Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:726

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
18-02-2020
Datum publicatie
18-02-2020
Zaaknummer
18/830013-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens onder andere mishandeling, bedreiging en afpersing. Verdachte onderhield een relatie met het slachtoffer en de delicten vonden in de woning van het slachtoffer plaats. Verdachte is verminderd toerekeningsvatbaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 317
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830013-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 18 februari 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1997 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 juni 2019 en 4 februari 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. L.J. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1.

primair

hij in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 12 januari 2019 in de gemeente Groningen stelselmatig/meermalen, althans eenmaal, (telkens) ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [slachtoffer] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer] (telkens) met kracht heeft gestompt/ geslagen en/of getrapt/geschopt, en/of met een riem heeft geslagen, en/of met een hard voorwerp (telefoon)oplader aan snoer, spatel) heeft geslagen, en/of met zijn ellebo(o)g(en) naar voren op haar is gesprongen, en/of met zijn ellebo(o)g(en) heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 12 januari 2019 in de gemeente Groningen stelselmatig/meermalen, althans eenmaal, (telkens) [slachtoffer] heeft mishandeld door haar (met kracht) te stompen/slaan en/of te trappen/schoppen, en/of met een riem te slaan, en/of met een hard voorwerp (telefoon)oplader aan snoer en/of spatel) te slaan, en/of met zijn ellebo(o)g(en) naar voren op haar te springen, en/of met zijn ellebo(o)g(en) te slaan;

2.

hij in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 12 januari 2019 in de gemeente Groningen stelselmatig/meermalen, althans eenmaal, (telkens) [slachtoffer] heeft bedreigd met

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en/of goederen

ontstaat, en/of

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en/of

- zware mishandeling, en/of

- brandstichting,

door (telkens) dreigend

- tegen die [slachtoffer] te zeggen en/of via whatsapp/ Instagram-gesprekken: "we zullen zien hoe je die handtekening gaat zetten. Met me ding onder je kin komt hellemaal goed. Let maar op is op je eigen manier nu", en/of

"Je weet wat ik heb he, je weet wat ik hiermee kan he", en/of

"Ik heb zin om je dood te maken nu swa", en/of

"Als jouw moeder mij niet begrijpt is het einde verhaal voor jouw ouders, ik steek hun huis in de fik, ik schiet ze neer", "Iedereen die er zich mee bemoeid gaat eraan", en/of

"als ik vast moet zitten dan ik vast zitten voor die mensen als ik mijn ding maar heb gedaan", "[naam 1] liegt niet, ze weet wat voor een mannetje ze heeft, ze weet dat haar mannetje mensen dood maakt en shit", "Als je slachtoffer moet worden dan word je gewoon slachtoffer. Als ik moet vast gaan zitten ga ik gewoon vastzitten", "Vorige keer dat je ging zeggen [verdachte] is een klootzak, toen moest ik je al je kanker hoofd gewoon bossen", "ik laat je auto 4 stenen staan, ik fik jouw huis", en/of

"je durft niet te komen je weet wat ik met je do, ik maak je kanker graf",

althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- ( daarbij) een pistool/vuurwapen, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen, en/of

- tegen anderen te zeggen: "Ik zweer het op mijn kinderen, deze vrouw gaat dood, binnen een week. 2019 is geen grap. Ik ga voor haar vast zitten. Ze wordt wakker met glas in haar bek en ik ga haar gezicht verminken",

althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, van welke dreigende woorden die [slachtoffer] kennis heeft gekregen en/of (aldus) een voor die [slachtoffer] dreigende situatie te scheppen;

3.

primair

hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2018 tot en met 11 november 2018 in de gemeente(n) Leek en/of Groningen, in elk geval in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een goed dat geheel of ten dele aan een ander of anderen toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld of het teniet doen van een

inschuld, hetzij tot het ter beschikking stellen van gegevens, te weten het aangaan van een Lease overeenkomst met betrekking tot een auto (merk/type VW Polo, kenteken [kenteken]) en/of het afgeven/ter beschikking stellen van die auto aan verdachte, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte dreigend

