving met één hand op de muur zodat hij daar stevig stond. Toen begon hij met zijn hak heel gericht op het hoofd van moeder te trappen. Heel krachtig en hard. Ik weet niet hoe vaak, ik denk wel een keer of vier of vijf. Moeder kreunde en schreeuwde van paniek.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 juli 2019, opgenomen op pagina 56 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Ik hoorde hem (de rechtbank begrijpt: verdachte) iets zeggen als ‘kutwijf’ of ‘rotwijf’ en op dat moment zag ik ook dat hij met zijn rechtervuist uithaalde in de richting van [slachtoffer 1] .

[slachtoffer 3] is bovenop [verdachte] gesprongen en [verdachte] rukte zich los. Ik zag dat hij [slachtoffer 3] tegen zijn benen trapte, ik zag dat hij [slachtoffer 2] in de buik sloeg. [slachtoffer 1] was al in de richting van de deur gerend en ik hoorde haar roepen 'help, ik ben bang ik ben bang'. Ik zag dat hij zich bovenop

[slachtoffer 1] stortte, ik zag dat hij haar overal sloeg met zijn vuisten. Het laatste wat ik zag, was dat [slachtoffer 1] werd neergemaaid door [verdachte] met zijn vuist, echt volledig in haar gezicht en dat hij haar fors heeft nagetrapt. Dit alles gebeurde met heel veel kracht en geweld. Ik zag toen een hele hoop bloed en ik zag dat [slachtoffer 1] op haar buik lag.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Op 12 juli 2019 vond er een gezamenlijk overleg plaats tussen verdachte en zijn voormalig partner, te weten aangeefster [slachtoffer 1] , over de omgang van verdachte met zijn jongste kind. Hierbij waren de betrokken hulpverleners [slachtoffer 3] , [slachtoffer 2] , [getuige 2] en [getuige 1] aanwezig. Verdachte wenste uitbreiding van de omgangsregeling. Tijdens het gesprek werd duidelijk dat dit niet zonder meer zou gebeuren. Vervolgens ontspoorde de situatie volledig. Uit de bovenstaande bewijsmiddelen volgt dat verdachte is opgestaan en [slachtoffer 1] een harde vuistslag in het gezicht gaf, waardoor zij viel. Er is door de hulpverleners geprobeerd verdachte tegen te houden, maar dit lukte niet. [slachtoffer 1] rende door de hal naar de uitgang van het gebouw en verdachte kwam haar achterna. Hij stortte zich vervolgens op haar en sloeg haar met zijn vuisten vol op haar lichaam en in haar gezicht. Ze lag op de grond en uiteindelijk heeft hij haar met de hak van zijn schoen meermalen op de linkerzijde van het hoofd getrapt. Getuige [slachtoffer 3] heeft verklaard dat het eruit zag alsof hij haar hoofd wilde vermorzelen. Getuige [getuige 1] verklaarde dat hij zich met een hand aan de muur vasthield en toen heel gericht, met veel kracht, op het hoofd van [slachtoffer 1] begon te trappen.

[slachtoffer 1] is enkele dagen in coma gehouden op de Intensive Care. Vastgesteld is dat zij een breuk van het voorhoofdsbeen van de schedel, een ernstige hersenschudding en hersenschade ten gevolge van tijdelijk zuurstofgebrek heeft opgelopen. Naast dit schedelhersenletsel was sprake van meerdere bloeduitstortingen en scheurwonden aan het hoofd en gelaat en bloeduitstortingen verspreid over het verdere lichaam. Aangegeven is dat sprake was van levensbedreigend letsel en dat er een gerede kans bestaat op blijvende restverschijnselen.

De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen van de verdachte, naar de uiterlijke verschijningsvorm bezien, geschikt waren om en gericht waren op het toebrengen van dodelijk letsel en dat daarmee in beginsel het opzettelijk handelen vaststaat.

Verdachte heeft evenwel bij de politie en ter zitting verklaard dat hij van de hele gebeurtenis, ook van het gesprek dat aan het geweld voorafging, niets meer weet. De rechtbank heeft echter geen aanwijzingen aangetroffen in het dossier dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte met opzet geprobeerd heeft [slachtoffer 1] van het leven te beroven.

