Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4828

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
13-05-2020
Datum publicatie
20-01-2021
Zaaknummer
172567
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Beschikking
Inhoudsindicatie

Geneesheer directeur heeft in zijn bevindingen niet gereageerd op eigen plan van aanpak betrokkene. Zorgmachtiging toch verleend omdat plan van aanpak niet voldoet om het ernstig nadeel af te wenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie: Leeuwarden

Zaak-/rekestnr.: C/17/172567 / BZ RK 20-330

Machtiging tot het verlenen van verplichte zorg

Beschikking van 13 mei 2020 naar aanleiding van het door de officier van justitie ingediende verzoek tot het verlenen van een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 6:4 van de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz), ten aanzien van:

[naam] ,

geboren op [datum] ,

wonende te [adres] ,

thans verblijvende GGZ Friesland, locatie [adres] ,

hierna te noemen: betrokkene,

advocaat: mr. H.C.L. Crozier, kantoorhoudende te Sneek.

1 Het procesverloop

1.1.

De rechtbank heeft kennisgenomen van het verzoekschrift van de officier van justitie, ingekomen bij de griffie op 23 april 2020.

Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:

- de medische verklaring d.d. 7 april 2020;

- het zorgplan met bijlagen d.d. 29 maart 2020;

- de zorgkaart met bijlagen d.d. 31 maart 2020;

- de bevindingen van de geneesheer-directeur als bedoeld in 5:15 Wvggz;

- het door de geneesheer-directeur opgestelde voorstel voor een zorgmachtiging als bedoeld in artikel 5:17 lid 4 Wvggz d.d. 15 april 2020;

- gegevens over een eerder voor betrokkene afgegeven rechterlijke machtiging op grond van Wet Bopz;

- strafvorderlijke en justitiële gegevens als bedoeld in de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens;

- een uittreksel uit het curatele- en bewindregister;

1.2.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het door betrokkene op 2 april 2020 opgestelde plan van aanpak.

1.3.

De mondelinge behandeling van het verzoek heeft telefonisch plaatsgevonden op

12 mei 2020. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:

- betrokkene, bijgestaan door mr. H.C.L. Crozier;

- [naam] , verpleegkundig specialist en behandelaar;

- [naam] , verpleegkundige.

De officier van justitie is niet ter zitting verschenen, omdat hij een nadere toelichting op of motivering van het verzoek niet nodig achtte.

1.4.

Vanwege het beleid van de Raad voor de rechtspraak om verspreiding van het coronavirus tegen te gaan, zoals dat op 16 maart 2020 op www.rechtspraak.nl is gepubliceerd, heeft er geen fysieke zitting plaatsgevonden. De betrokkene is in de gelegenheid gesteld om door de rechtbank telefonisch gehoord te worden.

De rechtbank heeft, in aanwezigheid van de griffier, op 12 mei 2020 betrokkene en andere betrokken personen gelijktijdig telefonisch gehoord. De rechtbank is van oordeel dat deze manier van horen – gelet op de huidige uitzonderlijke omstandigheden – in deze zaak voldoende is om tot een goed oordeel te komen en zal daarom een beslissing nemen.

2 De beoordeling

2.1.

De rechter kan op verzoek van de officier van justitie een zorgmachtiging verlenen ten aanzien van de betrokkene wanneer wordt voldaan aan de criteria en de doelen van verplichte zorg als bedoeld in artikel 3:3 en 3:4 Wvggz. Verplichte zorg is zorg die ondanks verzet kan worden verleend.

Wanneer het gedrag van de betrokkene als gevolg van een psychische stoornis leidt tot ernstig nadeel, kan als uiterste middel verplichte zorg worden verleend, mits er geen mogelijkheden voor zorg op basis van vrijwilligheid zijn, er geen minder bezwarende alternatieven zijn, het verlenen van verplichte zorg evenredig is en redelijkerwijs te verwachten is dat het verlenen van verplichte zorg effectief is.

Verplichte zorg kan worden verleend om ernstig nadeel af te wenden, de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door een psychische stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen.

2.2.

Uit de overgelegde stukken en uit hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is gebleken dat betrokkene lijdt aan een psychische stoornis, in de vorm van schizofreniespectrum- en andere psychotische stoornissen en middelgerelateerde- en verslavingsstoornissen.

2.3.