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd en/of via whatsapp/Instagram-gesprekken: "we zullen zien hoe je die handtekening gaat zetten. Met me ding onder je kin komt hellemaal goed. Let maar op is op je eigen manier nu", en/of "Je weet wat ik heb he, je weet wat ik hiermee kan he", en/of "Ik heb zin om je dood te maken nu swa", althans (telkens) woorden

van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- ( daarbij) een pistool/vuurwapen, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer] heeft getoond, en/of

- ( aldus) een voor die [slachtoffer] dreigende situatie heeft geschapen;

subsidiair

hij in of omstreeks de periode van 25 juni 2018 tot en met 11 november 2018 in de gemeente(n) Leek en/of Groningen, in elk geval in Nederland een ander, te weten [slachtoffer], door geweld of enige andere feitelijkheid en/of door bedreiging met geweld of

enige andere feitelijkheid gericht tegen die ander en/of derden, te weten die [slachtoffer] wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen, niet te doen en/of te dulden, te weten het aangaan van een Lease overeenkomst met betrekking tot een auto (merk/type VW Polo, kenteken [kenteken]) en/of het afgeven/ter beschikking stellen van die auto aan verdachte, door dreigend

- tegen die [slachtoffer] te zeggen en/of via whatsapp/Instagram-gesprekken: "we zullen zien hoe je die handtekening gaat zetten. Met me ding onder je kin

komt hellemaal goed. Let maar op is op je eigen manier nu", en/of "Je weet wat ik heb he, je weet wat ik hiermee kan he", en/of "Ik heb zin om je dood te maken nu swa", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of

- ( daarbij) een pistool/vuurwapen, althans een op vuurwapen gelijkend voorwerp, aan die [slachtoffer] te tonen, en/of

- ( aldus) een voor die [slachtoffer] dreigende situatie te scheppen;

4.

hij op of omstreeks 16 januari 2019 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een (semi-automatisch) gaspistool, van het merk Umarex, type Walther P22, kaliber 9 mm. P.A.K., zijnde een vuurwapen in de vorm van een geweer, revolver en/of pistool voorhanden heeft gehad.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van feit 1 (primair). Daartoe heeft zij aangevoerd dat uit de gedragingen van verdachte en de aard van het letsel niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen aan aangeefster.

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor feiten 1 (subsidiair), 2, 3 (primair) en 4.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 (primair).

Ten aanzien van feiten 1 (subsidiair), 2, 3 (primair) en 4 heeft de raadsman aangevoerd dat er aanknopingspunten zijn om tot een bewezenverklaring te komen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

feit 1

1. De door verdachte ter zitting van 24 juni 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

In de periode van 11 april 2018 tot en met 12 januari 2019 heb ik vaak ruzie gehad met [slachtoffer]. Het ging hierbij om duwen en trekken en ik heb haar wel eens met de vlakke hand geslagen. Op een dag hadden [slachtoffer] en ik ruzie en toen zei mijn neef [getuige 1] tegen mij dat ik van haar af moest gaan. Die keer heb ik haar een paar keer met de vlakke hand geslagen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2019, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019009403 d.d. 22 februari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

Ik heb in januari 2018 een relatie gekregen met [verdachte]. In april 2018 begon [verdachte] mij voor het eerst te mishandelen. Ik had toen tegen [verdachte] gezegd dat hij weg moest gaan. Hij heeft mij toen zwaar mishandeld. Hij heeft mij op mijn hele lichaam met heel veel kracht geslagen, gestompt, geschopt en met een riem geslagen. Deze riem haalde hij van zijn eigen broek. Hij mishandelde mij vreselijk hard. Ik had hierdoor heel veel pijn gekregen. Van het letsel van de mishandeling van april zoals ik hierboven heb omschreven, heb ik foto's gemaakt. Ten tijde van deze mishandeling droeg ik alleen een badjas. Ik had dus blote benen. Hij heeft mij keihard geslagen met de riem op mijn blote benen. Dit feit is gepleegd op mijn woonadres aan de Kraaienest 19. Als hij mij stompte, deed hij dat met zijn vuisten.