De rechtbank acht het onder 2 en 3 ten laste gelegde eveneens bewezen. Uit de verklaringen van aangevers [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] , die ter plaatse waren in de uitoefening van hun publieke functie, alsmede uit de verklaring van mevrouw [getuige 2] volgt dat verdachte de in de tenlastelegging beschreven geweldshandelingen tegen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] heeft verricht.

Ook hier overweegt de rechtbank dat hoewel verdachte aangeeft geen enkele herinnering meer te hebben aan het gebeuren, de rechtbank geen aanknopingspunten heeft dat bij verdachte ten tijde van zijn handelen ieder inzicht in de draagwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Nu de handelingen van verdachte naar hun uiterlijke verschijningsvorm gericht waren op het toebrengen van letsel, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het toebrengen van dit letsel.

Ten aanzien van feit 4

De rechtbank past voor het onder 4 ten laste gelegde de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 26 juli 2019, opgenomen op pagina 42 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019182014/2019182021/2019182026/2019182280 d.d. 18 december 2019, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Ik doe aangifte van vernieling van de auto van mijn moeder, [slachtoffer 1] . Op vrijdag 12 juli 2019, omstreeks 15:40 uur, heeft mijn moeder haar auto op het Jan Salwaplein geparkeerd alwaar ze een gesprek zou hebben met de hulpverlening, samen met mijn vader [verdachte] . Mijn moeder heeft een zwarte Volkswagen Up voorzien van kenteken: [kenteken] . Ze heeft haar auto onbeschadigd geparkeerd op een parkeerplaats. In de week na 12 juli 2019 kreeg ik te horen van een van de hulpverleners, dat mijn moeder haar auto vernield was. [slachtoffer 2] vertelde mij dat de autoruit rechtsachter, aan de bijrijderskant er volledig uit lag en was ingeslagen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 12 juli 2019, opgenomen op pagina 56 van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Ik stond op de parkeerplaats aan het Jan Salwaplein en toen appte ik [slachtoffer 2] waar ze was. Terwijl zij haar auto parkeerde, zie ik uit het niets ineens [verdachte] ook tussen de auto's vandaan komen. Dit was omstreeks 15:50 uur. Vlak voordat hij bij mij kwam, hoorde ik een hele harde knal. Ik hoorde dat [verdachte] zei: 'ik trapte op een stuk glas of er is een band die geknapt is'. Daarna voegde net [slachtoffer 2] zich bij ons. Later zag ik op de parkeerplaats een zwarte auto staan waar een ruit van was ingeslagen, dit was waar ik [verdachte] ook vandaan had zien komen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 13 juli 2019, opgenomen op pagina 61 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Ter plaatse zagen wij een zwarte Volkswagen Up, voorzien van het kenteken [kenteken] ,

waarvan de rechterachterruit kapot was. Wij zagen dat deze auto in de eerste

parkeerstrook stond vanaf de gebouwen gezien, met de neus geparkeerd naar het gebouw

van de Compaen. Wij zagen dat er glas naast de auto lag. Ik, [verbalisant] , vroeg of iemand gezien had wie dit had gedaan. Ik hoorde dat een jongen zei dat hij had gezien wat er was gebeurd. Deze jongen identificeerde zichzelf als [getuige 4] , geboren [geboortedatum] 1997. Ik hoorde [getuige 4] zeggen dat hij omstreeks 15:50 uur bij de ingang van de Compaen had gestaan, toen hij zag dat een man een slaande beweging had gemaakt richting de achterruit van de zwarte Volkswagen Up. Ik hoorde [getuige 4] zeggen dat hij vrijwel direct een harde

klap hoorde en zag dat het glas van de ruit was gesprongen. Ik hoorde [getuige 4] zeggen

dat hij de man als volgt omschreef: een man van ongeveer 1.80 meter, een zeer donkere

huidskleur, kaal, rondvormig hoofd, gekleed in een zwartgrijs vest en een legergroen

t-shirt. Ik hoorde [getuige 4] zeggen dat deze man vervolgens naar de hoek van de

parkeerplaats was gelopen en dat hij zich daar bij twee vrouwen had gevoegd, waarvan

