Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4829

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
07-05-2020
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
172717
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Zorgmachtiging Wvggz. Overzicht jurisprudentie of in geval van ambulante begeleiding de zorgvorm opname in een accommodatie ook opgelegd kan worden. Rechtbank oordeelt onder verwijzing naar de wetsgeschiedenis dat deze combinatie mogelijk is. Wvggz is een zorgwet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Leeuwarden

Zaak-/rekestnr.: C/17/172717 / BZ RK 20-367

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 7 mei 2020 naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[naam] ,

geboren op [datum] ,

wonende te [adres]

thans verblijvende bij GGZ Friesland, locatie [adres] ,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. T.W. Delhaye, kantoorhoudende te Leeuwarden.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de officier van justitie, ingekomen bij de griffie op 4 mei 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de medische verklaring d.d. 29 april 2020;

- de zorgkaart met bijlagen d.d. 25 april 2020;

- het zorgplan met bijlagen d.d. 24 april 2020;

- de bevindingen van de geneesheer-directeur als bedoeld in artikel 5:15 Wvggz;

- het door de geneesheer-directeur opgestelde voorstel voor een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 5:17 lid 4 Wvggz d.d. 1 mei 2020.

1.2.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft telefonisch plaatsgevonden op 7 mei 2020. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door mr. T.W. Delhaye;

- [naam] , psychiater en zorgverantwoordelijke;

- [naam] , begeleidster van thuisplus van Domum zorg.

De officier van justitie is niet ter zitting verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

1.3.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De betrokkenen zijn in de gelegenheid gesteld om door de rechtbank telefonisch gehoord te worden.

De rechtbank heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 7 mei 2020 betrokkenen gelijktijdig telefonisch gehoord. De rechtbank is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen.

2 De beoordeling

2.1.

De rechter kan op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging verlenen ten aanzien van de betrokkene wanneer wordt voldaan aan de criteria en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:3 en 3:4 Wvggz. Verplichte zorg is zorg die ondanks verzet kan worden verleend. Wanneer het gedrag van de betrokkene als gevolg van een psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, kan als uiterste middel verplichte zorg worden verleend, mits er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, er geen minder bezwarende alternatieven zijn, het verlenen van verplichte zorg evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is.

Verplichte zorg kan worden verleend om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door een psychische stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen.

2.2.

De advocaat heeft tijdens de mondelinge behandeling namens betrokkene naar voren gebracht dat hij zich afvraagt of er geen mogelijkheden zijn om de zorg op vrijwillig basis te verlenen. Temeer omdat de psychiater die de medische verklaring heeft opgesteld aangeeft dat er mogelijkheden zijn om de benodigde zorg op vrijwillige basis te verlenen. Dit betekend dat een zorgmachtiging niet nodig is en hierdoor niet proportioneel. Wel staat er in de toelichting van de medische verklaring dat het evenwicht nog wankel is waardoor een ontslag op dat moment nog niet mogelijk is. Het schept het idee dat de psychiater bedoelt dat het op dit moment nog niet vrijwillig mogelijk is maar op korte termijn wel. Daarom verzoekt de advocaat bij toewijzing van het verzoek om de duur van de machtiging te beperken.

Voorts voert de advocaat verweer tegen de verzochte vormen van verplichte zorg. De advocaat stelt dat het verzoek op een opname situatie ziet. De opname zal echter nog maar kort aan de orde zijn en het is de bedoeling dat hij thuis (ambulant) de zorg gaat ontvangen. De advocaat stelt dat de verplichte zorg in de vorm van opname in een accommodatie niet kan worden opgenomen in een zorgmachtiging, in een situatie waarin de zorg in een ambulante setting zal worden geboden. Daarbij verwijst de advocaat naar een uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 25 maart 2020 (ECLI:NL:RBZWB:2020:1528). De advocaat verwijst ook naar een uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 februari 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:987), waarbij het volgens de advocaat om een soortgelijke situatie ging als in de onderhavige zaak.