Op 12 september 2018 was [verdachte] weer woest op mij. Hij was ook toen bij mij thuis. Ik

ben toen met mijn driejarige dochter [naam 2] naar de kamer van [naam 2] gegaan. Ik zat op haar bed en zij zat bij mij op schoot. Op dat moment kwam [verdachte] ook bij ons op de slaapkamer. Ik zag en voelde dat hij mij weer heel hard en opzettelijk sloeg. Deze klap kwam in mijn oog terecht en ik zag even niks meer met dat oog.

Voor augustus 2018 was er een moment dat ik op bed lag. Ik zag dat [verdachte] ineens de slaapkamer in kwam en op mij afsprong. Tijdens dit springen raakte hij mij hard met zijn elleboog. Hij heeft dit meerdere malen herhaald. Dus op mij afspringen en mij keihard met zijn ellebogen op mijn lichaam slaan. Op dat moment schopte [verdachte] mij ook keihard op mijn lichaam. Ten gevolge van deze mishandeling heb ik heel veel pijn aan mijn hoofd gehad. Op dat moment was zijn neef [getuige 1] bij ons. Kennelijk kreeg [getuige 1] later door wat er aan de hand was en kwam hij eraan. Hij heeft [verdachte] van mij afgehaald.

Op 5 augustus 2018 was ik jarig. [verdachte] heeft mij die dag weer opgezocht en mij in mijn eigen huis mishandeld. Hij heeft mij toen hard en opzettelijk met een spatel in mijn gezicht geslagen. De afdruk van de spatel stond in mijn gezicht.

Bovengenoemde mishandelingen zijn de ergste geweest die [verdachte] mij heeft aangedaan.

Tussendoor werd ik ook door hem mishandeld. Hij gaf mij dan l of 2 klappen hard en

opzettelijk in mijn gezicht.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor aangeefster d.d.

17 januari 2019, opgenomen op pagina 33 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

[verdachte] heeft mij op 28 april 2018 met de oplader van een mobiele telefoon geslagen. Hij heeft mij één keer op mijn linker onderarm geraakt en één keer ergens op mijn bovenlichaam.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 januari 2019, opgenomen op pagina 67 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2]:

Op 5 augustus 2018 was ik bij [slachtoffer] op bezoek. Die dag kregen [slachtoffer] en [verdachte] ruzie. Op een gegeven moment hoorde ik een harde knal. [slachtoffer] zei tegen mij: “Sluit jezelf op, [verdachte] is doorgedraaid, hij heeft het raam ingegooid. Ik sluit mijzelf op in de WC. Als ik bij jullie ben, pakt hij ons allemaal!”. Ik hoorde dat [verdachte] op de WC-deur klopte en riep dat [slachtoffer] er nu uit moest komen, anders zou hij de deur wel openbreken.

[slachtoffer] heeft mij in totaal denk ik een keer of vijf gebeld met de mededeling dat [verdachte] haar had geslagen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 16 januari 2019, opgenomen op pagina 72 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3]:

Ik heb vaak van [naam 2] gehoord dat [verdachte] mamma, [slachtoffer] dus, zou hebben geslagen. Ik heb wel eens een geluidsopname van [slachtoffer] te horen gekregen waarop [verdachte] aan het schreeuwen is. Ook heb ik wel eens blauwe plekken gezien bij [slachtoffer] welke door [verdachte] waren veroorzaakt. Ik zag dat de blauwe plekken op de armen zaten en een keer in haar nek.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d.

