Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:5019

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
02-02-2021
Zaaknummer
LEE 20/3298 en LEE 20/3299
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2022:335, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Woningsluiting op grond van artikel 13b Opiumwet. Sluiting van het gehele pand is rechtmatig. Duur van de sluiting van 12 maanden is niet evenredig. De voorzieningenrechter bepaalt de duur op 6 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 20/3298 en LEE 20/3299

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 december 2020 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoekers] , te [woonplaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M.J. Schimmel),

en

De burgemeester van de gemeente Waadhoeke, verweerder

(gemachtigde: P. Frölich).

Procesverloop

Bij besluit van 21 oktober 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een last onder bestuursdwang opgelegd, inhoudende dat het pand op het adres [adres] te [woonplaats] (hierna: het pand) voor een periode van 12 maanden wordt gesloten.

Bij besluit van 21 oktober 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van verzoekers deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Zij hebben verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft voor een deel van de stukken, te weten de bestuurlijke rapportage en aanvullende foto’s, medegedeeld dat uitsluitend de bestuursrechter hiervan kennis mag nemen. Bij uitspraak van 23 november 2020 heeft de rechtbank bepaald dat de beperking van de kennisgeving gerechtvaardigd is. Ter zitting hebben verzoekers toestemming gegeven voor kennisname van de betreffende stukken door de bestuursrechter.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2020. Verzoekers [verzoekers] zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde en door S.R. Boelens.

Overwegingen

1. Na afloop van de zitting is de voorzieningenrechter tot de conclusie gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak. De voorzieningenrechter doet daarom op grond van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet alleen uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening, maar ook op het beroep.

2.1.

Op 2 maart 2020 heeft de politie Noord-Nederland een inval gedaan in het pand en daarbij [naam] , zoon en broer van verzoekers, gearresteerd. Bij de inval heeft de politie onder meer aangetroffen 2178,57 gram hennep, 1385,61 gram hasjiesj, 1926,86 gram cocaïne, 11,77 gram MDMA, 10,029 gram amfetamine, 185,57 gram ketamine, een weegschaal, € 29.525 en 32.800 Noorse Kronen, een boksbeugel, een mes en een encrypted smartphone.

2.2.

Verzoekers [verzoekers 1 en 2] zijn eigenaar van het pand en wonen in het pand. Daarnaast is het bedrijf van [verzoeker 2] in het pand gevestigd. [verzoekers 1 en 3] hebben in het pand werkplaatsen voor hun bedrijven.

2.3.

Bij uitspraak van 8 juli 2020 in procedure LEE 20/1872 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank een verzoek van verzoekers tot het treffen van een voorlopige voorziening afgewezen. Het pand is per 13 juli 2020 gesloten.

3.1.

Ingevolge artikel 13b, eerste lid, aanhef en onder a, van de Opiumwet, is de burgemeester bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang indien in woningen of lokalen dan wel in of op bij woningen of zodanige lokalen behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt, dan wel daartoe aanwezig is.

3.2.

Cocaïne, MDMA en amfetamine zijn opgenomen in lijst I van de Opiumwet.

Hennep en hasjiesj zijn opgenomen in lijst II van de Opiumwet.

Ontvankelijkheid

4.1.

In het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van [verzoeker 3] niet-ontvankelijk verklaard omdat hij niet rechtstreeks door de sluiting zou worden getroffen. [verzoeker 3] staat, aldus verweerder, niet als bewoner van het pand ingeschreven, heeft geen formeel vastgelegde relatie met de woning en heeft alleen een belang door de familiare relatie met zijn ouders. Zijn afgeleid belang loopt parallel aan dat van zijn ouders.

4.2.

De voorzieningenrechter deelt deze opvatting niet. Naar uit de stukken blijkt en ter zitting is besproken, maakt Y.R. Wolters bedrijfsmatig gebruik van een werkruimte in het pand. Hierover, en ook over het delen van bepaalde kosten, heeft hij mondelinge afspraken gemaakt met [verzoeker 1] , zijn vader. Verweerder heeft dit niet weersproken. Gelet op het op deze wijze geregelde vaste gebruik van het pand heeft [verzoeker 3] naar het oordeel van de voorzieningenrechter een rechtstreeks belang bij het bestreden besluit. Dit betekent dat verweerder het bezwaar van [verzoeker 3] ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

4.3.

Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Gezien de aard van de zaak heeft dit geen gevolgen voor de inhoudelijke beoordeling van het beroep.

Inhoudelijk

5.1.

Gezien het aantreffen van de middelen opgenomen in lijst I en II van de Opiumwet is verweerder in beginsel bevoegd tot het opleggen van een last onder bestuursdwang.

5.2.

De ‘Beleidsregel van de burgemeester van de gemeente Waadhoeke houdende regels omtrent drugs’ bepaalt in 3.2.3 dat bij het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs de maatregel wordt genomen van sluiting voor een duur van minimaal 3 maanden tot maximaal 12 maanden. In 3.3 is opgenomen dat als uitgangspunt geldt dat de maximumsanctie wordt opgelegd, tenzij naar het oordeel van de burgemeester de omstandigheden van het concrete geval aanleiding zijn tot het opleggen van een lichtere sanctie.

5.3.

De voorzieningenrechter sluit zich aan bij de overweging in de uitspraak van 8 juli 2020 (zie 2.3) dat de aangetroffen grote hoeveelheden drugs en de andere goederen duiden op verbondenheid met zware georganiseerde criminaliteit. Dit wordt bevestigd door de inhoud van de bestuurlijke rapportage. Dit betekent dat een sluiting overeenkomstig de wet en het beleid is. Dat dorpsbewoners kennelijk geen overlast hebben ervaren en niets hebben gemerkt van drugshandel, zoals blijkt uit een aantal steunbetuigingen, heeft niet tot gevolg dat verweerder niet de noodzaak van een sluiting heeft mogen aannemen. Gesproken kan worden van een ernstige verstoring van de openbare orde.

5.4.

De omstandigheid dat niet is gebleken dat, behalve [naam] , de bewoners en gebruikers van het pand weet hadden van de aanwezigheid van drugs, heeft verder niet tot gevolg dat verweerder geen gebruik heeft mogen maken van de sluitingsbevoegdheid.

Artikel 13b van de Opiumwet in samenhang met artikel 5:21 van de Algemene wet bestuursrecht ziet op het herstel van een overtreding van de Opiumwet. Niet is vereist dat bewoners of gebruikers van het pand zelf de Opiumwet hebben overtreden. Voldoende is dat het pand gebruikt is voor de overtreding. Dat is hier in elk geval het geval.

6.1.

Verzoekers voeren aan dat de zolder waar de drugs zijn aangetroffen, een onderscheiden functie heeft. De bevoegdheid van verweerder tot sluiting strekt zich niet uit tot het overige deel van het pand, zo wordt aangevoerd.

6.2.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich in meerdere uitspraken uitgelaten over de vraag of volstaan kan of dient te worden met gedeeltelijke sluiting, onder meer in de uitspraken van 27 juni 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2097, van 24 augustus 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2314, van 7 september 2016, ECLI:NL:2016:2401, van 11 april 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1193, en van 3 juni 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1333.

Hoewel dit per geval bekekenen moet worden en sterk afhankelijk is van de feitelijke situatie, blijkt uit de uitspraken dat van belang is of de belanghebbende iets met de overtreding van de Opiumwet te maken heeft, hij geen gebruiker is van de ruimte waarin de overtreding heeft plaatsgevonden, en dat sprake is van ruimtes met een zelfstandige functie.

6.3.

De drugs zijn aangetroffen in het gedeelte van de bovenverdieping/zolder van het pand waar D.N. Wolters sinds enige maanden voorafgaand aan de inval woonde. Deze ruimte is, behalve via een buitentrap, direct toegankelijk vanuit de hal op de benedenverdieping en is met deuren verbonden met de rest van de bovenverdieping. Aan de voorwaarde dat de ruimte, in feite één van de kamers van het pand, een zelfstandige functie heeft, is niet voldaan. Dat de deuren zijn voorzien van sloten maakt dit niet anders. De bevoegdheid tot sluiting beperkt zich naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom niet tot deze ruimte maar strekt zich uit tot het gehele pand.

