Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:524

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-02-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
18/930177-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

NFK, witwassen. Verdachte heeft zich, tezamen met een ander, gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die afkomstig waren van personen die via Marktplaats waren opgelicht. Hij wordt veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van één jaar.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 63
Wetboek van Strafrecht 420ter
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/930177-17

Vonnis van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 februari 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te P.I. Overijssel - HvB Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 28 januari 2020. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. R.G. Knegt, advocaat te Assen. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 25 februari 2013 tot en met 13 juni 2014, althans in of omstreeks 2013 en/of 2014, te Emmen en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, (telkens) tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte(n), althans alleen,

(van) een of meer voorwerpen, namelijk een of meer geldbedrag(en), te weten:

(op verschillende tijdstippen) in of omstreeks de periode van 5 mei 2014 tot en met 13 juni 2014:

(1) 131,75 euro (aangifte [slachtoffer 1] , p. 135), en/of

(2) 206,75 euro (aangifte [slachtoffer 2] , p. 142), en/of

(3) 96,75 euro (aangifte [slachtoffer 3] , p. 152), en/of

(4) 211,75 euro (aangifte [slachtoffer 4] , p. 159), en/of

(5) 75 euro (aangifte [slachtoffer 5] , p. 180), en/of

(6) 200 euro (aangifte [slachtoffer 6] , p. 191), en/of

(7) 125 euro (aangifte [slachtoffer 7] , p. 202), en/of

(8) 175 euro (aangifte [slachtoffer 8] , p. 211), en/of

(9) 126,75 euro (aangifte [slachtoffer 9] , p. 218), en/of

(10) 266,75 (aangifte [slachtoffer 10] , p. 227), en/of

(11) 260 euro (aangifte [slachtoffer 11] , p. 234), en/of

(12) 85 euro (aangifte [slachtoffer 12] , p. 245), en/of

(13) 91,75 euro (aangifte [slachtoffer 13] , p. 252), en/of

(14) 133,05 euro (aangifte [slachtoffer 14] , p. 260), en/of

(15) 247 euro (aangifte [slachtoffer 15] , p. 275), en/of

(16) 237,95 euro (aangifte [slachtoffer 16] , p. 288), en/of

(17) 110 euro (aangifte [slachtoffer 17] , p. 295), en/of

(18) 185 euro, (aangifte [slachtoffer 18] , p. 302) en/of

(19) 86,75 euro (aangifte [slachtoffer 19] , p. 314), en/of

(20) 153,05 euro (aangifte [slachtoffer 20] , p. 321) , en/of

(21) 107,75 euro (aangifte [slachtoffer 21] en/of [slachtoffer 22] , p. 328), en/of

(22) 76,25 euro (aangifte [slachtoffer 23] , p. 339), en/of

(23) 146,74 euro (aangifte [slachtoffer 24] , p. 349), en/of

(24) 231,75 euro (aangifte [slachtoffer 25] , p. 360), en/of

(25) 281 euro (aangifte [slachtoffer 26] , p. 370), en/of

(26) 206,75 euro (aangifte [slachtoffer 27] , p. 385), en/of

(27) 246,75 euro (aangifte [slachtoffer 28] , p. 392), en/of

(28) 116,75 euro (aangifte [slachtoffer 29] , p. 403), en/of

(29) 150 euro (aangifte [slachtoffer 30] , p. 412), en/of

(30) 76,75 euro (aangifte [slachtoffer 31] , p. 424), en/of

(31) 280 euro (aangifte [slachtoffer 32] , p. 438), en/of

(32) 99,99 euro (aangifte [slachtoffer 33] , p. 448), en/of

(33) 165 euro (aangifte [slachtoffer 34] , p. 470), en/of

(34) 86,75 euro (aangifte [slachtoffer 35] , p. 481), en/of

(35) 85 euro (aangifte [slachtoffer 36] , p. 492), en/of

(36) 213 euro (aangifte [slachtoffer 37] , p. 499), en/of

(37) 185 euro (aangifte [slachtoffer 38] , p. 506), en/of

(38) 107 euro (aangifte [slachtoffer 39] , p. 515), en/of

in of omstreeks de periode van 25 tot en met 26 februari 2013:

(39) 187 euro (aangifte [slachtoffer 40] , p. 522), en/of

in of omstreeks de periode van 5 mei 2014 tot en met 13 juni 2014:

(40) 136,75 euro (aangifte [slachtoffer 41] , p. 531),

zijnde in totaal 6391,03 euro, althans (telkens) een hoeveelheid geld,

heeft verworven en/of voorhanden gehad en/of overgedragen en/of omgezet, althans gebruik heeft gemaakt, immers heeft verdachte (telkens) dat/die geldbedrag(en) ontvangen op

verdachtes bankrekening [rekeningnummer] en/of (direct) daarna dat/die geldbedrag(en) (deels) opgenomen en/of doorgeboekt en/of daarmee winkelbetalingen verricht, althans bestedingen gedaan, terwijl hij (telkens) wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde. Er is wettig en overtuigend bewijs dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen, omdat hij had moeten begrijpen dat de geldbedragen die gedurende een lange periode op zijn rekening werden gestort afkomstig waren van een misdrijf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte slechts zijn rekening ter beschikking heeft gesteld aan ene [naam] , zodat daar geldstortingen op konden worden gedaan. In opdracht van die [naam] heeft verdachte meerdere malen contante opnames gedaan van de bankrekening en heeft deze vervolgens overgedragen aan [naam] . Verdachte heeft hiervoor steeds kleine vergoedingen gekregen. De rekening van verdachte betrof een leefgeldrekening en verdachte stond onder bewind. Hij had derhalve geen inzicht in de bedragen die op de bankrekening werden gestort, waar deze vandaan kwamen en welke omschrijvingen daarbij werden gegeven. Verdachte kreeg enkel van [naam] te horen wanneer hij geld van de rekening moest halen. Achteraf gezien, en met de kennis van nu, had verdachte beter moeten weten. Maar op het moment van handelen had verdachte niet de wetenschap dat de geldbedragen van misdrijf afkomstig waren. Verdachte heeft weinig opleiding genoten. Om die reden kan hem niet worden verweten, dat hij wel had moeten weten dat de gelden afkomstig van misdrijf zouden kunnen zijn.

Oordeel van de rechtbank 1

De rechtbank stelt voorop dat vast is komen te staan dat de veertig in de tenlastelegging opgenomen geldbedragen die in de periode van 25 februari 2013 tot en met 13 juni 2014 zijn gestort op bankrekening [rekeningnummer] , uit misdrijf afkomstig zijn.

De verschillende bedragen zijn telkens gestort door aangevers die meenden aankopen via Marktplaats te hebben gedaan. Zij bleken echter zaken te doen met niet bestaande personen en zij hebben allen de aangekochte producten nooit ontvangen.2 Aldus zijn de in de tenlastelegging genoemde personen opgelicht.

Uit onderzoek is gebleken dat het bankrekeningnummer [rekeningnummer] op naam staat van [verdachte] , wonende te Emmen.3 Al de bovenomschreven overboekingen zijn terug te vinden op de in het dossier opgenomen bankrekeningafschriften van voornoemd bankrekeningnummer. Uit deze bankrekeningafschriften blijkt tevens dat er in de ten laste gelegde periode verschillende malen opnames hebben plaatsgevonden bij geldautomaten in Emmen.4

Verdachte heeft zich bij de politie beroepen op zijn zwijgrecht. Ter terechtzitting heeft hij wel een verklaring afgelegd. Deze verklaring komt er op neer dat verdachte erkent dat hij gebruik heeft gemaakt van voornoemd bankrekeningnummer, omdat daar zijn leefgeld op werd gestort. Hij heeft indertijd ene [naam] leren kennen in een café en heeft zich door hem