één een witte jurk aan had. Ik hoorde [getuige 4] zeggen dat deze man vervolgens samen

met deze twee vrouwen door was gelopen.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van de politie volgt dat er een getuige is geweest van de vernieling, die de dader beschrijft als een persoon die sterke gelijkenis vertoont met het signalement van verdachte. Daar komt bij dat het verhaal van deze getuige nagenoeg naadloos aansluit bij de verklaring van getuige [getuige 2] , dat zij, vlak voordat verdachte bij haar kwam een harde knal hoorde en dat zij daarna met verdachte en getuige [slachtoffer 2] is weggelopen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er voldoende bewijs voorhanden is om te concluderen dat verdachte de auto van [slachtoffer 1] heeft vernield.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1 primair, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. Primair

hij op 12 juli 2019 te Veendam ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] meermalen, met kracht en ongecontroleerd in het gezicht en lichaam heeft gestompt en vervolgens, terwijl die [slachtoffer 1] op de grond lag, met de hak van zijn schoen tegen het hoofd heeft getrapt en tegen het hoofd en lichaam heeft gestompt terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

hij op 12 juli 2019 te Veendam [slachtoffer 2] , gedurende de uitoefening van een publieke functie, heeft mishandeld door die [slachtoffer 2] met zijn elleboog en/of vuist tegen de buik te slaan, waarbij die [slachtoffer 2] werd geraakt;

3.

hij op 12 juli 2019 te Veendam [slachtoffer 3] , gedurende de uitoefening van een publieke functie, heeft mishandeld door die [slachtoffer 3] meermalen tegen zijn been te schoppen, waarbij die [slachtoffer 3] werd geraakt;

4.

hij op 12 juli 2019 te Veendam opzettelijk en wederrechtelijk een ruit van een aan Jan Salwaplein staande auto, VW Up [kenteken] , toebehorende aan [slachtoffer 1] heeft vernield.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Poging tot doodslag

2. Mishandeling

3. Mishandeling

4. Vernieling

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 primair, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijk deel gelijk is aan het voorarrest met daarbij oplegging van bijzondere voorwaarden, te weten: meldplicht bij de reclassering, ambulante behandeling zoals geadviseerd en een contactverbod met mevrouw [slachtoffer 1] . Eventueel kan een taakstraf worden opgelegd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting het psychologisch rapport van mevrouw N. van der Weegen, psycholoog, en de heer [naam], forensisch milieuonderzoeker, de rapportage van Reclassering Nederland en het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gebruik van dusdanig fors geweld op zijn voormalig partner dat zij aan haar verwondingen had kunnen komen te overlijden. Verdachte heeft met zijn hak meermalen krachtig op het hoofd van het slachtoffer getrapt en was niet te stoppen. Pogingen van aanwezige hulpverleners om verdachte te stoppen waren vruchteloos. Hij heeft door zijn handelen een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke en lichamelijke integriteit van mevrouw [slachtoffer 1] . Mevrouw [slachtoffer 1] heeft dagenlang in coma gelegen en heeft lange tijd moeten revalideren. Zij is nog altijd niet de oude en de verwachting is dat zij nooit volledig zal herstellen.

Dit geweld vond bovendien plaats tijdens een gesprek tussen verdachte, zijn voormalige partner en gezins- en jeugdhulpverleners over de omgangsregeling tussen verdachte en hun jongste zoon. Deze hulpverleners zijn tijdens hun werkzaamheden overvallen door verdachtes geweldsexplosie en twee hulpverleners zijn door hem mishandeld toen zij probeerden in te grijpen en erger te voorkomen. Voor mevrouw [slachtoffer 2] geldt bovendien dat zij er achteraf achter kwam dat zij zwanger was op het moment dat het geweld zich op haar richtte en zij vervolgens een miskraam heeft gekregen. Uit de verklaring van alle hulpverleners blijkt dat het gebeuren diepe indruk op hen heeft gemaakt en zeer traumatisch is geweest. De rechtbank rekent dit alles verdachte zwaar aan.

Gelet op deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden is.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een geweldsdelict.

