Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4669

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
31-12-2020
Datum publicatie
31-12-2020
Zaaknummer
LEE 20/3811
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Voorlopige voorziening
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOM 2021/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/3811


uitspraak van de voorzieningenrechter van 31 december 2020 in de zaak tussen

[verzoeker 1] en [verzoeker 2] , woonachtig op [straatnaam] te Emmen,

[verzoeker 3] en [verzoeker 4] , woonachtig op [straatnaam] te Emmen,

[verzoeker 5] , woonachtig op [straatnaam] te Zwartemeer,

[verzoeker 6] , woonachtig op [straatnaam] te Erica

gezamenlijk: verzoekers


en

het college van burgemeester en wethouders van Emmen, verweerder(gemachtigde: mr. B. Jonker).

Als derde-partijen hebben aan het geding deelgenomen:

[naam 1] , te Zwartemeer;

[naam 2] , te Emmen.

Procesverloop

Bij twee afzonderlijke brieven van 1 november 2020 hebben verzoekers verweerder verzocht om op 31 december 2020 handhavend op te treden tegen carbidschieten, drankgebruik op openbare plaatsen en parkeren in groenvoorzieningen in de nabijheid van hun woningen in Zwartemeer en in de wijk Noordbarge in Emmen.

Bij twee afzonderlijke brieven van 22 december 2020 heeft verweerder op die handhavingsverzoeken gereageerd.

Bij brief van 28 december 2020 hebben verzoekers tegen de brieven van 22 december 2020 bezwaar gemaakt. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 29 december 2020 hebben verzoekers bezwaar gemaakt tegen verweerders voornemen om aan de derde-partijen op grond van artikel 4:4 van de Algemene Plaatselijke Verordening Emmen 2017 (de APV) ontheffing te verlenen.

Bij twee afzonderlijke besluiten van 30 december 2020 heeft verweerder aan de derde-partijen, ieder afzonderlijk, op grond van artikel 4:4 van de APV ontheffing verleend voor het veroorzaken van geluidsoverlast bij het carbidschieten op 31 december 2020 van 13:00 uur tot 18:00 uur.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 december 2020. Verzoeker [verzoeker 1] is verschenen. De andere verzoekers hebben zich laten vertegenwoordigen door verzoeker [verzoeker 1] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De derde-partijen zijn niet verschenen.

Overwegingen

1. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

2. Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (de Awb) – voor zover hier van belang – kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de bestuursrechter bezwaar is gemaakt, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Procedurele aspecten

3.
De voorzieningenrechter stelt vast dat ter zitting door verzoeker [verzoeker 1] desgevraagd is aangegeven dat verzoeker [verzoeker 6] , anders dan de andere verzoekers, geen direct omwonende van de carbidlocaties in Emmen en/of Zwartemeer is. Volgens verzoeker [verzoeker 1] is verzoeker [verzoeker 6] bestuursrechtjurist en verleent hij juridische bijstand aan de andere vier verzoekers. Gelet op die omstandigheden merkt de voorzieningenrechter verzoeker [verzoeker 6] niet aan als belanghebbende bij het onderhavige verzoekschrift, maar als mede-gemachtigde van de andere vier verzoekers.

4. De voorzieningenrechter acht voldoende aannemelijk dat de andere vier verzoekers een spoedeisend belang hebben bij beoordeling van hun verzoek. Dit is tussen partijen ook niet in geschil.

Omvang van het geding

5.
De voorzieningenrechter stelt vast het onderhavige verzoekschrift enkel betrekking heeft op carbidschieten en drankgebruik op openbare plaatsen nabij de woningen van de verzoekers die woonachtig zijn in Emmen en/of Zwartemeer. Het verzoekschrift ziet niet op andere onderwerpen die zijn genoemd in beide handhavingsverzoeken van 1 november 2020, zoals parkeren in groenvoorzieningen. Voorts constateert de voorzieningenrechter dat ter zitting met partijen is vastgesteld dat het onderhavige verzoek zich toespitst op (de gevolgen van) het carbidschieten op die locaties in Emmen en Zwartemeer, temeer nu op grond van de coronamaatregelen geen samenkomsten en evenementen rondom het carbidschieten mogen worden gehouden. De voorzieningenrechter laat daarom het onderwerp drankgebruik op openbare plaatsen buiten de beoordeling van de verzoeken, zoals ook ter zitting met partijen is afgesproken.

