Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:5032

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
21-12-2020
Datum publicatie
04-02-2021
Zaaknummer
LEE 19/4329
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Deze zaak gaat over de aanwijzing van een boerderij als gemeentelijk monument. De huidige bouwkundige staat van het pand en de vereiste herstelwerkzaamheden zijn niet zo ingrijpend dat de aanwijzing daardoor als onredelijk moet worden gezien. Beroep ongegrond.

Wetsverwijzingen
Erfgoedverordening 2018 gemeente Midden-Groningen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 19/4329

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 december 2020 in de zaak tussen

[Eiser] , te [woonplaats] , eiser,

(gemachtigde: P. Sipma),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Midden-Groningen, verweerder

(gemachtigde: E. Jansema).

Procesverloop

Bij besluit van 17 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de boerderij van eiser aan de [adres] te [woonplaats] aangewezen als gemeentelijk monument.

Bij besluit van 29 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser gedeeltelijk gegrond, gedeeltelijk ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en zijn zoon. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Feiten en omstandigheden

1. De rechtbank gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1. Op 18 juni 2018 heeft verweerder een selectie van 120 objecten in de gemeente

Midden-Groningen vastgesteld die in aanmerking komen voor de status als gemeentelijk monument, waaronder de woning van eiser. Op 23 november 2018 heeft verweerder aan eiser een voornemen tot aanwijzing gestuurd.

1.2. Op 11 maart 2019 heeft eiser een zienswijze ingediend tegen het voornemen. Op 8 april 2019 heeft eiser de zienswijze aangevuld.

1.3. In het primaire besluit heeft verweerder besloten om de woning van eiser aan te wijzen als gemeentelijk monument. Het gaat daarbij om een boerderij met stookhut, gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] . De bijschuur en de vrijstaande schuur op het perceel van eiser zijn niet als monument aangewezen.

1.4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Eiser heeft zijn bezwaren mondeling toegelicht tijdens een zitting van de commissie voor de bewaarschriften van de gemeente Midden-Groningen (de commissie) op 12 september 2019. Op 3 oktober 2019 heeft de commissie advies uitgebracht en geadviseerd om het bezwaar van eiser deels gegrond en deels ongegrond te verklaren. Tevens heeft de commissie geadviseerd om een proceskostenvergoeding toe te kennen.

1.5. Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar van eiser deels gegrond verklaard. Verweerder heeft het primaire besluit onder aanvulling van de motivering in stand gelaten. Daarnaast heeft verweerder, anders dan de commissie heeft geadviseerd, besloten om geen proceskostenvergoeding toe te kennen.

Toepasselijke regelgeving

2. De raad van de gemeente Midden-Groningen heeft op 18 mei 2018 de Erfgoedverordening 2018 gemeente Midden-Groningen (de Erfgoedverordening) vastgesteld.

Ingevolge artikel 1, eerste lid van de Erfgoedverordening wordt in deze verordening en de daarop berustende voorschriften, tenzij anders is bepaald, verstaan onder:

gemeentelijk monument: monument of archeologisch monument dat is ingeschreven in het gemeentelijk erfgoedregister.

Ingevolge artikel 5, eerste lid van de Erfgoedverordening kan het college, al dan niet op aanvraag van een belanghebbende, besluiten een monument of archeologisch monument dat van bijzonder belang is voor de gemeente vanwege zijn schoonheid, betekenis voor de wetenschap of cultuurhistorische waarde aan te wijzen als gemeentelijk monument.

Overwegingen

3. Tussen partijen is in geschil of verweerder terecht en op juiste gronden de woning van eiser als gemeentelijk monument heeft aangewezen.

4 Cultuurhistorische waarde en staat van de boerderij

4.1.

Eiser voert allereerst aan dat hij zich niet kan verenigen met de gestelde monumentale waarde van zijn boerderij. Eiser betoogt dat de woning niet meer een zodanige mate gaafheid vertoont als verweerder daaraan heeft toegekend. Eiser wijst erop dat vele originele onderdelen zijn verdwenen of vervangen sinds de bouw in 1902, zoals het originele houtwerk en de originele ramen en kozijnen. Eiser is van mening dat het pand in zijn huidige staat geen recht doet aan de cultuurhistorische waarde die verweerder eraan toekent. Eiser betoogt dat verweerder daarnaast niet heeft onderbouwd waaruit de cultuurhistorische waarde zou bestaan.

4.2.

Daarnaast voert eiser aan dat in de redengevende omschrijving enkele elementaire aangepaste onderdelen niet zijn genoemd. Nu deze niet zijn vermeld, vreest eiser dat verweerder hem met handhaving kan dwingen om het pand terug te brengen in de originele staat. Eiser betoogt dat dit voor hem een hoop rechtsonzekerheid betekent. Eiser betoogt dat, nu de boerderij voor een groot deel niet langer als origineel is aan te merken, zijn woning niet langer als monument kan worden beschouwd.