De rechtbank Midden-Nederland constateerde verder in bovengenoemde zaak dat het zorgplan geen beschrijving biedt van de manier waarop de veiligheid van de zorgverleners gewaarborgd wordt in het geval van gedwongen medicatie. Daardoor was de rechtbank van oordeel dat de gedwongen medicatie alleen aan de orde kan zijn in het geval betrokkene is opgenomen in een accommodatie. De rechtbank heeft deze vorm van zorg dan ook afgewezen, omdat er geen concrete omstandigheden waren om aan te nemen dat een opname binnen afzienbare termijn aan de orde zal zijn.

In de situatie van betrokkene wordt de medicatie in depot vorm verstrekt. Hij accepteert zijn medicatie vrijwillig. De advocaat vindt dat gelet op het bovenstaande dat de verplichte vorm het toedienen van de medicatie niet kan worden toegewezen als verplichte zorg. De advocaat verzoekt de rechtbank om aan te sluiten bij de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland en als verplichte zorg alleen de vorm “h” op te nemen in de zorgmachtiging. Deze vorm van zorg ziet op het toezicht dat zal worden gehouden door het FACT-team. Mocht het toch niet goed gaan met betrokkene en is een opname noodzakelijk dan kan er een wijziging van de zorgmachtiging verzocht worden. Bovendien kan er in een spoedgeval tijdig worden ingegrepen op grond van artikel 8:11 Wvggz.

De zorgverantwoordelijke heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat een zorgmachtiging met de zorg in de vorm van opname in een accommodatie noodzakelijk is als stok achter de deur. Betrokkene geeft zelf ook aan dat hij een stok achter de deur belangrijk en prettig vindt. Betrokkene is voor de tweede keer gedwongen opgenomen met een psychotisch toestandsbeeld na het staken van de medicatie en hij de zorg weigerde. Na de vorige opname is het zonder machtiging niet gelukt hem in zorg te houden. Een zorgmachtiging is nodig om op tijd in te kunnen grijpen en een herhaling van de situatie te voorkomen. De zorgverantwoordelijke ziet geen mogelijkheden voor een voortzetting van de behandeling in het vrijwillig kader en denkt dat dit ook geldt voor de psychiater die de medische verklaring opgesteld heeft.

2.3.

De rechtbank oordeelt als volgt. Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen, neurobiologische ontwikkelingsstoornissen (o.a. verstandelijke beperkingen en autismespectrumstoornissen), depressieve-stemmingsstoornissen en middelgerelateerde en verslavingsstoornissen.

2.4.

Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:

  • -

    ernstig lichamelijk letsel;

  • -

    ernstige psychische schade;

  • -

    ernstige verwaarlozing.

2.5.

Om het ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren en dusdanig te herstellen dat hij zijn autonomie zoveel mogelijk herwint en de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig.

2.6.

Ondanks dat betrokkene op dit moment weliswaar de zorg lijkt te accepteren, acht de rechtbank deze bereidheid tot zorg niet bestendig genoeg om de behandeling op vrijwillige basis voort te zetten. Er is momenteel sprake van een kwetsbaar evenwicht. Betrokkene is voor de tweede keer opgenomen met een psychotisch toestandsbeeld na het staken van de medicatie en het gebruik van middelen. Voor de huidige opname weigerde betrokkene zorg en was een gedwongen opname noodzakelijk. Het risico is aannemelijk dat betrokkene zonder juridisch kader en ook vanwege zijn licht verstandelijke beperking na ontslag de noodzakelijke zorg niet vrijwillig blijft accepteren. De rechtbank constateert dat hierdoor is gebleken dat er geen mogelijkheden zijn voor passende zorg op vrijwillige basis. Om te kunnen borgen dat het goed blijft gaan met betrokkene, ook als zijn motivatie tot behandeling verminderd, is verplichte zorg noodzakelijk. Bovendien geeft betrokkene zelf ook aan dat hij een machtiging als stok achter de deur prettig vindt.

2.7.