Verweerders brieven van 22 december 2020

6.
Voorts stelt de voorzieningenrechter vast dat verweerder bij twee afzonderlijke brieven van 22 december 2020 op de handhavingsverzoeken van 1 november 2020 heeft gereageerd. In die brieven heeft verweerder – samengevat – overwogen dat beide verzoeken een herhaling zijn van eerder door verzoekers ingediende verzoeken van 1 april 2020. Verweerder heeft overwogen dat hij onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de AbRS) van 4 maart 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:671) in een beslissing op bezwaar van 3 november 2020 heeft aangegeven dat een dergelijk verzoek van verzoekers mede gelet op de afwezigheid van concrete overtredingen en overtreders niet kan worden opgevat als een verzoek om een besluit, tot opleggen van een bestuurlijke sanctie, te nemen. Dit geldt ook voor de verzoeken van 1 november 2020, aldus verweerder.

7. De voorzieningenrechter overweegt dat hij pas bevoegd is om te beslissen op het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening als dat connex is aan een bezwaarschrift dat is gericht tegen een besluit. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft hij in dit geval die bevoegdheid. Hij overweegt daartoe als volgt.

7.1.

Vaststaat dat verzoekers [verzoeker 1] , [verzoeker 2] , [verzoeker 3] en [verzoeker 4] woonachtig zijn nabij een locatie in de wijk Noordbarge waar al meerdere aaneensluitende jaren tijdens de jaarwisseling carbid wordt geschoten. Verzoekster [verzoeker 5] is woonachtig nabij een soortgelijke locatie in Zwartemeer. Ook staat vast dat die verzoekers in eerdere jaren bij verweerder melding hebben gemaakt van overlast als gevolg van het carbidschieten en verweerder hebben verzocht om handhavend op te treden. Daarnaast staat vast dat derde-partij [naam 2] voor de locatie in Noordbarge en derde-partij [naam 1] voor de locatie in Zwartemeer eerder dit jaar meldingen in de zin van artikel 2:40, aanhef en

onder 6, van de APV aan verweerder heeft gedaan. Ook staat vast dat verweerder ten tijde van indiening van beide handhavingsverzoeken op 1 november 2020 nog geen ontheffingen in de zin van artikel 4:4, derde lid, van de APV aan de derde-partijen had verleend.

7.2.

In het licht van die feiten en omstandigheden is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, anders dan verweerder in de brieven van 22 december 2020 meent, in dit geval voldoende concreet welke potentiële overtredingen en potentiële overtreders er zouden kunnen zijn. Uit de uitspraak van de voorzieningenrechter van deze rechtbank van 30 december 2019 (ECLI:NL:RBNNE:2019:5427) en van deze rechtbank van 18 december 2020 (ECLI:NL:RBNNE:2020:4500) volgt dat verweerder gehouden is om een besluit te nemen op een handhavingsverzoek als dat is gebaseerd op mogelijke overtreding van
artikel 4:4, tweede lid, van de APV bij carbidschieten. Nu in het onderhavige geval ten tijde van beide handhavingsverzoeken concrete meldingen waren gedaan gericht op carbidschieten nabij de woningen van verzoekers en nog geen ontheffingen op grond van artikel 4:4, derde lid, van de APV waren verleend, bestond de dreiging dat de derde-partijen met het carbidschieten het verbod van artikel 4:4, tweede lid, van de APV zouden gaan overtreden. Anders dan in het geval genoemd in de uitspraak van de AbRS van 4 maart 2020 betroffen de handhavingsverzoeken van 1 november 2020 daarmee verzoeken om een besluit tot oplegging van een bestuurlijke sanctie te nemen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter moeten verweerders reacties op die handhavingsverzoeken, te weten zijn brieven van 22 december 2020, als besluiten als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb worden aangemerkt waartegen verzoekers als belanghebbenden bezwaar konden maken.