4.3.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat de waarderingscriteria en redengevende omschrijving in de bezwaarprocedure zijn aangevuld. Verweerder heeft toegelicht waarom volgens hem bij de woning van eiser sprake is van een cultuurhistorische waarde, een architectuurhistorische waarde, stedenbouwkundige/ensemblewaarde, authenticiteit en zeldzaamheid. De te beschermen onderdelen betreffen het exterieur van de boerderij (zowel het woongedeelte als de schuur) en de stookhut. Om tegemoet te komen aan de bezwaren van eiser heeft verweerder besloten om de overige bijgebouwen niet als monument aan te wijzen.

4.4.

Verweerder stelt dat in de redengevende omschrijving is beschreven wat beschermd wordt en om welke redenen het pand wordt aangewezen als gemeentelijk monument. Naar de mening van verweerder is de redengevende omschrijving voldoende compleet en zorgvuldig en is deze gebaseerd op de situatie ten tijde van de aanwijzing. Indien eiser een wijziging wil aanbrengen, zal een omgevingsvergunning daarvoor nodig zijn. Verweerder benadrukt dat het terugbrengen van de boerderij naar een niet meer aanwezige, oorspronkelijke staat zal nooit kunnen worden geëist.

4.5.

De rechtbank overweegt allereerst dat volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRvS), bijvoorbeeld de uitspraak van

4 december 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:4062), het college beoordelingsruimte heeft bij het bepalen van de monumentale waarde van een onroerende zaak. Bij het beantwoorden van de vraag, of een als monumentwaardig beoordeelde onroerende zaak als beschermd gemeentelijk monument wordt aangewezen, heeft het college beleidsruimte. De bestuursrechter toetst of het bestuursorgaan in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.

4.6.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat het besluit om de boerderij van eiser als gemeentelijk monument aan te wijzen is gebaseerd op de Erfgoedverordening, de redengevende omschrijving en de positieve adviezen van de Erfgoedcommissie van de gemeente Midden-Groningen en de bezwarencommissie. De redengevende omschrijving is naar aanleiding van het commissieadvies in het bestreden besluit verder aangevuld.

De rechtbank is van oordeel dat deze documenten deugdelijk tot stand zijn gekomen

en, na de aanvulling in het bestreden besluit, voldoende zijn gemotiveerd. Verweerder heeft zich bij de aanwijzing in redelijkheid op deze documenten kunnen baseren.

4.7.

Dat de boerderij van eiser op verschillende onderdelen niet meer in originele staat verkeert, is geen vereiste voor het kunnen aanwijzen als gemeentelijk monument. De documenten waarop de besluitvorming is gebaseerd bevatten naar het oordeel van de rechtbank voldoende aanwijzingen om de boerderij aan te kunnen wijzen als gemeentelijk monument. De rechtbank overweegt daarnaast dat verweerder ter zitting nadrukkelijk heeft toegelicht dat de beschermingsstatus ziet op de huidige staat van het pand, en dat verweerder niet kan en zal eisen dat de boerderij moet worden teruggebracht naar de originele staat. Daarnaast heeft verweerder aangegeven dat na inspectie is gebleken dat de boerderij van eiser weliswaar in matige staat verkeert, maar dat voornamelijk schilderwerk nodig is. Die werkzaamheden kunnen bovendien, gelet op de monumentenstatus van de boerderij, deels met een subsidie bekostigd worden.

5 Negatieve gevolgen van de aanwijzing

5.1.

Eiser betoogt onder andere dat de aanwijzing voor hem onevenredig verzwarend is, omdat eiser zich vanwege de ligging van de boerderij in aardbevingsgebied bovenmatig moet inspannen om het pand in een goede conditie te houden. Daarnaast is eiser van mening dat de aanwijzing onevenredig bezwarend is voor zijn bedrijfsvoering. Eiser betoogt dat hij zijn agrarische bedrijfsvoering niet naar wenselijkheid kan uitvoeren, omdat hij voor elke wijziging op het perceel een aanvraag bij verweerder zal moeten indienen.

5.2.

Verweerder stelt dat voor het herstel en versterking van monumenten beleidsmatig afspraken worden gemaakt met meerdere betrokken partijen, waaronder de Nationaal Coördinator Groningen en de Tijdelijke Commissie Mijnbouwschade Groningen/Instituut Mijnbouwschade Groningen. Verweerder geeft aan dat de gemeente monumenteigenaren hierin op allerlei manieren ondersteunt. Verweerder stelt daarnaast dat er voor monumenten niet veel meer regels gelden dan voor niet-monumenten.

5.3.