- tegen een kleine vergoeding - laten verleiden tot het ter beschikking stellen van zijn bankrekening. De afspraak was dat er geldbedragen op de bankrekening van verdachte werden gestort en dat verdachte vervolgens, als [naam] hierom vroeg, geldopnames zou verrichten en deze zou overdragen aan [naam] . Dit heeft verdachte meerdere keren gedaan. Verdachte kreeg hiervoor per opname een vergoeding van rond de 10 euro. Hij stelt dat hij niet wist dat de gestorte geldbedragen uit misdrijf afkomstig waren, omdat hij aan [naam] had gevraagd of hij er problemen mee zou krijgen waarop [naam] ontkennend had geantwoord. Daarnaast had hij geen inzicht in de bankrekening(afschriften), omdat deze niet bij hem, maar bij de bewindvoerder binnenkwamen.5

Met betrekking tot deze verklaring overweegt de rechtbank het volgende. Op basis van het dossier valt niet uit te sluiten dat het door verdachte geschetste scenario klopt, zodat de rechtbank uitgaat van de juistheid van dit verhaal. Verdachte heeft aldus aan een persoon die hij niet (goed) kende toestemming gegeven om geldbedragen op zijn bankrekening te laten storten, terwijl hij niet wist waar dat geld precies van afkomstig was. Vervolgens heeft hij meerdere keren geldbedragen contant opgenomen en afgegeven. Hiervoor kreeg verdachte steeds een geldelijke vergoeding. Verdachte heeft, toen hij blijkbaar twijfels had bij deze gang van zaken, geen onderzoek verricht naar de op zijn bankrekening ontvangen geldbedragen en heeft volstaan met de vraag aan de genoemde persoon of hij niet in de problemen zou komen. Toen deze antwoordde dat hij niet in de problemen zou komen, is hij met de verweten handelingen doorgegaan. De rechtbank is van oordeel dat verdachte onder deze omstandigheden bewust de ogen heeft gesloten voor de herkomst van de geldbedragen en daarmee de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de op zijn bankrekening gestorte geldbedragen van misdrijf afkomstig waren en dat dankzij zijn handelen de gestorte geldbedragen werden witgewassen.

Gelet op de hoeveelheid en frequentie van de stortingen en opnames op- en van de bankrekening van verdachte, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gewoonte heeft gemaakt van het witwassen.

Uitgaande van de verklaring van verdachte wist [naam] van het door de opgelichte aangevers storten van de geldbedragen op de bankrekening van verdachte en heeft verdachte de gelden op instructie van [naam] van de bankrekening opgenomen en aan hem overhandigd, waarna verdachte volgens afspraak een klein deel van het geld mocht houden. Gelet op deze door verdachte en [naam] gehanteerde constructie, de frequentie van de stortingen en de duur van de gepleegde handelingen, is er sprake geweest van een nauwe bewuste samenwerking tussen verdachte en [naam] om de gestorte bedragen wit te wassen. De rechtbank acht om die reden het medeplegen van gewoontewitwassen bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 25 februari 2013 tot en met 13 juni 2014, te Emmen, meermalen, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachte, van voorwerpen, namelijk geldbedragen, te weten:

op verschillende tijdstippen in de periode van 5 mei 2014 tot en met 13 juni 2014:

(1) 131,75 euro, en

(2) 206,75 euro, en

(3) 96,75 euro, en

(4) 211,75 euro, en

(5) 75 euro, en

(6) 200 euro, en

(7) 125 euro, en

(8) 175 euro, en

(9) 126,75 euro, en

(10) 266,75, en

(11) 260 euro, en

(12) 85 euro, en

(13) 91,75 euro, en

(14) 133,05 euro, en

(15) 247 euro, en

(16) 237,95 euro, en

(17) 110 euro, en

(18) 185 euro, en

(19) 86,75 euro, en

(20) 153,05 euro, en

(21) 107,75 euro, en

(22) 76,25 euro, en

(23) 146,74 euro, en

(24) 231,75 euro, en

(25) 281 euro, en

(26) 206,75 euro, en

(27) 246,75 euro, en

(28) 116,75 euro, en

(29) 150 euro, en

(30) 76,75 euro, en

(31) 280 euro, en

(32) 99,99 euro, en

(33) 165 euro, en

(34) 86,75 euro, en

(35) 85 euro, en

(36) 213 euro, en

(37) 185 euro, en

(38) 107 euro, en

in de periode van 25 tot en met 26 februari 2013:

(39) 187 euro, en

in de periode van 5 mei 2014 tot en met 13 juni 2014:

(40) 136,75 euro,

zijnde in totaal 6391,03 euro,

heeft verworven en voorhanden gehad en omgezet, immers heeft verdachte telkens die geldbedragen ontvangen op verdachtes bankrekening [rekeningnummer] en daarna die geldbedragen (deels) opgenomen, terwijl hij telkens wist dat die voorwerpen afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van een gewoonte maken van witwassen.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden. Bij het bepalen van de eis is rekening gehouden met de forse overschrijding van de redelijke termijn en het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht (Sr).

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit om in geval van een bewezenverklaring rekening te houden met de forse overschrijding van de redelijke termijn en het feit dat artikel 63 Sr meerdere malen van toepassing is. Met verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank (ECLI:NL:RBNNE:

2019:466) heeft de raadsman betoogd om verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van straf of maatregel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het rapport van de reclassering d.d. 20 januari 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich tezamen met een ander gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan het witwassen van geldbedragen die afkomstig waren van personen die via Marktplaats waren opgelicht. De geldbedragen werden op de bankrekening van verdachte gestort, waarna verdachte deze hiervan afhaalde en aan een ander overhandigde. Verdachte kreeg hier steeds een vergoeding voor. Door witwassen wordt de integriteit van het financiële en economische verkeer aangetast en meer specifiek het vertrouwen van de burger in het (digitale) handelsverkeer. Ook bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten. Door het (faciliteren van het) wegsluizen van crimineel geld wordt de opsporing van onderliggende misdrijven bemoeilijkt. Verdachte heeft enkel uit geldelijk gewin gehandeld omdat hij - naar eigen zeggen - krap bij kas zat en leefde van de bijstand.

De rechtbank is van oordeel dat dit misdrijf zo ernstig is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden, conform de eis van de officier van justitie, in beginsel op zijn plaats is.

Er dient evenwel rekening te worden gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr, omdat onderhavig feit bij veroordelingen van na de pleegperiode meegenomen had kunnen worden. Dit is met name van belang omdat verdachte van de rechtbank op 16 augustus 2019 voor andere feiten een gevangenisstraf van 9 jaar opgelegd heeft gekregen.

Daarnaast is in deze zaak de redelijke termijn waarbinnen de zaak afgedaan had moeten worden, in aanzienlijke mate overschreden.

Alles afwegende acht de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van één jaar, passend en geboden. De rechtbank ziet geen aanleiding om aan deze straf bijzondere voorwaarden te verbinden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 47, 63 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 1 jaar aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. L.W. Janssen en mr. C.H. Beuker, rechters, bijgestaan door mr. A.A. de Haan-Geertsema, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 februari 2020.

Mr. De Haan-Geertsema is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit bladzijden uit het dossier van de politie, eenheid Noord-Nederland, district Drenthe, met nummer 2017132725. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde personen, opgemaakt proces-verbaal.

2 Processen-verbaal van aangifte, p. 135, 142, 152, 159, 180, 191, 202, 211, 218, 227, 234, 245, 252, 260, 275, 288, 295, 302, 314, 321, 328, 339, 349, 360, 370, 385, 392, 403, 412, 424, 438, 448, 470, 481, 492, 499, 506, 515, 522 en 531.

3 Proces-verbaal van bevindingen, p. 548.

4 Rekeningafschriften ABN-AMRO bank p. 1048 t/m 1107.

5 Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 28 januari 2020.