De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur en bestaan uit:

  • -

    het toedienen van vocht, voeding en medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening, voor de duur van zes maanden;

  • -

    aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen, voor de duur van zes maanden;

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid (bij (her)opname), voor de duur van zes maanden;

  • -

    uitoefenen van toezicht op betrokkene (bij (her)opname), voor de duur van zes maanden;

  • -

    opnemen in een accommodatie (indien noodzakelijk), voor de duur van zes maanden.

2.8.

Ten aanzien van de verzochte vormen van verplichte zorg constateert de rechtbank dat in de jurisprudentie wisselend geoordeeld wordt over het opleggen van zorg in de vorm van opname in een accommodatie in de situatie van ambulante behandeling. In de door de advocaat aangehaalde beschikkingen was ambulante behandeling het uitgangspunt, en werd de zorgvorm 'opnemen in een accommodatie' als stok achter de deur verzocht. In deze twee aangehaalde beschikkingen, maar ook bijvoorbeeld in de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 30 april 2020 (ECLI:NL:RBROT:2020:4116) is (kort gezegd) geoordeeld dat in geval van ambulante zorg de zorgvorm 'opnemen in een accommodatie' niet opgenomen kan worden in de zorgmachtiging. In de zaak die leidde tot voornoemde uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 24 februari 2020 oordeelde de rechtbank dat deze combinatie niet mogelijk was, mede omdat opname in het recente verleden niet heeft plaatsgevonden en opname binnen afzienbare termijn ook niet aan de orde zal komen.

2.9.

In andere zaken hebben (andere) rechtbanken anders geoordeeld. In dit kader wijst de rechtbank op de uitspraken van onder andere de rechtbank Midden-Nederland van 2 maart 2020 (ECLI:NL:RBMNE:2020:1132), rechtbank Amsterdam van 6 april 2020 (ECLI:NL:RBAMS:2020:2328) en rechtbank Noord-Nederland van 20 april 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:1766). In deze zaken is geoordeeld dat in geval van ambulante behandeling de zorgvorm 'opnemen in een accommodatie' mogelijk is omdat het uitgangspunt ambulante behandeling is, en opname slechts het uiterste middel indien ambulante behandeling faalt.

2.10.

De rechtbank constateert dat de Hoge Raad zich nog niet uitgelaten heeft over dit vraagstuk. De rechtbank zal daarom acht slaan op de wetsgeschiedenis en het karakter van de Wvggz en haar voorganger de Wet BOPZ, zoals ook de rechtbank Amsterdam in haar voornoemde beschikking van 6 april 2020 gedaan heeft.

2.11.

De Wet BOPZ was een opnamewet, hetgeen betekende dat het onder de werking van de Wet BOPZ niet mogelijk was om bij behandeling in een ambulante vorm vormen van verplichte zorg op te leggen. De betrokkene was opgenomen. Ambulante behandeling was onder de Wet BOPZ evenwel mogelijk, maar dan slechts middels een voorwaardelijke machtiging. Wanneer de betrokkene zich niet aan de voorwaarden hield, zou opname volgen. De Wvggz heeft echter een ander karakter dan de Wet BOPZ. De Wvggz is een zorgwet. Deze wet maakt het wel expliciet mogelijk om ambulante behandeling op te leggen. Niet in alle gevallen is opname noodzakelijk. Bij de vraag of ambulante behandeling en opname in een accommodatie elkaar uitsluiten als zorgvormen onder de Wvggz, dient acht geslagen te worden op de wetsgeschiedenis die hoort bij artikel 3.2 Wvggz. De minister schrijft in de artikelsgewijze toelichting bij dat artikel (kamerstuk 32339, nr. 25):

Voor zover een vorm van bejegening, verzorging, begeleiding of bescherming als zodanig wel als verplichte zorg nodig is, zal hiervoor de maatregel moeten worden gebruikt van het aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten en/of het uitoefenen van toezicht (onderdelen d en g van het tweede lid). Zo kan in de zorgmachtiging worden opgenomen dat betrokkene op een bepaalde manier moet meewerken aan een FACT-team door bijvoorbeeld onder toezicht bepaalde medicatie in te nemen. Indien betrokken dit weigert, kan – indien de zorgmachtiging daarin voorziet – tot dwangmedicatie of een korte gedwongen opname worden overgegaan.