De rechtbank overweegt dat het vaste rechtspraak van de AbRvS is, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 oktober 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2387), dat het bij een besluit over de aanwijzing als beschermd monument gaat om de afweging van het algemeen belang dat is gemoeid met de bescherming van het cultureel erfgoed tegen de belangen die de eigenaar heeft bij het al dan niet aanwijzen. Indien de eigenaar stelt dat de monumentenstatus negatieve gevolgen heeft voor bijvoorbeeld herontwikkeling of verkoop en dit voldoende wordt gemotiveerd, zijn deze aspecten van belang bij de aanwijzing.

5.4.

De rechtbank overweegt dat verweerder in het primaire besluit de boerderij heeft aangewezen omdat het pand een bijzondere historische waarde van regionaal belang vertegenwoordigt. In het bestreden besluit is de motivatie in de redengevende omschrijving aangevuld op verschillende criteria, namelijk de cultuurhistorische waarde, de architectuurhistorische waarde, de stedenbouwkundige/ensemblewaarde, de authenticiteit en de zeldzaamheid. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder in het bestreden besluit voldoende inzichtelijk gemaakt dat het belang van de bescherming van het cultureel erfgoed hier zwaarder weegt dan het belang van eiser als eigenaar.

5.5.

Eiser heeft kort voor de zittingsdatum een inspectierapport van Monumentenwacht ingediend. De datum van het rapport is 18 februari 2020. Verweerder heeft, ondanks de korte termijn, voor de zittingsdatum schriftelijk op het rapport gereageerd. De rechtbank zal daarom het rapport, hoewel het in een laat stadium van de procedure is ingediend, wel betrekken bij de oordeelsvorming.

5.6.

In het rapport concludeert Monumentenwacht –kort gezegd- dat de boerderij van eiser in matige staat verkeert en dat sprake is van achterstallig onderhoud, waaronder het herstel van geleden aardbevingsschade. Verweerder heeft in reactie op het rapport gesteld dat de bouwkundige staat van het pand overwegend redelijk tot matig is en niet onherstelbaar slecht. Daarnaast geeft verweerder aan dat in overleg afspraken kunnen worden gemaakt over bijvoorbeeld het uit te voeren onderhoud aan het dak.

5.7.

Naar het oordeel van de rechtbank staan de omstandigheden die zijn genoemd in het rapport over de bouwkundige staat van het pand niet in de weg aan de aanwijzing als gemeentelijk monument. Niet is gebleken dat er herstelwerkzaamheden nodig zijn die zo ingrijpend zijn dat een aanwijzing als gemeentelijk monument daardoor als onredelijk moet worden gezien. Bovendien kunnen de uit te voeren herstelwerkzaamheden deels met een subsidie worden bekostigd. Deze beroepsgrond slaagt niet.

6 Onderhoudskosten

6.1.

Tot slot voert eiser aan dat een monumentenstatus voor hem bedrijfseconomisch gezien een te grote kostenpost zal inhouden wegens te maken vervangings- en onderhoudskosten aan het monument. Eiser heeft vragen over de door verweerder reeds genoemde subsidiemogelijkheid.

6.2.

Verweerder verwijst naar de publicatie van de subsidieregeling op overheid.nl en stelt dat de regeling eind 2019 nogmaals naar eiser is opgestuurd. Daarnaast heeft eiser uitleg gekregen over de subsidiemogelijkheid van een technisch adviseur. Er is 40 % subsidie mogelijk op onderhoud en restauratie, met een maximum van €2800,- respectievelijk €10.000,-. Daarbij geldt dat de onderhoudssubsidie jaarlijks kan worden aangevraagd en de restauratiesubsidie twee achtereenvolgende jaren.

6.3.

De rechtbank overweegt dat uit vaste rechtspraak van de AbRvS, bijvoorbeeld de uitspraak van 12 maart 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:857), volgt dat een financieel belang onvoldoende grond is om van een aanwijzing als gemeentelijk monument af te zien.

Daarnaast overweegt de rechtbank dat verweerder een uitgebreide toelichting heeft gegeven over de subsidiemogelijkheden. Verder heeft de gemachtigde van verweerder ter zitting toegelicht dat de monumentenstatus niet per definitie hoge meerkosten betekent. Daarnaast heeft zij aangegeven dat de gemeente welwillend is om met eiser in gesprek te gaan over eventuele verbouwingen en bedrijfstechnische veranderingen aan de boerderij. De zorgen van eiser over de bedrijfseconomische en financiële gevolgen van de aanwijzing kan verweerder daarmee in ieder geval gedeeltelijk wegnemen. Deze beroepsgrond slaagt niet.

7. Dat betekent dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid heeft kunnen komen tot de aanwijzing van de boerderij van eiser als gemeentelijk monument.

Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling, zoals bedoeld in artikel 8:75, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht, bestaat in dit geval geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, rechter, in aanwezigheid van mr. R.E.J. Jansen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 december 2020.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.