Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4707

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
25-11-2020
Datum publicatie
05-01-2021
Zaaknummer
17/175357
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

kinderrechter wijst verzoek gesloten machtiging uithuisplaatsing af. Het wachten op een geschikte vervolgplek kan niet langer een rechtvaardiging vormen voor een gesloten machtiging, temeer nu een gesloten plaatsing niet tot verbetering van de situatie voor de minderjarige heeft geleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaakgegevens : C/17/175357 / FJ RK 20-988

datum uitspraak: 25 november 2020

beschikking machtiging gesloten jeugdhulp


in de zaak van

[naam] , hierna te noemen het college,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

betreffende

[naam] , geboren op [geboortedag] 2003 te [geboorteplaats] , hierna te noemen [minderjarige] .

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[naam] , hierna te noemen de vader,

wonende te [woonplaats] ,

[naam] , hierna te noemen de moeder,

wonende te [woonplaats] .

1 Het verdere procesverloop

1.1.

Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:

- de beschikking van 27 oktober 2020, waarvan de inhoud als hier herhaald en ingelast dient te worden beschouwd;

- de brief met bijlage van het college van 18 november 2020, ingekomen bij de griffie op 19 november 2020.

1.2.

Op 25 november 2020 heeft de kinderrechter de zaak ter zitting met gesloten deuren behandeld. De zaak is gelijktijdig behandeld met het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: RvdK) tot ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot aan zijn meerderjarigheid, bij de rechtbank bekend onder zaaknummer C/17/175866 / FJ RK 20-1083. In deze zaak komt een aparte beschikking.

1.3.

Gehoord zijn:

- de minderjarige [naam] , bijgestaan door mr. H.M. Terpstra;

- de moeder;

- mevrouw [naam] en mevrouw [naam] , namens het college.

1.4.

In verband met de gelijktijdige behandeling van het verzoek tot ondertoezichtstelling waren ook mevrouw [naam] namens de RvdK en mevrouw [naam] namens de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering (hierna: de GI) bij de zitting aanwezig.

1.5.

De vader is opgeroepen, maar is niet verschenen.

2 De feiten

2.1.

Het ouderlijk gezag over [minderjarige] wordt uitgeoefend door de ouders.

2.2.

[minderjarige] verblijft bij Woodbrookers.

2.3.

Bij beschikking van 27 oktober 2020 is een machtiging gesloten jeugdhulp verleend tot 18 december 2020 en is het verzoek voor de resterende duur aangehouden.

3 Het verzoek

3.1.

Het college handhaaft zijn verzoek om [minderjarige] in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven tot 6 februari 2021. Ter motivering van het verzoek voert het college het volgende aan.

3.2.

Het is voor alle partijen duidelijk dat de huidige plek bij Woodbrookers niet de meest ideale plek is voor [minderjarige] , maar het college is van mening dat dit wel de best mogelijke plek is ter overbrugging naar een vervolgplek die bij zijn zorgbehoefte past. Deze plek is nog niet gevonden, maar hier wordt wel hard aan gewerkt. Zo is de casus bij het Regionaal Expertiseteam (REX) ingebracht om mee te denken over een passende plek. Ook heeft Reik zich aan de casus verbonden; Reik wil een passend aanbod gaan creëren voor [minderjarige] . Het is onduidelijk op welke termijn er daadwerkelijk een plek voor [minderjarige] zal zijn.

3.3.

Het gedrag van [minderjarige] is de afgelopen periode niet veranderd. Hij loopt nog steeds veelvuldig weg en op 27 oktober 2020 heeft de politie een zorgmelding bij Veilig Thuis gedaan dat [minderjarige] zich in een onveilig netwerk bevindt waar sprake is van alcohol- en drugsgebruik. Nu [minderjarige] regelmatig wegloopt, zich onttrekt aan zijn behandeling en er zorgen zijn over zijn veiligheid, is het college van mening dat de gesloten setting de juiste kaders biedt en op dit moment noodzakelijk is.

4 Het standpunt van de belanghebbenden

Het standpunt van [minderjarige]

4.1.

zit bij Woodbrookers niet op zijn plek en hij heeft het idee dat het alleen maar slechter met hem gaat hoe langer hij hier blijft. Hij wil dan ook zo snel mogelijk bij Woodbrookers weg. Hij voelt zich hopeloos en machteloos. [minderjarige] geeft aan dat hij zich op een andere plek zal gedragen en zich volledig zal inzetten. Wanneer [minderjarige] stress, spanning en/of een gevoel van onveiligheid ervaart bij Woodbrookers, heeft hij zichzelf niet onder controle en loopt hij weg. Een gesloten plaatsing helpt hem niet verder. [minderjarige] wil wel graag in Fryslân blijven, zodat hij op dezelfde school kan blijven. Verder wil [minderjarige] benadrukken dat de zorgmelding van de politie over middelengebruik onterecht is; middelengebruik is niet zo'n groot probleem bij hem.

4.2.