Het had op verweerders weg gelegen om de handhavingsverzoeken inhoudelijk te onderzoeken en beoordelen.

8. Gelet op wat hiervoor onder 7.2. is overwogen, is zijn de besluiten van 22 december 2020 niet gebaseerd op een voldoende zorgvuldig onderzoek en zijn die niet voldoende deugdelijk gemotiveerd. De voorzieningenrechter acht die besluiten daarom in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.

9. De voorzieningenrechter ziet in deze motiverings- en onderzoeksgebreken echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hij betrekt daarbij dat thans wel ontheffingen in bovengenoemde zin aan de derde-partijen zijn verleend. Met die ontheffingen staat thans niet op voorhand vast dat carbidschieten nabij de woningen van verzoekers een overtreding in bovengenoemde zin zal opleveren. In de stellingen van verzoekers dat tijdens voorgaande jaarwisselingen tijdens het carbidschieten allerhande overtredingen van verschillende aard zijn begaan, ziet de voorzieningenrechter op dit moment onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat op voorhand duidelijk is dat er dit jaar bij het carbidschieten zelf nabij de woningen van verzoekers ernstige overtredingen zullen plaatsvinden. Gezien het karakter van de ontheffingen, waarbij noch nadere geluidsnormen, noch nadere plaatsaanduidingen waar het carbidschieten precies mag plaatsvinden, noch nadere voorschriften omtrent de intensiteit van het carbidschieten zijn gegeven en waarbij slechts een tijdvak is aangegeven waarbinnen het carbidschieten mag plaatsvinden, zou een overtreding slechts kunnen bestaan uit het te vroeg of te laat carbidschieten. De voorzieningenrechter ziet in het dossier en in hetgeen door partijen ter zitting naar voren is gebracht onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat het op voorhand aannemelijk is dat derde-partijen in ernstige mate te vroeg zullen beginnen met carbidschieten of daar te lang mee door zullen gaan.

Tenslotte betrekt de voorzieningenrechter in zijn afweging dat verweerder ter zitting heeft toegezegd dat op die locaties in Emmen en Zwartemeer op oudejaarsdag regelmatig controles zullen worden gehouden.

Ontheffingen van 30 december 2020

10. Teneinde effectieve rechtsbescherming te bieden, het feit dat verzoekers reeds bezwaar hebben gemaakt tegen de ontheffingen van 30 december 2020 en het feit dat de jaarwisseling snel nadert, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening mede gericht te achten tegen die ontheffingen. Daarover overweegt hij het volgende.

10.1.

De voorzieningenrechter constateert dat uit het dossier en het verhandelde ter zitting volgt dat verweerder aan beide ontheffingen geen (onderzoeks)informatie over (de mate van) geluidsoverlast door carbidschieten op de locaties in Emmen en Zwartemeer ten grondslag heeft gelegd. Evenmin heeft verweerder inzichtelijk gemaakt hoe hij de af te wegen belangen heeft onderzocht en op welke wijze hij de concrete belangen van verzoekers bij toepassing van zijn ontheffingsbevoegdheid heeft betrokken. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de ontheffingen daarmee in strijd met artikel 3:2 van de Awb genomen.

10.2.

De voorzieningenrechter constateert dat verweerder ter zitting voorts geen inzicht heeft kunnen geven in zijn belangenafweging die aan de ontheffingen en de daarin opgenomen voorschriften ten grondslag ligt. In de ontheffingen zelf is slechts aangegeven dat verweerder vindt dat het carbidschieten een diepgewortelde traditie is die in 2014 is aangemerkt als Immaterieel Erfgoed op de nationale erfgoedlijst en dat in het belang van omwonenden de tijdsduur van het carbidschieten is beperkt.