2.12.

Bij de toelichting op artikel 5:14 (kamerstuk 32339, nr 10) in de nota van wijziging staat het volgende:

Onder de Wet Bopz is het al mogelijk dat een patiënt met een voorwaardelijke machtiging thuis (of in een niet-Bopz-aangemerkte instelling) woont en zich aan gestelde voorwaarden moet houden om een gedwongen opname te voorkomen. Ook is het mogelijk dat de patiënt met een rechterlijke machtiging met verlof of ontslag thuis woont. Houdt de patiënt zich niet aan de gestelde voorwaarden of ontstaat toch het af te wenden gevaar, dan kan respectievelijk moet de geneesheer-directeur de patiënt opnemen. Een zorgmachtiging onder het regime van deze wet kan op soortgelijke wijze met voorwaarden zijn omkleed. Maar onder deze wet wordt het ook mogelijk om met een zorgmachtiging een patiënt te verplichten bepaalde ingrepen (zoals medicatie) of begeleidingsvormen ambulant te laten ondergaan.

2.13.

De rechtbank komt tot de conclusie dat uit de karakters van de Wet BOPZ en de Wvggz, alsmede de wetsgeschiedenis van de Wvggz volgt dat het mogelijk is om in het geval van ambulante behandeling, tevens ook de zorgvorm 'opname in een accommodatie' op te nemen in de zorgmachtiging. Of deze combinatie van zorgvormen in de zorgmachtiging opgenomen moet worden, hangt af van de omstandigheden van het geval, waarbij per geval getoetst zal moeten worden of is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Het opnemen in een accommodatie is echter wel een ultimum remedium, hetgeen betekent dat deze vorm van zorg pas ingezet kan worden wanneer er geen minder bezwarende alternatieven of zorgvormen meer zijn. Tevens volgt uit de wetsgeschiedenis (anders dan de advocaat bepleit heeft) dat het mogelijk is om in geval van ambulante behandeling te bepalen dat medicatie wordt toegediend.

2.14.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben. De rechtbank is van oordeel dat de door de advocaat aangedragen alternatieven, te weten een wijziging van de zorgmachtiging dan wel het tijdelijk verlenen van verplichte zorg op grond van artikel 8:11, niet als minder bezwarend zijn aan te merken. Zowel voor het wijzigen van een zorgmachtiging als voor het tijdelijk verlenen van verplichte zorg is vereist dat er al sprake is van een (onvoorziene) noodsituatie, terwijl de onderhavige zorgmachtiging deze nu juist beoogd te voorkomen.

2.15.