Deze stoornis leidt tot ernstig nadeel, gelegen in:

  • -

    ernstig lichamelijk letsel;

  • -

    ernstige psychische schade;

  • -

    ernstige financiële schade;

  • -

    ernstige verwaarlozing;

  • -

    maatschappelijke teloorgang.

2.4.

Om het ernstig nadeel af te wenden of de geestelijke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen of de door de stoornis bedreigde of aangetaste fysieke gezondheid van betrokkene te stabiliseren of te herstellen, heeft betrokkene zorg nodig. Betrokkene heeft hiertoe op 2 april 2020 een eigen plan van aanpak opgesteld, inhoudende - kort gezegd - dat hij weer fit en op gewicht is, ingesteld op de medicatie en dat deze medicatie zijn werking doet. De stemmen die hij hoort zijn veel zachter, meer op de achtergrond. Betrokkene wil graag ambulante zorg, is het zat in de kliniek en acht zichzelf capabel genoeg de zorg thuis voort te zetten.

2.5.

De geneesheer-directeur heeft zich in zijn bevindingen niet uitgelaten over dit plan van aanpak. Ook is niet duidelijk hoe de gang van zaken is geweest rond dit plan van aanpak; niet is gebleken dat betrokkene schriftelijk aan de geneesheer-directeur te kennen heeft gegeven dat hij een plan van aanpak wilde opstellen. Wel staat vast dat pas na het opstellen van dit plan van aanpak het verzoekschrift tot een zorgmachtiging is voorbereid, nu de medische verklaring dateert van 7 april 2020 en de bevindingen van de geneesheer-directeur van 15 april 2020. Hoe het ook zij, de verpleegkundig specialist heeft ter zitting verklaard dat de geneesheer-directeur aan haar heeft aangegeven het plan van aanpak onvoldoende te vinden.

De advocaat van betrokkene pleit primair tot afwijzing van het verzoek, nu niet uit het dossier blijkt dat de geneesheer-directeur zich heeft uitgelaten over het door betrokkene opgestelde plan van aanpak. Er is daarom - aldus de advocaat - sprake van een vormfout nu de geneesheer-directeur volgens de wet een reactie had moeten geven.

Namens betrokkene is als subsidiair verweer aangevoerd, dat betrokkene ook in de kliniek toegang tot verdovende middelen kan krijgen en dat door opname in een accommodatie het ernstig nadeel niet wordt afgewend.

2.6.

De rechtbank overweegt dat terecht namens betrokkene is aangevoerd dat de geneesheer-directeur in zijn bevindingen het plan van aanpak niet eens noemt. Dit is in strijd met artikel 5:15 tweede lid Wvggz. De rechtbank zal echter niet alsnog de geneesheer-directeur in de gelegenheid stellen zijn bevindingen over het plan van aanpak kenbaar te maken. Duidelijk is immers dat het plan van aanpak niet voldoet aan het in artikel 5:15 Wvggz gestelde uitgangspunt dat geen ernstig nadeel ontstaat.

Het plan van aanpak vermeldt niet dat, en welke, medicatie noodzakelijk is.

Betrokkene heeft ter zitting weliswaar verklaard bereid te zijn medicatie te nemen, maar ten aanzien van de behandelcontacten met de enige reden dat hij de ambulante zorg in zijn woning wil voortzetten is dat hij iedereen tevreden wilde stellen. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank dat de betrokkene geen inzicht heeft in zijn stoornis.

Betrokkene rept daarnaast in zijn plan van aanpak niet over zijn drugsgebruik of over manieren om dit drugsgebruik te beperken of uit te sluiten, terwijl de in het zorgplan genoemde vormen van verplichte zorg daar wel op zien. Juist dit drugsgebruik en de sterke behoefte van betrokkene zijn kennelijk redengevend geweest voor het aanvragen van een zorgmachtiging. De verpleegkundig specialist heeft ter zitting verklaard dat betrokkene op de afdeling voortdurend bezig is om drugs te krijgen (ook met zijn telefoon en de computer van de afdeling) en dat hij na drugsgebruik direct ernstig ontregelt en dat het horen van stemmen dan sterk toeneemt. De vormen van verplichte zorg die in het zorgplan zijn opgenomen, dienen ertoe het ernstig nadeel dat door drugsgebruik ontstaat weg te nemen. Gelet op bovenstaande zal de rechtbank het plan van aanpak passeren, nu dit niet volstaat om het ernstig nadeel te voorkomen of weg te nemen.