Namens [minderjarige] is aangevoerd dat de noodzakelijkheid voor een gesloten plaatsing ontbreekt en dat op dit moment leidend is dat er geen alternatief is. Dat is niet de bedoeling van een gesloten plaatsing. Daarnaast wordt [minderjarige] getriggerd in Woodbrookers. Het zou beter zijn voor [minderjarige] om te kijken naar een andere tussenplek ter overbrugging naar een passende permanente plek. Aan de andere kant is er bijna geen andere optie dan het verlengen van de machtiging. Hopelijk heeft de aan te stellen gezinsvoogd nieuwe ideeën en mogelijk dat Fier van betekenis kan zijn.

Het standpunt van de moeder

4.3.

De moeder staat achter het verzoek, maar ze maakt zich tegelijkertijd ook zorgen over het verblijf van [minderjarige] bij Woodbrookers. Meer vrijheid lijkt geen goede oplossing te zijn, maar meer geslotenheid ook niet. De moeder weet niet hoe het verder moet. Verder wil de moeder nog benadrukken dat een plaatsing van [minderjarige] in een pleeggezin absoluut niet haalbaar en ook niet veilig is.

5 De visie van de RvdK

De RvdK heeft aangegeven dat een gesloten plaatsing niet perse nodig is, maar geeft aan ook niet te weten wat voor nu de beste oplossing is. Een gesloten plaatsing doet [minderjarige] geen goed vindt de RvdK, maar of een meer open setting beter voor hem is, is ook maar de vraag. Mogelijk dat Fier een passende setting voor hem is.

6 De beoordeling

6.1.

Gelet op het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet kan een machtiging gesloten jeugdhulp slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter deze jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren. Bovendien dient de opneming en het verblijf noodzakelijk te zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken.

6.2.

De kinderrechter overweegt dat er veel zorgen zijn over [minderjarige] . [minderjarige] heeft persoonlijke problematiek (onder meer autisme en functioneren op een laag sociaal-emotioneel niveau) en er is sprake van risicovol gedrag. [minderjarige] kan namelijk agressief zijn, heeft onveilige seksuele contacten met oudere mannen en heeft een risicovol sociaal netwerk waar ook drugs wordt gebruikt. Vanwege de grote zorgen en het onttrekken aan de behandeling verblijft [minderjarige] al langere tijd bij Woodbrookers. Daar krijgt hij een grote mate van vrijheid vanwege de kans op escalaties indien er een strikter regime geldt. Deze aanpak is wellicht te rechtvaardigen, maar heeft niet geleid tot een verbetering van de situatie voor [minderjarige] . [minderjarige] is ongelukkig bij Woodbrookers en niet gemotiveerd voor behandeling. Hierdoor vlucht hij vaak weg bij Woodbrookers. De zorgen over [minderjarige] zijn het afgelopen jaar toen hij bij Woodbrookers verbleef geenszins verminderd. Behandeling komt voorts niet of nauwelijks van de grond. Een verblijf bij Woodbrookers helpt hem dan ook niet verder.

Het college erkent dit en is al lange tijd op zoek naar een passende vervolgplek voor [minderjarige] die aansluit bij zijn zorgbehoefte, maar het blijkt erg lastig te zijn om deze plek te vinden. De kinderrechter is van oordeel dat het wachten op een passende vervolgplek niet langer een noodzaak kan zijn voor een langer gesloten verblijf. Ook in de geslotenheid onttrekt [minderjarige] zich aan de behandeling en wordt geen resultaat geboekt, zodat het opnieuw verlengen van de gesloten plaatsing niet langer voldoet aan het bepaalde in artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet. Nu een gesloten plaatsing een inbreuk maakt op de rechten van [minderjarige] dient hier immers terughoudend mee omgegaan te worden. Ook de RvdK heeft aangegeven dat een gesloten plaatsing niet noodzakelijk is voor [minderjarige] , maar dat hij wel behoefte heeft aan een passende plek. Dit betekent dat de kinderrechter het verzoek grotendeels zal afwijzen.

De kinderrechter ziet nog wel aanleiding om de machtiging gesloten jeugdhulp voor een korte periode, te weten tot 1 januari 2021, te verlengen. Er is immers nog geen vervolgplek gevonden en een thuisplaatsing is ook geen optie. Het volledig afwijzen van het verzoek is niet in het belang van [minderjarige] .

Verder overweegt de kinderrechter dat [minderjarige] bij beschikking van 25 november 2020 onder toezicht is gesteld tot zijn meerderjarigheid; dit betekent dat de GI nu verantwoordelijk is voor het vinden van een geschikte plek voor [minderjarige] . De GI moet hier met spoed mee aan de slag en wanneer niet gelijk een geschikte duurzame plek kan worden gevonden, moet een tussenoplossing worden gevonden. Het is vervolgens aan de GI om

voor deze plek een machtiging tot uithuisplaatsing te verzoeken aan de kinderrechter.

7 De beslissing

7.1.

De kinderrechter:

7.2.

verleent een machtiging gesloten jeugdhulp met ingang van 18 december 2020 tot uiterlijk 1 januari 2021 betreffende de minderjarige [minderjarige] ;

7.3.

wijst het meer verzochte af.

Deze beschikking is mondeling gegeven en in het openbaar uitgesproken op 25 november 2020 door mr. J. Teertstra, kinderrechter, in tegenwoordigheid van de griffier. De schriftelijke uitwerking van deze beschikking is vastgesteld op 9 december 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

fn: 871