Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:523

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
06-02-2020
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
18/830224-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

diefstal met geweld in vereniging en diefstallen

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Wetboek van Strafrecht 312
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830224-19

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummers 18/820467-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 6 februari 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1985 te [geboorteplaats] ,

thans gedetineerd te PI Overijssel, PIV, te Zwolle.

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 23 januari 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. B. van Elst, advocaat te Utrecht. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. G. Wilbrink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1. Primair

zij op of omstreeks 16 oktober 2019 te Groningen, op de Vismarkt, althans op de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening weg te nemen een geldbedrag en/of (andere) goederen van haar/hun gading, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader, en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan en/of te doen vergezellen en/of te doen volgen van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan haar mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, tezamen met haar mededader, althans alleen:

- die [slachtoffer 1] (na/bij het pinnen bij een geldautomaat) (dreigend/intimiderend) heeft benaderd en/of

- ( intimiderend) dichtbij die [slachtoffer 1] is gaan staan en/of zich aan die [slachtoffer 1] heeft opgedrongen en/of - die [slachtoffer 1] een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 1] (dreigend) heeft toegevoegd de woorden "Ik wil je geld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- met een hand heeft gevoeld in een broekzak en/of de kleding van die [slachtoffer 1] , althans met een hand een broekzak en/of de kleding van die [slachtoffer 1] heeft afgetast, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

zij op of omstreeks 16 oktober 2019 te Groningen, op de Vismarkt, althans op de openbare weg, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in

vereniging met een ander, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 1] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag en/of (andere) goederen van haar/hun gading, in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan die [slachtoffer 1] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededader, tezamen met haar mededader, althans alleen:

- die [slachtoffer 1] (na/bij het pinnen bij een geldautomaat) (dreigend/intimiderend) heeft benaderd en/of

- ( intimiderend) dichtbij die [slachtoffer 1] is gaan staan en/of zich aan die [slachtoffer 1] heeft opgedrongen en/of

- die [slachtoffer 1] een mes, althans een op een mes gelijkend voorwerp, heeft getoond en/of voorgehouden en/of

- die [slachtoffer 1] (dreigend) heeft toegevoegd de woorden "Ik wil je geld", althans woorden van gelijke (dreigende) aard en/of strekking en/of

- met een hand heeft gevoeld in een broekzak en/of de kleding van die [slachtoffer 1] , althans met een hand een broekzak en/of de kleding van die [slachtoffer 1] heeft afgetast,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in of omstreeks het tijdvak van 24 t/m 25 mei 2019 te Groningen (in/uit een woning aan de [straatnaam]), een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

en/of dat

zij op of omstreeks 25 mei 2019 te Groningen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat (telkens) geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] , (telkens) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte (telkens) die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) goederen te kopen/aan te schaffen waarbij zij, verdachte, (telkens) contactloos heeft betaald met een op naam van [slachtoffer 2] staande bankpas, althans met een niet op haar, verdachtes, naam staande bankpas;

3.

zij op of omstreeks 1 juni 2019 te Groningen (in/uit een woning aan de [straatnaam] ), een portemonnee met inhoud, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

en/of dat

zij op of omstreeks 1 juni 2019 te Groningen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat (telkens) geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 3] , (telkens) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte (telkens) die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) goederen te kopen/aan te schaffen waarbij zij, verdachte, (telkens) contactloos heeft betaald met een op naam van [slachtoffer 3] staande bankpas, althans met een niet op haar, verdachtes, naam staande bankpas;

4.

zij op of omstreeks 11 juni 2019 te Groningen (in/uit een gebouw van een peuteropvang aan de [straatnaam] ), een bankpas, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

en/of dat

zij op of omstreeks 11 juni 2019 te Groningen, meermalen, althans eenmaal, (telkens) een geldbedrag, in elk geval enig goed, dat (telkens) geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , (telkens) heeft weggenomen (telkens) met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte (telkens) die/dat weg te nemen geldbedrag(en) onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door (telkens) goederen te kopen/aan te schaffen waarbij zij, verdachte, (telkens) contactloos heeft betaald met een op naam van [slachtoffer 4] staande bankpas, althans met een niet op haar, verdachtes, naam staande bankpas;

