Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4820

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-09-2020
Datum publicatie
15-01-2021
Zaaknummer
C/18/200370 PR RK 20/237
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking wegens bejegening en regievoering door de rechter.

Verzoek is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer: C/18/200370 / PR RK 20/237

beslissing van de meervoudige kamer van 2 september 2020

op het verzoek van:

[naam] ,

wonende te [adres] , [woonplaats] , verzoeker

tot wraking van

mr. J. Edgar, rechter in deze rechtbank.

1 De procedure

1.1.

Bij e-mail van 5 augustus 2020 heeft verzoeker een verzoek ingediend tot wraking van mr. J. Edgar als rechter (enkelvoudige raadkamer) in de zaak tussen verzoeker en de officier van justitie (met parketnummer 18-164145-20).

1.2.

Mr. Edgar heeft bij brief van 11 augustus 2020 aangegeven niet te berusten in het wrakingsverzoek.

1.3.

Het wrakingsverzoek is op 25 augustus 2020 in het openbaar behandeld door de meervoudige kamer voor de behandeling van wrakingszaken (de wrakingskamer).

1.4.

Bij de mondelinge behandeling is [naam] verschenen. Mr. Edgar is niet verschenen.

2 Het wrakingsverzoek en het verweer

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van rechter mr. Edgar, die optrad in de strafzaak die voor de rechtbank Noord-Nederland, afdeling Strafrecht, locatie Groningen, op 4 augustus 2020 heeft gediend onder het parketnummer 18-164145-20, op de gronden die verzoeker heeft uiteengezet in zijn wrakingsverzoek.

2.2.

Door verzoeker is aan het verzoek tot wraking ten grondslag gelegd dat mr. Edgar zijn zaak op de zitting van 4 augustus 2020 met vooringenomenheid heeft behandeld. Verzoeker geeft hiertoe aan dat hij door mr. Edgar tot drie keer toe grof is afgekapt toen hij met zijn inhoudelijk betoog wilde beginnen. Daarnaast stelt verzoeker door mr. Edgar niet in staat te zijn gesteld om zijn zinnen af te maken en door mr. Edgar op de zitting zowel verbaal als non-verbaal zeer onvriendelijk te zijn behandeld. Verder verwijt hij mr. Edgar dat zij niet is ingegaan op zijn verzoek de echtheid van een factuur te onderzoeken en stelt verzoeker dat er voor de behandeling op de zitting veel te weinig tijd was ingepland, omdat er na zijn zaak een videoverhoor stond ingepland.

2.3.

Mr. Edgar heeft niet berust in de wraking. In haar schriftelijke reactie heeft zij
– samengevat weergegeven – naar voren gebracht dat voor de behandeling van het klaagschrift van verzoeker 30 minuten is uitgetrokken en dat die tijd voldoende was voor de inhoudelijke behandeling van de zaak en ook om een gedegen beslissing te kunnen nemen. Verder heeft mr. Edgar aangegeven dat zij verzoeker op de zitting diverse malen in zijn verhaal heeft onderbroken, omdat hij zijn klaagschrift uitvoerig wilde herhalen en wilde uitweiden over zaken die geen verband hielden met de zaak. Mr. Edgar heeft aangegeven dat het klopt zij verzoeker op de zitting in zijn verhaal heeft onderbroken, maar niet op ‘grove wijze’, zoals hij stelt. Zij stelt dat zij gericht was op het verzamelen van zoveel mogelijk informatie om de zaak goed te kunnen beoordelen en dat de wijze waarop de zaak van verzoeker is behandeld niet tot de schijn van vooringenomenheid bij haar kan leiden.

3 De beoordeling

3.1.

Artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat elk van de rechters die een zaak behandelen op verzoek van een verdachte kunnen worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem of haar bekend zijn geworden.

3.3.

Verzoeker heeft aangevoerd dat mr. Edgar hem op de zitting van 4 augustus 2020 meerdere keren op grove wijze heeft onderbroken en dat zij hem op de zitting zowel verbaal als non-verbaal zeer onvriendelijk heeft behandeld. Ook heeft verzoeker aangevoerd dat voor de behandeling van zijn zaak veel te weinig tijd was uitgetrokken. De wrakingskamer overweegt hierover dat het aan mr. Edgar als rechter is om de orde ter zitting te bewaken en regie te voeren op de zitting. Daarbij komt de rechter een ruime mate van vrijheid toe. Voor zover mr. Edgar op de zitting van 4 augustus 2020 verzoeker diverse keren in zijn verhaal heeft onderbroken en dat zij het op de zitting alleen over het klaagschrift wilde hebben, past dit binnen de ruimte die een rechter op zitting toekomt. Mede gelet op de uitleg die

mr. Edgar in haar brief van 11 augustus 2020 daarover gegeven heeft, valt niet in te zien dat zij daarmee blijk heeft gegeven van (de schijn van) vooringenomenheid.

3.4.

Voor zover verzoeker heeft aangevoerd dat mr. Edgar bepaalde onderwerpen op de zitting wilde laten rusten, zoals het onderzoek naar de echtheid van een factuur, overweegt de wrakingskamer het volgende. De beslissingen in deze van mr. Edgar zijn aan de rechter voorbehouden en zijn geen grond voor wraking.

3.5.

De feiten en omstandigheden die verzoeker ter onderbouwing van het verzoek naar voren heeft gebracht en de door hem op de zitting gegeven toelichting, leveren ook overigens op zichzelf geen grond op voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden en vormen derhalve geen grond voor wraking.

3.6.

Gelet op het vorenstaande is de wrakingskamer van oordeel dat het wrakingsverzoek afgewezen dient te worden.

4 Beslissing

De wrakingskamer:

4.1.

wijst het verzoek om wraking van mr. Edgar af;

4.2.

draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de gewraakte rechter mr. Edgar, andere betrokken partijen, alsmede aan de voorzitter van het team strafrecht, waarin de rechter werkzaam is

Deze beslissing is gegeven door mr. Th.A. Wiersma, voorzitter, mr. P.J. Duinkerken en

mr. A. Jongsma, als leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2020.

de griffier de voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Tegen de beslissing staat geen rechtsmiddel open.