De rechtbank ziet gelet op de overgelegde stukken en hetgeen verhandeld is tijdens de mondelinge behandeling aanleiding om in onderhavige zaak alle verzochte vormen van verplichte zorg (behalve het toedienen van vocht en voeding) toe te wijzen, nu ambulante behandeling voorliggend is en de laatst drie genoemde vormen van verplichte zorg kunnen worden toegepast als de beide andere vormen van zorg niet (meer) gerealiseerd kunnen worden. Betrokkene verblijft ten tijde van de zitting nog binnen de ggz-instelling en er zal een gesprek plaatsvinden met de ambulante hulpverlening om te overleggen wanneer hij met ontslag kan. Er is een stijgende lijn te zien in zijn herstel en in de samenwerking met de zorgverantwoordelijken, echter is dit nog erg pril. Tijdens de opname is er blijvend een ontslagwens aanwezig geweest bij betrokkene en zijn de gesprekken over de vervolg van de behandeling in een ambulante setting moeizaam verlopen. Tijdens de gesprekken over de thuisbegeleiding heeft hij zich wantrouwend tegenover de begeleiding geuit. Betrokkene heeft daarnaast de wens dat hij graag één begeleider wil. Dit is een begrijpelijk wens alleen zal dit mogelijk in de praktijk moeilijk te realiseren zijn. Gelet op het verleden en zijn beperkte ziekte-inzicht is er een aanzienlijk risico dat betrokkene bij een voortzetting van de behandeling in het ambulante kader de zorg zal gaan vermijden wat het risico op recidief vergroot. De rechtbank is daarom van oordeel dat een juridische maatregel noodzakelijk is om het medicatiegebruik en de begeleiding van het FACT-team en thuisplus te waarborgen. Zonder adequate medicamenteuze behandeling is er een reële kans op een toename van ernstige psychotische klachten met angst en achterdocht. Betrokkene is immers voor de tweede keer opgenomen met een psychotisch toestandsbeeld na het staken van medicatie en gebruik van middelen. Gelet op het verleden is het daarom aannemelijk dat betrokkene bij het ontbreken van een gedwongen kader zijn behandeling staakt met een psychotische decompensatie tot gevolg. Hierdoor zal het ernstig nadeel zich toenemend voordoen, waarbij betrokkene middelen zal gebruiken, zich terugtrekt en zichzelf ernstig verwaarloost. Wanneer tijdig wordt ingegrepen met gedwongen medicatie en indien nodig een kortdurende opname kan een langdurige ontregeling worden voorkomen. Een opname en de daarbij behorende beperking van de bewegingsvrijheid zijn dan ook noodzakelijk om in te kunnen grijpen om betrokkene te stabiliseren en het nadeel af te wenden. Gelet op het verleden wordt ingeschat dat ook de zorg in de vorm uitoefenen van toezicht bij een opname noodzakelijk zal kunnen zijn om de veiligheid te kunnen waarborgen.

2.16.

Gelet op het bovenstaande is gebleken dat genoemde vormen van zorg nodig zijn, waarbij ten aanzien van de gedwongen opname in een accommodatie en de daarbij behorende vorm van zorg het beperken van de bewegingsvrijheid en het uitoefenen van toezicht op betrokkene geldt dat deze alleen zal worden toegepast indien op dat moment de overige vormen van zorg niet langer volstaan en een opname wordt gerechtvaardigd door een actuele onafhankelijke medische verklaring. Onder deze omstandigheden acht de rechtbank dat de voorgestelde verplichte zorgvormen voldoen aan het uitgangspunt van de wet dat de zorgvormen proportioneel en als ultimum remedium moeten zijn.

2.17.

De verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene. Hoewel de officier van justitie ook heeft verzocht om het toedienen van vocht en voeding als vorm van verplichte zorg in de zorgmachtiging op te nemen is van de noodzaak hiervan niet gebleken. De rechtbank zal deze verplichte zorg vorm dan ook niet toewijzen.

2.18.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. Het namens betrokkene geformuleerde verzoek om de duur van de machtiging te beperken zal de rechtbank afwijzen, nu naar het oordeel van de rechtbank de volledige duur van de verzochte zes maanden noodzakelijk is om betrokkene voldoende te stabiliseren, zijn behandeling te kunnen waarborgen en het ernstig nadeel af te wenden.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [naam] ,

geboren op [datum] ,

inhoudende dat gedurende de geldigheid van de machtiging bij wijze van verplichte zorg de volgende maatregelen kunnen worden getroffen:

  • -

    het toedienen van medicatie, alsmede het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening;

  • -

    aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen;

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid (bij (her)opname);

  • -

    uitoefenen van toezicht op betrokkene (bij (her)opname);

  • -

    opnemen in een accommodatie (indien noodzakelijk);

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 7 november 2020;

3.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is op 7 mei 2020 mondeling gegeven door mr. G.J. Baken, rechter en in het openbaar uitgesproken bijgestaan door de griffier, en op 15 mei 2020 schriftelijk uitgewerkt en ondertekend.

(fn:860)

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.