18 januari 2019, opgenomen op pagina 77 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1]:

Het was ongeveer ergens in augustus 2018, het kan ook september zijn. Het gebeurde in

het huis van [slachtoffer]. Ik was daar bij mijn neef [verdachte]. Er was ineens op een dag ruzie tussen hun. Ik hoorde [slachtoffer] op een gegeven moment schreeuwen "help, help" . Ik ben er heengegaan. Ik zag dat [verdachte] boven op [slachtoffer] zat. Ze lag met haar rug op bed. Hij zat boven op haar. Ik zag dat hij haar sloeg.

7. Een schriftelijk bescheid, te weten een letselbeschrijving van de Forensische Geneeskunde van de GGD, opgemaakt door dr. J. Broer, forensisch arts, opgenomen op pagina 97 e.v. van voornoemd dossier, voor zover inhoudend:

De heer [verbalisant 1] (regiopolitie Groningen) verzocht mij om een aantal foto's te beoordelen van letsels opgelopen ten gevolge van huishoudelijk geweld.

foto hoofd:

- linkerwang lijkt iets verdikt en lichtrood verkleurd

- oppervlakkige schaafwond onder linker wenkbrauw

- oppervlakkige schaafwond naast linker oog

foto borst:

- onder meer het linker sleutelbeen is een donkerrode onderhuidse bloeduitstorting

waarneembaar

- aan onder-voorzijde van de linker oksel is een donkerblauw-rode verkleuring

waarneembaar

- in het midden van de linker bovenarm is aan de voor- en zijkant drie streepvormige parallel

verlopende donkerrode strepen waarneembaar

foto linker arm:

- achterzijde linker bovenarm over een lengte van 20cm verspreid diverse bloeduitstortingen

waarneembaar

- buiten-/ achterzijde dicht bij oksel vlekkerige donkerrode verkleuring past bij

bloeduitstorting waarbij opperhuid intact is gebleven

foto linker arm:

- donkerblauw- rood vlekkerig onderhuids letsel passend bij bloeduitstorting

foto hals:

- donkerblauwe verkleuring aan de onderzijde van de kin midden onder het bot van de

onderkaak

De door de onderzochte persoon aangegeven toedracht kan mogelijk passen bij het geconstateerde letsel.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte heeft bekend dat hij aangeefster heeft mishandeld door haar meermalen met de vlakke hand te slaan. Aangeefster heeft verklaard dat die mishandelingen uit méér handelingen bestonden dan alleen slaan met een vlakke hand. De foto's die aangeefster heeft gemaakt van het letsel dat zij op 11 april 2018 heeft opgelopen ondersteunen de aangifte, en ook de verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] ondersteunen de aangifte. De rechtbank acht om die reden de aangifte betrouwbaar. De rechtbank concludeert derhalve dat de mishandelingen door verdachte niet slechts bestond uit het slaan met de vlakke hand, maar ook uit de andere door aangeefster genoemde gedragingen.

Uit het dossier, de letselbeschrijving daaronder begrepen, blijkt niet dat verdachte het voornemen had om opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen aan aangeefster. Evenmin kan uit het dossier blijken dat verdachte een aanmerkelijke kans in het leven heeft geroepen dat aangeefster zwaar lichamelijk letsel had kunnen oplopen als een gevolg van de gedragingen van verdachte, zodat ook voorwaardelijk opzet op het optreden van zwaar lichamelijk letsel niet kan worden bewezen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair ten laste gelegde.

Uit de bewijsmiddelen blijkt wel dat verdachte aangeefster heeft mishandeld op de in de hierna opgenomen bewezenverklaring omschreven wijze.

De rechtbank acht dus de subsidiair ten laste gelegde mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Voor wat betreft de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat uit de aangifte blijkt dat de mishandelingen hebben geduurd tot en met 12 september 2018. De rechtbank zal daarom de bewezenverklaarde periode dienovereenkomstig verkorten.

feit 2

1. De door verdachte ter zitting van 24 juni 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb de bedreigende woorden die mij onder feit 2 worden verweten allemaal tegen [slachtoffer] gezegd. Het vuurwapen dat onder mij in beslag is genomen was nep. De onder het laatste gedachtestreepje genoemde bedreigingen heb ik ook gezegd.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 11 januari 2019, opgenomen op pagina 28 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019009403 d.d. 22 februari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

Ik doe aangifte van bedreiging.