Uit het psychologisch onderzoek blijkt dat verdachte in een onveilige situatie is opgegroeid. Als een gevolg daarvan heeft hij zich niet veilig kunnen hechten. Door het zwakbegaafde intellectuele niveau waarop verdachte functioneert, is sprake van een gebrekkige ontwikkeling van verdachtes geestvermogens. Hij is achterdochtig en zijn probleemoplossende vaardigheden schieten tekort. In de maanden voorafgaand aan het ten laste gelegde liep de spanning bij verdachte op. Hij voelde zich machteloos, doordat hij amper contact had met zijn jongste zoon, geen contact meer had met zijn oudste kinderen en hij voelde zich onheus bejegend door zijn voormalig partner. Er raakten steeds meer hulpinstanties bij het gezin betrokken en verdachte verloor het overzicht. Door zijn achterdocht voelde verdachte zich steeds verder in een hoek gedreven. De stress liep op waardoor hij meer en meer verkokerd raakte en steeds minder perspectief zag. Verdachte wilde geen contact meer met zijn voormalig partner en voelde zich door haar getergd. Dit wordt bevestigd in het omtrent verdachte opgemaakte milieurapport. In het overleg over de omgang met zijn zoon had hij het gevoel dat iedereen tegen hem was en dat hij niemand kon vertrouwen. Blijkens het psychologisch onderzoek lijkt verdachte vanwege zijn gebrekkige ontwikkeling na een langdurige stressperiode over onvoldoende copingsvaardigheden te beschikken. De spanning die de laatste maanden was opgebouwd kwam tot een hoogtepunt. Verdachte verloor de controle over zichzelf zodanig dat hij slechts beperkte herinneringen heeft aan het gebeurde en de uren erna.

Geadviseerd wordt om verdachte het ten laste gelegde in verminderde mate toe te rekenen.

De rechtbank neemt deze conclusie over. Anders dan de officier van justitie acht zij op grond van het bovenstaande voldoende aangetoond dat verdachte, met name door het ontbreken van voldoende copingvaardigheden, het gebeuren in verminderde mate kan worden toegerekend.

Het recidiverisico wordt door de psycholoog als laag tot matig ingeschat, mits verdachte na zijn detentie meteen hulp krijgt, en nog een woning heeft en werk. Hij heeft begeleiding nodig om de echtscheiding goed te kunnen regelen en zijn leven weer opnieuw te kunnen opbouwen. Ook heeft hij ambulante psychologische behandeling nodig. De reclassering heeft aangegeven zich te kunnen vinden in het advies van de psycholoog. Zij heeft het advies onder meer aangevuld met een contactverbod tussen verdachte en het slachtoffer om hen beiden te beschermen.

Alles overwegende acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden. Aan een voorwaardelijk strafdeel met daarbij bijzondere voorwaarden komt zij vanwege de ernst van het feit niet toe.

Tevens wordt aan de verdachte de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de duur van drie jaren opgelegd, inhoudende een contactverbod met [slachtoffer 1] , ter beveiliging van de maatschappij en ter voorkoming van strafbare feiten. De rechtbank zal bepalen dat vervangende hechtenis voor de duur van een maand zal worden toegepast bij iedere keer dat verdachte voornoemd contactverbod overtreedt, tot een maximum van twaalf maanden.

Een gebiedsverbod, zoals het slachtoffer wenst, zal de rechtbank gelet op de duur van de gevangenisstraf niet opleggen.

Nu er sprake was van een ernstige aantasting van de lichamelijke integriteit van het slachtoffer en de gespannen situatie tussen slachtoffer en verdachte nog niet voorbij is, moet er rekening mee worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen, zodat wordt bevolen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 22.218,65, na een vermindering met

€ 6,10 (brief d.d. 3 februari 2020) ter zake van materiële schade en € 25.000 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 100,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

Standpunt van de officier van justitie

1. [slachtoffer 1] : Er is sprake van een rechtstreeks verband tussen de gevorderde materiële schade en het ten laste gelegde feit. De kosten zijn voldoende onderbouwd met uitzondering van posten 'verlies zelfwerkzaamheid' en 'verlies verdienvermogen'. Deze moeten niet-ontvankelijk worden verklaard nu hierbij de rechtstreekse schade onvoldoende is onderbouwd. De immateriële schade is een redelijk bedrag en voldoet aan de criteria, zodat dit in zijn geheel kan worden toegewezen.