5.

zij op of omstreeks 14 juni 2019 te Groningen, althans in Nederland met het oogmerk om zich en/of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of een en/of een valse hoedanigheid en/of door listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [slachtoffer 5] (wonende aan de [straatnaam] ) heeft bewogen tot de afgifte van enig goed, te weten 20 euro, althans een geldbedrag, hebbende verdachte met vorenomschreven oogmerk - zakelijk weergegeven - valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid tegen die [slachtoffer 5] gezegd dat zij, verdachte,

- op het adres [straatnaam] , althans in de buurt van [slachtoffer 5] , woonde en/of

- zichzelf had buitengesloten, door haar sleutels binnen te laten liggen en/of

- met haar moeder naar het ziekenhuis in Zwolle moest en/of

- 20 euro wilde lenen en het geld diezelfde dag terug zou geven, waardoor die [slachtoffer 5] werd bewogen tot bovengenoemde afgifte.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1 primair, 2, 3, 4 en 5.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1. Hij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Verdachte heeft de straatroof ontkend. Zij heeft verklaard dat ze er wel bij is geweest en het heeft zien gebeuren, maar dat zij tussen medeverdachte en aangever in is gaan staan om erger te voorkomen. Op camerabeelden is te zien dat verdachte haar hand in de buurt van de broekzak van aangever heeft. Verdachte is zich hier niet bewust van geweest.

Voor de onder 5 ten laste gelegde oplichting moet eveneens vrijspraak volgen. Aangeefster is een bekende van verdachte, zodat geen sprake is geweest van een valse hoedanigheid of een samenweefsel van verdichtsels. Verdachte had daadwerkelijk het geld geleend voor haar zieke moeder. Dat ze het geld vervolgens heeft gebruikt om haar verslaving te kunnen bekostigen maakt niet dat sprake is van oplichting.

De overige feiten heeft verdachte bekend, zodat de raadsman zich ten aanzien van die feiten refereert aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

Feit 5 - vrijspraak

De rechtbank overweegt als volgt. Voor een antwoord op de vraag of uit door verdachte gebezigde leugenachtige mededelingen kan worden afgeleid dat het slachtoffer door een samenweefsel van verdichtsels werd bewogen tot afgifte van een goed, komt het aan op de omstandigheden van het geval. In onderhavige zaak heeft verdachte in strijd met haar toezegging niet de geleende twintig euro terugbetaald. Blijkens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet er voor het aannemen van een samenweefsel van verdichtsels sprake zijn van meer dan een leugenachtige mededeling. Nu hier sprake is geweest van één kennelijke leugen kan de ten laste gelegde oplichting niet wettig en overtuigend worden bewezen.

Feit 1 primair

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 23 januari 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik was erbij. Ik zag dat de man ineens begon te praten tegen die student en een dolk in zijn hand had. Ik zei tegen de student dat hij beter het geld kon geven, omdat de man straks nog doordraaide.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 16 oktober 2019, opgenomen op pagina 1 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019274922 d.d. 24 oktober 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Op woensdag 16 oktober 2019, omstreeks 03:34 uur, stond ik aan de Vismarkt naast de Xenos winkel bij de geld automaten van Geld Maat. Ik heb mijn ABN-AMRO bankpas in de

automaat gestopt en heb voor 50 euro gepind. Op het moment dat ik aan het wachten was op

mijn geld, hoorde ik recht achter mij een mannen stem. De persoon zei: "he jongen of "he gast". Ik draaide mij om. Ik hield mijn hand op de klep waar het geld uit kwam. Ik heb het biljet van 50 euro in mijn rechter broekzak aan de voorkant van mijn broek gestopt achter mijn telefoon. De man hield het mes onderhands stevig vast. Naast de man stond ook een vrouw. Deze vrouw hoorde bij de man. Alles wees erop dat ze bij elkaar hoorden. De vrouw vertelde dat zij volgende week pas hun uitkering zouden krijgen. De man heeft ongeveer 10 seconden het mes aan mij laten zien. Hierna borg hij het mes op in zijn jas. Hij zei: "ik wil je geld". De vrouw ging tussen mij en de man in staan. De vrouw duwde ons wat uit elkaar. Ik voelde dat er iets aan mijn broekzak zat. Dit bleek de hand van de vrouw te zijn. Ik heb geen geld afgegeven en er is ook geen geld van mij ontvreemd.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d.16 oktober 2019, opgenomen op pagina 70 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van verdachte:

We kwamen bij de ABN op de Vismarkt. Toen ik naar de geldautomaat liep zag ik een jongen daar staan. De man die bij mij was al voor mij. Hij sprak de jongen aan die bij de geldautomaat stond. Ik hoorde dat hij geld wilde van die jongen.

V: Heb jij ook geld gezien bij die jongen?

A: Ja toen hij vijftig euro uit de automaat haalde.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen, met bijlagen, d.d. 17 oktober 2019, opgenomen op pagina 12 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op de beelden is te zien dat er een man, kennelijk aangever [slachtoffer 1] aan het pinnen is op 16 oktober 2019 omstreeks 03.36 uur. Er komt een man achter hem staan voorzien van een blauwe baseballpet. Te zien is dat de man een dolk/ mes uit zijn binnenzak pakt en dit toont aan aangever. Vervolgens komt er een tweede persoon bij, vermoedelijk een vrouw zoals aangever verklaarde. Er wordt kennelijk enige tijd gesproken. Er is te zien dat de man het mes terug stopt. De vrouw pakt aangever bij de schouder. Er komt op dat moment een man aangelopen die vervolgens gaat pinnen bij een van de automaten. De man met de pet praat tegen aangever en wijst met zijn vinger naar hem. Te zien is dat de vrouw dicht tegen de aangever aanstaat. Aangever die een kop groter is kijkt over haar heen naar de man met de pet. Terwijl aangever met de man met de pet spreekt kijkt de vrouw naar de kleding van de aangever. Te zien is dat de vrouw met haar linkerhand bij de rechterbroekzak van aangever zit. Kennelijk schrikt aangever, de vrouw trekt haar hand terug en beiden spreiden hun armen. Kort hierna verdwijnen ze uit beeld.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuige d.d. 16 oktober 2019, opgenomen op pagina 4 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige] :

A: Op het moment dat ik daar kwam was de man al aan het praten met de man en de vrouw. Ik heb niet gezien dat hij zelf geld pinde.

V: Waar stonden de man en de vrouw ten opzichte van de man die geld pinde?

A: Ze stonden heel dicht bij hem, praktisch een centimeter bij hem vandaan.

V: Hoe zag dat voor jou eruit?

A: Hij wilde geld.

V: Heb je gezien wat de man en de vrouw van de man wilden?

A: Geld. De vrouw vroeg mij ook om geld.

Bewijsoverwegingen

De rechtbank is van oordeel dat het door verdachte geschetste scenario dat zij niet actief betrokken is geweest bij de straatroof, maar slechts tussen haar medeverdachte en het slachtoffer in is gaan staan om erger te voorkomen, wordt weerlegd door de inhoud van de hiervoor opgenomen bewijsmiddelen. Uit deze bewijsmiddelen volgt dat sprake is geweest van een bewuste en nauwe samenwerking tussen verdachte en haar medeverdachte.

Feiten 2, 3 en 4

De rechtbank acht feiten 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.
Deze opgave luidt als volgt:

Feit 2

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 januari 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, met bijlage, d.d. 25 mei 2019, opgenomen op pagina 13 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019212543 d.d. 19 augustus 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 2] .

Feit 3

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 januari 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 6 augustus 2019, opgenomen op pagina 18 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019212543 d.d. 19 augustus 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] .