Hij is in het bezit van een vuurwapen. Ik heb dit vuurwapen zelf gezien. Toen hij mij dit liet zien, richtte hij het op me. Ik zag dat hij het bovenste gedeelte van dit wapen naar achter deed en vervolgens weer naar voren.

Toen kwam hij tegenover mij zitten en liet het vuurwarpen zien. Toen deed hij het bovenste gedeelte van het vuurwapen heen en weer zoals ik hier net boven heb omschreven. Ik hoorde toen dat hij zei dat ik wist wat hij daarmee kon doen. Op dat moment bedreigde hij mij met dat vuurwapen. Hij hield het gericht op mij toen hij het bovenste gedeelte heen en weer deed.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 januari 2019, inclusief bijlagen, opgenomen op p. 110 e.v., inhoudende als relaas van verbalisant:

Op 24 januari 2019 ontving ik van aangever [slachtoffer] een aantal afbeeldingen van WhatsApp-gesprekken welke zij met verdachte [verdachte] heeft gevoerd.

Tevens heeft aangever [slachtoffer] een drietal afbeeldingen van gesprekken welke zij middels Facebook Messenger met de verdachte heeft gevoerd aangeleverd.

De toon van de verdachte is in alle gesprekken zeer dreigend in de richting van aangever.

Alle genoemde bestanden zijn bij dit proces-verbaal gevoegd.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewezenverklaring nog het volgende.

Hoewel verdachte heeft ontkend een wapen op aangeefster te hebben gericht, is de rechtbank van oordeel dat ook dit onderdeel van de tenlastelegging bewezen kan worden verklaard. Aangeefster heeft gedetailleerd verklaard over de momenten waarop zij met het vuurwapen is bedreigend en ook in de WhatsApp-gesprekken komen verwijzingen naar een vuurwapen ter sprake. Dat aangeefster volgens verdachte zou weten dat het om een “nepwapen” (de rechtbank begrijpt dat verdachte hiermee bedoelt het bij hem in beslaggenomen gaspistool) zou gaan maakt de bedreiging naar het oordeel van de rechtbank niet minder ernstig, aangezien ook een gaspistool voor afdreiging geschikt is.

feit 3

1. De door verdachte ter zitting van 24 juni 2019 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Het klopt dat [slachtoffer] in de periode van 25 juni 2018 tot en met 11 november 2018 een leaseovereenkomst met betrekking tot een auto is aangegaan en dat ik vervolgens hoofdzakelijk in die auto heb gereden. Ik heb haar een bericht gestuurd waarin stond: "We zullen zien hoe je die handtekening gaat zetten. Met me ding onder je kin komt hellemaal goed. Let maar op is op je eigen manier nu." Ik denk dat zij de auto niet vrijwillig heeft geleased.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 17 januari 2019, opgenomen op pagina 150 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019009403 d.d. 22 februari 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer]:

Vervolgens kwam [verdachte] met het idee om een auto te leasen. Vrij vlot kwam ik er achter dat hij die auto wilde leasen op mijn naam. Ik heb van de WhatsApps een print screen gemaakt welke bij deze aangifte gevoegd kan worden. Ik weet niet meer precies welke datum dit is geweest, maar het moet geweest zijn vlak voordat ik onder dwang toch die auto voor [verdachte] geleased heb en dat is op 30 juni 2018 gebeurd. Ik wist toen ik het bericht van [verdachte] las direct wat hij met 'me ding' bedoelde. Daar bedoelde hij namelijk een vuurwapen mee. Omdat er al vaker dingen tussen ons waren gebeurd waarbij hij met dat vuurwapen had gedreigd, wist ik zeker dat hij het daar nu ook over had.