2. [slachtoffer 3] : De vordering is voldoende onderbouwd en er is rechtstreeks verband tussen de gevorderde schade en het ten laste gelegde. De vordering kan worden toegewezen.

Voor beide vorderingen moet de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd.

Standpunt van de verdediging

1. [slachtoffer 1] : De aansprakelijkheid van verdachte voor de gevorderde materiële schade aan de auto (vernieling ruit) wordt betwist, nu verdachte niet meer weet of hij deze vernieling (het onder 4. bewezenverklaarde) heeft gepleegd. Het bedrag dat voor het horloge wordt gevorderd is de nieuwwaarde. Dit bedrag moet worden gematigd. Ook het bedrag voor de beschadigde kleding moet worden gematigd. De kosten voor de kroon zijn nog niet gemaakt, zodat onduidelijk is wat het schadebedrag is. De reiskosten voor 2020 zijn ook nog niet gemaakt. Onduidelijk is of deze kosten voor het hele jaar zullen worden gemaakt. Hetzelfde geldt voor de kosten van huishoudelijke hulp. Onduidelijk is of deze kosten voor het hele jaar 2020 zullen worden gemaakt. De kostenpost 'verlies zelfwerkzaamheid' voor het schilderen van hun echtelijke woning is onredelijk. Verdachte is mede-eigenaar van de woning en nu de echtscheiding nog niet is uitgesproken, is onduidelijk hoe de inboedel zal worden verdeeld. De schadepost 'verlies verdienvermogen' is een verondersteld bedrag en niet duidelijk is of deze schade zal intreden. Momenteel wordt benadeelde nog betaald door haar werkgever en mogelijk komt zij in een re-integratietraject terecht.

De immateriële schade moet worden gematigd tot een bedrag van € 15.000. Gezien de bijgevoegde vergelijkbare uitspraken is dat een redelijk bedrag.

2. [slachtoffer 3] : De vordering kan worden toegewezen. Verdachte is bereid de schade te vergoeden.

Oordeel van de rechtbank

1. Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] een deel van de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 4 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom gedeeltelijk worden toegewezen tot het bedrag van € 3.887,65 materiële schade en € 20.000,00 immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 12 juli 2019.

De rechtbank overweegt dat de kosten voor de in de toekomst te vervangen kroon onvoldoende zijn aangetoond. Evenals voor de gevorderde reiskosten en de kosten voor de huishoudelijke hulp voor het jaar 2020 blijkt niet voldoende of deze daadwerkelijk voor het hele jaar noodzakelijk zullen zijn. Verder acht de rechtbank de schadepost 'verlies zelfwerkzaamheid' ten aanzien van het schilderwerk voor de echtelijke woning niet voor toewijzing vatbaar nu verdachte op dit moment nog mede-eigenaar is van die woning. De post 'verlies verdienvermogen' is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal de benadeelde partij in deze gevorderde schadeposten niet ontvankelijk verklaren.

De overige schadebedragen acht de rechtbank voldoende onderbouwd, als ook de immateriële schade tot het voornoemde bedrag.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij

[slachtoffer 3] de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf

12 juli 2019.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 38v, 45, 57, 287, 300, 350 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Legt de veroordeelde op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid voor de

duur van 3 (drie) jaren, inhoudende dat de veroordeelde wordt bevolen zich te onthouden van direct of indirect contact met:

- [slachtoffer 1] , geboren op [geboortedatum] 1976 te Stadskanaal,

gedurende 3 (drie) jaar na heden;

beveelt dat, voor het geval de veroordeelde niet aan de maatregel voldoet, vervangende hechtenis zal worden toegepast;

bepaalt dat voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 1 (een) maand, met een totale duur van ten hoogste twaalf maanden;

Beveelt dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is;

Ten aanzien van 18/830145-19, feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2019.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 100,00 (zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 2 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/830145-19, feiten 1 en 4:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 23.887,65 (zegge: drieëntwintigduizendachthonderdzevenentachtig euro en vijfenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2019.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 23.887,65 (zegge: drieëntwintigduizendachthonderdzevenentachtig euro en vijfenzestig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 12 juli 2019, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 150 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 3.887,65 aan materiële schade en € 20.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. S. Timmermans en mr C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 februari 2020.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.