Feit 4

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 23 januari 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte, met bijlage, d.d. 11 juni 2019, opgenomen op pagina 36 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2019212543 d.d. 19 augustus 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1 primair, 2, 3 en 4 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. Primair

zij op 16 oktober 2019 te Groningen op de Vismarkt ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een geldbedrag toebehorende aan [slachtoffer 1] en daarbij die voorgenomen diefstal te doen voorafgaan van bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 1] , te plegen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, tezamen met haar mededader:

- die [slachtoffer 1] na het pinnen bij een geldautomaat dreigend heeft benaderd en

- intimiderend dichtbij die [slachtoffer 1] is gaan staan en zich aan die [slachtoffer 1] heeft opgedrongen en

- die [slachtoffer 1] een mes heeft getoond en

- die [slachtoffer 1] dreigend heeft toegevoegd de woorden "Ik wil je geld" en

- met een hand een broekzak van die [slachtoffer 1] heeft afgetast, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.

zij in het tijdvak van 24 t/m 25 mei 2019 te Groningen in/uit een woning aan de [straatnaam], een portemonnee met inhoud, die aan een ander toebehoorde, heeft weggenomen, met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en

dat zij op 25 mei 2019 te Groningen, meermalen, een geldbedrag dat toebehoorde aan [slachtoffer 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens goederen te kopen waarbij zij, verdachte, contactloos heeft betaald met een op naam van [slachtoffer 2] staande bankpas;

3.

zij op 1 juni 2019 te Groningen in/uit een woning aan de [straatnaam] een portemonnee met inhoud die toebehoordeaan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen, met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en

dat zij op 1 juni 2019 te Groningen, meermalen, een geldbedrag dat toebehoorde aan [slachtoffer 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens goederen te kopen waarbij zij, verdachte, contactloos heeft betaald met een op naam van [slachtoffer 3] staande bankpas;

4.

zij op 11 juni 2019 te Groningen in/uit een gebouw van een peuteropvang aan de [straatnaam] , een bankpas die toebehoorde aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen en

dat zij op of omstreeks 11 juni 2019 te Groningen, meermalen een geldbedrag dat toebehoorde aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder haar bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, door telkens goederen te kopen waarbij zij, verdachte, contactloos heeft betaald met een op naam van [slachtoffer 4] staande bankpas;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. primair Poging tot diefstal met geweld in vereniging.

2. Diefstal

en

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

3. Diefstal

en

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

4. Diefstal

en

Diefstal, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van een valse sleutel, meermalen gepleegd

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van feit 1 primair, 2, 3 en 4 wordt veroordeeld tot de maatregel van plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders (hierna: ISD-maatregel) voor de duur van maximaal twee jaren. In dit kader kan ze behandeld worden voor haar verslavingsproblematiek.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangegeven dat verdachte klinisch behandeld wil worden voor haar verslavingsproblematiek. Deze behandeling moet zo spoedig mogelijk worden opgestart. De raadsman heeft de rechtbank verzocht te bepalen dat na een half jaar de ISD-maatregel wordt getoetst om inzicht te krijgen in het verloop van de ISD-maatregel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de reclasseringsrapportages van Verslavingszorg Noord Nederland, als ook de toelichting hierop ter zitting van deskundige de heer Enserink, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van een straatroof samen met een ander en een drietal diefstallen van onder andere pinpassen waarmee zij vervolgens verschillende bedragen heeft gepind. Met name de straatroof is een ernstig feit dat de angstgevoelens in de samenleving aanwakkert. Verdachte heeft er keer op keer blijk van gegeven geen respect voor de eigendommen van een ander te hebben.

De rechtbank heeft in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten. Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte een forse justitiële geschiedenis kent en een langdurige verslavingsproblematiek. Tot dusver hebben de ingezette behandel- en begeleidingstrajecten niet geleid tot een blijvende gedragsverandering. Na een periode van stabiliteit (veelal na een detentieperiode) is verdachte opnieuw harddrugs gaan gebruiken, waarbij ze eenvoudig en snel is teruggevallen in zeer problematisch gebruik. Verdachte erkent haar problemen en is bereid deze aan te pakken, maar blijft beperkt in haar mogelijkheden. Allesoverheersend hierin is het feit dat ze, buiten de structuur van behandeling of woonvoorziening, keer op keer haar verslavingsgedrag niet onder controle heeft gekregen. Dit heeft geleid tot kortdurende periodes van detentie, afgewisseld met moeizame periodes van middelengebruik en recidive veelal op het gebied van vermogensdelicten. De reclassering ziet geen andere optie dan te adviseren om aan verdachte een onvoorwaardelijke ISD-maatregel te adviseren. De deskundige, de heer Enserink, heeft het reclasseringsrapport bevestigd en aangegeven dat de voorkeur uitgaat naar een ISD-maatregel met een langdurig klinisch behandeltraject. Een ISD-maatregel in voorwaardelijke vorm met bijzondere voorwaarden is een gepasseerd station.