Nadat [verdachte] mij het eerder genoemde bericht van 'het ding' stuurde, heeft hij mij een aantal dagen zo onder druk gezet dat ik toch het leasecontract voor de auto ben aangegaan. Hij heeft mij bij mij thuis aan de lopende band bedreigd met de dood, zowel met als zonder het tonen van het pistool.

Met betrekking tot het bewijs van dit feit overweegt de rechtbank het volgende.

Uit de verklaringen van verdachte en aangeefster blijkt dat verdachte aangeefster tot het ondertekenen van een leaseovereenkomst heeft aangezet, met als doel dat verdachte de beschikking zou krijgen over de leaseauto. Mede in het licht van de agressieve houding van verdachte, kunnen de WhatsApp-berichten niet anders worden geïnterpreteerd dan dat verdachte heeft bedoeld dat hij een vuurwapen onder de kin van aangeefster zou plaatsen wanneer aangeefster niet zou overgaan tot het ondertekenen van een leaseovereenkomst en de aldus te verkrijgen leaseauto vervolgens ter beschikking te stellen aan verdachte.

De rechtbank acht de tenlastegelegde afpersing derhalve wettig en overtuigend bewezen.

feit 4

De rechtbank acht feit 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 juni 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 16 januari 2019, opgenomen op pagina 136 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019009403 d.d. 22 februari 2019, inhoudend de relatering van verbalisant [verbalisant 2].

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 (subsidiair), 2, 3 (primair) en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. subsidiair

hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 12 september 2018 in de gemeente Groningen meermalen telkens [slachtoffer] heeft mishandeld door haar met kracht te stompen/slaan en te trappen/schoppen, en met een riem te slaan, en met een telefoonoplader aan snoer en spatel te slaan, en met zijn ellebogen naar voren op haar te springen, en met zijn ellebogen te slaan;

2.

hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 12 januari 2019 in de gemeente Groningen meermalen telkens [slachtoffer] heeft bedreigd met

- enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen en goederen

ontstaat, en

- enig misdrijf tegen het leven gericht, en

- zware mishandeling, en

- brandstichting,

door telkens dreigend

- tegen die [slachtoffer] te zeggen en via WhatsApp/ Instagram-gesprekken:

"we zullen zien hoe je die handtekening gaat zetten. Met me ding onder je kin komt hellemaal goed. Let maar op is op je eigen manier nu", en

"Je weet wat ik heb he, je weet wat ik hiermee kan he", en

"Ik heb zin om je dood te maken nu swa", en

"Als jouw moeder mij niet begrijpt is het einde verhaal voor jouw ouders, ik steek hun huis in de fik, ik schiet ze neer", "Iedereen die er zich mee bemoeid gaat eraan", en

"als ik vast moet zitten dan ik vast zitten voor die mensen als ik mijn ding maar heb gedaan", "[naam 1] liegt niet, ze weet wat voor een mannetje ze heeft, ze weet dat haar mannetje mensen dood maakt en shit", "Als je slachtoffer moet worden dan word je gewoon slachtoffer. Als ik moet vast gaan zitten ga ik gewoon vastzitten", "Vorige keer dat je ging zeggen [verdachte] is een klootzak, toen moest ik je al je kanker hoofd gewoon bossen", "ik laat je auto 4 stenen staan, ik fik jouw huis", en

"je durft niet te komen je weet wat ik met je do, ik maak je kanker graf", en

- daarbij een vuurwapen aan die [slachtoffer] te tonen, en

- tegen anderen te zeggen: "Ik zweer het op mijn kinderen, deze vrouw gaat dood, binnen een week. 2019 is geen grap. Ik ga voor haar vast zitten. Ze wordt wakker met glas in haar bek en ik ga haar gezicht verminken", van welke dreigende woorden die [slachtoffer] kennis heeft gekregen

en aldus een voor die [slachtoffer] dreigende situatie heeft geschapen;