2.7.

Bovendien is gebleken is dat er geen mogelijkheden voor passende zorg op vrijwillige basis zijn. Sterker, ook onder de thans lopende voorlopige machtiging op grond van de Wet Bopz, wordt alle geboden hulp en zorg door betrokkene afgeweerd. Betrokkene ligt in de instelling de hele dag op bed en heeft geen contact met medecliënten. Zijn inspanningen zijn er enkel op gericht drugs te verkrijgen. Ook om die reden is verplichte zorg nodig. De in het verzoekschrift genoemde vormen van zorg zijn gebaseerd op het zorgplan en het advies van de geneesheer-directeur en bestaan uit:

  • -

    het toedienen van vocht, voeding en medicatie voor de duur van zes maanden;

  • -

    het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening, voor de duur van zes maanden;

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid voor de duur van zes maanden;

  • -

    onderzoek aan kleding of lichaam voor de duur van zes maanden;

  • -

    onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen voor de duur van zes maanden;

  • -

    controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen voor de duur van zes maanden;

  • -

    aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen voor de duur van zes maanden;

  • -

    opnemen in een accommodatie voor de duur van zes maanden.

2.8.

Er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.

2.9.

De voorgestelde verplichte zorg is evenredig en naar verwachting effectief. Uit de stukken blijkt dat bij het bepalen van de juiste zorg rekening is gehouden met de voorwaarden die noodzakelijk zijn om deelname van betrokkene aan het maatschappelijk leven te bevorderen, alsmede met de veiligheid van betrokkene.

2.10.

De rechtbank overweegt ten aanzien van het subsidiaire verweer als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter zitting is verklaard blijkt dat betrokkene een sterke drang naar drugs heeft. De eerste keer dat hij een kwartier onbegeleid verlof had, heeft hij cannabis gebruikt. Er is sprake van een ernstig verslaafd en psychotisch kwetsbaar brein. Betrokkene doet voorkomen dat hij dit begrijpt en ook wil stoppen met drugsgebruik, maar hij geeft er geen blijk van dat hij daarnaar wil handelen.

In de thuissituatie kan betrokkene onbeperkt aan drugs komen. De rechtbank is van oordeel dat de zorgvorm van opname in een accommodatie in ieder geval kan bijdragen aan het voorkomen van ernstig nadeel. Daarmee kan dan ook naar alle verwachting voorkomen worden dat er opnieuw een crisissituatie door drugsgebruik ontstaat.

2.11.

Gelet op het voorgaande is voldaan aan de criteria voor en doelen van verplichte zorg als bedoeld in de Wvggz. De zorgmachtiging zal worden verleend voor de (verzochte) duur van zes maanden.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1.

verleent een zorgmachtiging ten aanzien van [naam] , geboren op [datum] , voor zover het de volgende vormen van verplichte zorg betreft:

  • -

    het toedienen van vocht, voeding en medicatie voor de duur van zes maanden;

  • -

    het verrichten van medische controles of andere medische handelingen en therapeutische maatregelen, ter behandeling van een psychische stoornis, dan wel vanwege die stoornis, ter behandeling van een somatische aandoening, voor de duur van zes maanden;

  • -

    beperken van de bewegingsvrijheid voor de duur van zes maanden;

  • -

    onderzoek aan kleding of lichaam voor de duur van zes maanden;

  • -

    onderzoek van de woon- of verblijfsruimte op gedrag-beïnvloedende middelen en gevaarlijke voorwerpen voor de duur van zes maanden;

  • -

    controleren op de aanwezigheid van gedrag-beïnvloedende middelen voor de duur van zes maanden;

  • -

    aanbrengen van beperkingen in de vrijheid het eigen leven in te richten, die tot gevolg hebben dat betrokkene iets moet doen of nalaten, waaronder het gebruik van communicatiemiddelen voor de duur van zes maanden;

  • -

    opnemen in een accommodatie voor de duur van zes maanden.

3.2.

bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met uiterlijk 13 november 2020;

3.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven op 13 mei 2020 door mr. M. van der Hoeven, rechter, bijgestaan door de griffier en in het openbaar uitgesproken op 13 mei 2020.

Tegen deze beschikking staat het rechtsmiddel van cassatie open.