De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van de bewezen geachte feiten aan alle voorwaarden is voldaan die artikel 38m van het Wetboek van Strafrecht aan het opleggen van de ISD-maatregel stelt. Hiervoor is bewezen verklaard dat verdachte misdrijven heeft begaan waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. Uit het uittreksel Justitiële Documentatie van 23 december 2019 blijkt dat verdachte gedurende een periode van vijf jaren voorafgaand aan 24 mei 2019 meer dan driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsbenemende straf, terwijl de in dit vonnis bewezen verklaarde feiten zijn begaan na tenuitvoerlegging van deze straffen. Zoals blijkt uit het reclasseringsrapport, welke wordt aangemerkt als een rapportage in de zin van artikel 38m vierde lid, Wetboek van Strafrecht, moet ernstig rekening worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal plegen. Verder eist de veiligheid van goederen het opleggen van deze maatregel, gezien de ernst en het aantal van de door verdachte begane soortgelijke feiten. Ook aan de voorwaarden uit de Richtlijn voor Strafvordering bij meerderjarige veelplegers van het Openbaar Ministerie is voldaan. Verdachte is een zeer actieve veelpleger, die over een periode van vijf jaar voorafgaand aan de bewezen verklaarde feiten meer dan tien processen-verbaal tegen zich zag opgemaakt, waarvan ten minste één in de laatste twaalf maanden, terug te rekenen van het laatst gepleegde feit op 16 oktober 2019.

De rechtbank neemt in overweging dat is gebleken dat eerdere behandel- en begeleidingstrajecten niet hebben geleid tot een gedragsverandering bij verdachte. Verdachte is steeds opnieuw teruggevallen in middelengebruik en daardoor zich schuldig blijven maken aan het plegen van strafbare feiten. Verdachte weet dat zij kampt met ernstige verslavingsproblematiek en wil ook meewerken aan behandeling. Voor de verlaging van het recidiverisico acht de rechtbank het van belang dat verdachte zal meewerken aan de binnen het kader van de ISD-maatregel aangeboden behandelingen. Om de mogelijkheden van de ISD-maatregel maximaal te kunnen benutten is het belangrijk dat voldoende tijd wordt genomen om de maatregel ten uitvoer te leggen. Daarom zal de rechtbank de maatregel voor een termijn van twee jaren opleggen. De rechtbank ziet geen aanleiding om op voorhand de voortzetting van de tenuitvoerlegging van de maatregel na zes maanden tussentijds te toetsen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 26 april 2019 van de politierechter in de rechtbank Noord-Nederland te Groningen, is verdachte veroordeeld tot - onder meer - een gevangenisstraf van 185 dagen, waarvan 100 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. De proeftijd is ingegaan op 11 mei 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 9 januari 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de bewezenverklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. De rechtbank zal de vordering ten uitvoerlegging echter afwijzen nu in de hoofdzaak de ISD-maatregel zal worden opgelegd en het toewijzen van de vordering in de ogen van de rechtbank geen toegevoegde waarde heeft.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 38m, 38n, 45, 57, 311, 312 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 5 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Legt op

de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor stelselmatige daders voor de duur van twee jaren.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer 18/820467-18:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 26 april 2019.

Dit vonnis is gewezen door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. S. Timmermans en mr. R.R. van der Heide, rechters, bijgestaan door mr. L.S. Gosselaar, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 6 februari 2020.