3. primair

hij in de periode van 25 juni 2018 tot en met 11 november 2018 in de gemeente Leek met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] heeft gedwongen tot de afgifte van een goed dat aan een ander toebehoort, hetzij tot het aangaan van een schuld, te weten het aangaan van een Lease overeenkomst met betrekking tot een auto (VW Polo, kenteken [kenteken]) en het afgeven/ter beschikking stellen van die auto aan verdachte, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat verdachte dreigend

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd en via whatsapp/Instagram-gesprekken: "we zullen zien hoe je die handtekening gaat zetten. Met me ding onder je kin komt hellemaal goed. Let maar op is op je eigen manier nu", en "Je weet wat ik heb he, je weet wat ik hiermee kan he", en "Ik heb zin om je dood te maken nu swa", en

- daarbij een vuurwapen aan die [slachtoffer] heeft getoond, en

- aldus een voor die [slachtoffer] dreigende situatie heeft geschapen;

4.

hij op 16 januari 2019 te Groningen een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een semiautomatisch gaspistool, van het merk Umarex, type Walther P22, kaliber 9 mm. P.A.K. zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. mishandeling

2. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, met zware mishandeling, met

enig misdrijf waardoor gevaar voor de algemene veiligheid van personen ontstaat

en met brandstichting

3. afpersing

4. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit

begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feiten 1 (subsidiair), 2, 3 (primair) en 4 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van achttien maanden, waarvan negen maanden voorwaardelijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de gevorderde onvoorwaardelijke gevangenisstraf te hoog is. In de strafeis is onvoldoende rekening gehouden met de aard van de feiten en de verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. De raadsman heeft gepleit voor een deels voorwaardelijke sanctie, met daarbij de voorwaarden zoals al eerder door de reclassering waren geadviseerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de diverse rapportages van de reclassering, het psychologisch rapport, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De mishandeling, de bedreiging en de afpersing zijn alle gericht tegen aangeefster, met wie verdachte ten tijde van de bewezenverklaring een relatie onderhield. Het merendeel van de strafbare handelingen vond plaats in de woning van aangeefster. De mishandelingen en bedreigingen, ook met een vuurwapen, hebben met regelmaat en in een periode van negen maanden plaats gevonden. De eigen woning is bij uitstek een plek waar aangeefster veilig hoort te zijn. Die veiligheid is langdurig ernstig geschonden door verdachte. Een van die mishandelingen heeft bovendien plaatsgevonden in het bijzijn van de op dat moment drie jaar oude dochter van aangeefster. Daarnaast heeft verdachte aangeefster gedwongen om voor zijn eigen gerief, financiële verplichtingen aan te gaan. Ook was verdachte in het bezit van een verboden vuurwapen.

De rechtbank is gelet op de aard en de duur van de bewezenverklaarde handelingen van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enige duur zonder meer is gerechtvaardigd.

In het psychologisch rapport van 25 juni 2019 wordt geconcludeerd dat verdachte lijdt aan een lichte verstandelijke ontwikkelingsstoornis en aan antisociale persoonlijkheidstrekken. Uit die ontwikkelingsstoornis vloeien tekortschietende probleemoplossende vaardigheden voort. Er is geen mogelijkheid voor pedagogische beïnvloeding. Geadviseerd wordt het commune strafrecht toe te passen.

Verdachte heeft problemen op alle leefgebieden. Zonder hulp en begeleiding zullen de problemen, spanningen en agressief gedrag bij verdachte toenemen. Geadviseerd wordt een (deels) voorwaardelijke straf in overweging te nemen, met als bijzondere voorwaarden begeleid wonen en ambulante behandeling, gericht op agressieregulatie.

De ontwikkelingsstoornis heeft verdachte belemmerd in het maken van een andere keuze ten tijde van de ten laste gelegde feiten; hij had onvoldoende gedragsalternatieven. Om die reden adviseert de psycholoog om de ten laste gelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank neemt de bevindingen en de adviezen uit het rapport over en betrekt die bij haar oordeel. Gelet op de verminderde toerekeningsvatbaarheid, is de rechtbank van oordeel dat er een kortere gevangenisstraf dient te worden opgelegd dan door de officier van justitie geëist.