7.1.

Nu de sluiting van het gehele pand rechtmatig is bevonden, resteert de vraag of de gekozen termijn van sluiting van 12 maanden evenredig is. Zoals vermeld in 5.2 bepaalt het beleid dat in beginsel de sluiting de maximale duur heeft van 12 maanden.

7.2.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is voldoende aangevoerd om aan te nemen dat de sluiting voor deze duur niet evenredig is. Hierbij is van belang dat uitsluitend [naam] was betrokken bij de drugscriminaliteit. Niet in geschil is dat verzoekers geen enkele bemoeienis met de handel hebben gehad. Ter zitting is namens de burgemeester beaamd dat verzoekers geen enkel verwijt treft maar is het standpunt ingenomen dat het beleid niettemin geen ruimte biedt om af te wijken van de maximumduur. Hoewel verzoekers niets kan worden verweten, ervaren zij (en [verzoeker 3] ) wel de verstrekkende gevolgen van de sluiting van het pand. De sluiting treft hen niet alleen in het wonen, maar ook in het werken: de sluiting raakt de bedrijfsvoering van drie ondernemingen in negatieve zin. Hier komt bij dat, zoals de gemachtigde van verzoekers ter zitting heeft bepleit, de doelen die de sluiting dient (grotendeels) zijn bereikt. Er is onweersproken aangevoerd dat het pand sinds de inval van 2 maart 2020 niet langer voor drugshandel wordt gebruikt, dat er geen loop is naar het pand, dat het signaal is afgegeven in het dorp dat drugshandel onacceptabel is, en dat, voor zover de rust was verstoord, die is wedergekeerd. Ook stelt de voorzieningenrechter vast dat de betrokkenheid van het pand bij drugshandel zware criminaliteit betreft, maar dat het pand anderzijds kennelijk alleen voor opslag werd gebruikt, zonder aanloop van drugsgebruikers of drugshandelaren. Gelet hierop is de keuze voor de maximumduur naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet redelijk.

7.3.

Het beroep is dus tevens gegrond voor zover het zich richt tegen de duur van de sluiting. Het bestreden besluit is op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.

7.4.

De voorzieningenrechter ziet, mede ten behoeve van de finale geschillenbeslechting, aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en zal de duur van de sluiting bepalen op 6 maanden. Dit betekent dat de sluiting voortduurt tot 13 januari 2020.

8.1.

Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Awb. De voorzieningenrechter vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van [verzoeker 3] niet-ontvankelijk is verklaard en de duur van de sluiting op 12 maanden is bepaald.

8.2.

Gezien de uitkomst van de procedure van beroep is het belang aan het verzoek om voorlopige voorziening komen te ontvallen. Dat het indienen van een verzoek noodzakelijk was om een tijdige behandeling van het beroep te bewerkstelligen, wordt betrokken in de overwegingen hieronder.

8.3.

Omdat het beroep gegrond is, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht voor het beroep vergoedt. Vanwege de uitkomst van de zaak ziet de voorzieningenrechter ook aanleiding te bepalen dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht voor het verzoek om voorlopige voorziening vergoedt.

8.4.

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. Vanwege de uitkomst van de zaak heeft die proceskostenveroordeling ook betrekking op het verzoek om voorlopige voorziening. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.575,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift om een voorlopige voorziening, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 525,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij het bezwaar van [verzoeker 3] niet-ontvankelijk is verklaard en de duur van de sluiting op twaalf maanden is bepaald;

- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- bepaalt de duur van de sluiting op zes maanden;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 356,- aan verzoekers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een bedrag van € 1.575,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Dijkstra, rechter, in aanwezigheid van mr. H.A. Hulst, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 december 2020.

griffier (buiten staat te tekenen) voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.