Al met al acht de rechtbank een gevangenisstraf van twaalf maanden passend en geboden. De rechtbank legt een deel van die gevangenisstraf, groot vijf maanden, voorwaardelijk op. De rechtbank heeft hierbij als volgt overwogen.

Tijdens de schorsing van de voorlopige hechtenis heeft verdachte er blijk van gegeven weinig waarde te hechten aan het behandel- en begeleidingstraject door de aan hem opgelegde voorwaarden niet na te leven. De verdachte geeft er daarmee blijk van dat hij niet, althans moeilijk aan te sturen valt en zelfbepalend is ten aanzien van de voorwaarden. De rechtbank hecht echter wel waarde aan het behandel- en begeleidingstraject, mede gelet op de leeftijd van verdachte. De rechtbank ziet daarin dan ook reden, om ondanks de van tijd tot tijd weinig coöperatieve opstelling van verdachte, toch bijzondere voorwaarden op te leggen in combinatie met een voorwaardelijke vrijheidsstraf van enige duur. Die bijzondere voorwaarden zien onder andere op het reguleren van verdachtes agressie, en daarmee op het voorkomen van recidive.

Inbeslaggenomen goed

De rechtbank acht het aan verdachte toebehorende inbeslaggenomen goed, te weten een wapen (Walther P22), vatbaar voor onttrekking aan het verkeer nu dit bij gelegenheid van het onderzoek naar de door hem begane feiten is aangetroffen en kan dienen tot het begaan van soortgelijke feiten, terwijl het ongecontroleerde bezit daarvan door verdachte in strijd is met de wet of het algemeen belang.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 6.909,72 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gesteld dat de vordering van de benadeelde partij voldoende is onderbouwd en kan worden toegewezen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat de vordering moet worden afgewezen, voor zover die ziet op de maandelijkse leasetermijnen die verdachte aan benadeelde partij heeft vergoed.

Oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De vordering ziet op schade aan een leaseauto, het gevolg van een eenzijdig ongeval veroorzaakt door verdachte op 11 november 2018, op een verkeersboete, veroorzaakt door verdachte, en op reiskosten. De hoogte van deze schade is niet, althans onvoldoende door verdachte betwist. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de pleegdatum.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedings-maatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f, 57, 285, 300 en 317 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1 (primair) is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 (subsidiair), 2, 3 (primair) en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van twaalf maanden.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot vijf maanden, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. de veroordeelde meldt zich binnen een week na het ingaan van de proeftijd bij

Reclassering Nederland, Leonard Springerlaan 21 te Groningen;

2. de veroordeelde zal zich gedurende de proeftijd laten begeleiden/behandelen door AFPN

of een soortgelijke ambulante forensische zorg, dit ter beoordeling van de reclassering,

waarbij veroordeelde zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die

begeleiding/behandeling door of namens de instelling of de behandelaar zullen worden

gegeven;

3. de veroordeelde zal verblijven bij een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke

opvang, dit ter beoordeling van de reclassering, en hij zal zich houden aan het

(dag)programma dat deze voorziening in overleg met de reclassering heeft opgesteld,

zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

4. de veroordeelde zal meewerken aan middelencontrole, zolang de reclassering dit nodig

acht. De reclassering kan urine- en ademonderzoek gebruiken voor de controle. De

reclassering bepaalt hoe vaak de veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen

van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de

Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid,

van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij

de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder

begrepen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer het in beslag genomen wapen (Walther P22).

Ten aanzien van 18/830013-19, feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 6.909,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2018.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] te betalen een bedrag van € 6.909,72, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 11 november 2018, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door gijzeling voor de duur van 138 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. H.J. Schuth en mr. C. Krijger, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 18 februari 2020.

Mr. Krijger is buiten staat dit vonnis te ondertekenen.