De voorzieningenrechter constateert dat het enkele feit dat het carbidschieten in zijn algemeenheid als Immaterieel Erfgoed is aangemerkt niet de conclusie kan dragen dat omwonenden het carbidschieten daarom moeten dulden. Al was het maar omdat die aanwijzing niets zegt over de gevolgen van geluidsoverlast op deze specifieke locaties en op de woon- en leefomgeving van verzoekers. Daar komt bij dat ter zitting door partijen is aangegeven dat het carbidschieten op beide locaties pas sinds 2014 jaarlijks plaatsvindt waartegen steeds enige weerstand van omwonenden is geweest, zodat ter plaatse niet van een diepgewortelde traditie kan worden gesproken. Ten aanzien van de meer specifieke belangen van omwonenden, waaronder die van verzoekers, heeft verweerder niet kunnen uitleggen waarom met enkel het voorschrift in de vorm van een tijdvak voldoende aan hun belangen is tegemoetgekomen.

De voorzieningenrechter concludeert uit het bovenstaande en de uitlatingen van verweerder ter zitting dat er geen belangenafweging zoals bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb heeft plaatsgevonden. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter zijn de ontheffingen daarmee in strijd met dat artikel.

10.3.

De voorzieningenrechter ziet in de geconstateerde gebreken echter geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Hij overweegt daarbij dat partijen na de zitting hebben aangegeven dat in onderling overleg door derde-partij [naam 2] is besloten dat het carbidschieten in Noordbarge de komende jaarwisseling niet doorgaat. Daarmee valt geen geluidsoverlast door carbidschieten meer te verwachten in de nabijheid van de percelen van de verzoekers die in Noordbarge wonen. Tevens heeft dat overleg er in geresulteerd dat derde-partij [naam 1] het carbidschieten in Zwartemeer zal laten plaatsvinden op een aanmerkelijk grotere afstand van de woning van verzoekster [verzoeker 5] dan oorspronkelijk de bedoeling was. Die afstand zal 265 meter bedragen en het carbidschieten zal plaatsvinden in noordelijke richting, weg van het perceel van verzoekster [verzoeker 5] . De voorzieningenrechter gaat er, mede omdat het carbidschieten in de tijd beperkt is, vooralsnog van uit dat daarmee de geluidsoverlast voor verzoekster [verzoeker 5] hiermee tot aanvaardbare porporties is teruggebracht.

In het licht van het voorgaande wegen naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de belangen gemoeid met het kunnen gebruiken van de verleende ontheffing door derde-partij [naam 1] zwaarder dan de belangen van verzoekers bij het niet gebruiken daarvan.

Conclusie

11. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

12. In het licht van het voorgaande stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekers het verzoek terecht hebben ingediend. Daarom bepaalt hij dat verweerder aan verzoekers het door hen betaalde griffierecht van € 178,- vergoedt.

13. De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekers gemaakte proceskosten. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers niet aannemelijk hebben gemaakt dat in dit geval sprake is geweest van kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Hoewel verzoekers hebben aangevoerd dat mede-gemachtigde [verzoeker 6] bestuursrechtjurist is en hen van juridisch advies heeft voorzien, hebben zij die stelling niet onderbouwd. Daarbij betrekt de voorzieningenrechter dat verzoekers allen gezamenlijk het onderhavige verzoekschrift hebben ingediend. Ook is van belang dat verzoekers niet hebben geconcretiseerd welke kosten mede-gemachtigde [verzoeker 6] heeft gemaakt voor de behandeling van het verzoekschrift. Dergelijke kosten hebben verzoekers evenmin vermeld op het ingediende formulier proceskosten.

De voorzieningenrechter ziet wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de door verzoeker [verzoeker 1] gemaakte reiskosten voor het bijwonen van de zitting. De voorzieningenrechter stelt die reiskosten vast op een totaalbedrag van € 16,50 (een retourreis met het openbaar vervoer tussen [straatnaam] te Emmen en Guyotplein 1 te Groningen). Verder stelt de voorzieningenrechter vast dat verzoekers geen andere voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten hebben opgegeven.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178,- aan verzoekers te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekers tot een

totaalbedrag van € 16,50.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.L. Vucsán, voorzieningenrechter, in aanwezigheid vanmr. R.A. Schaapsmeerders, griffier, op 31 december 2020.

De griffier in verhinderd

de uitspraak te tekenen

griffier

voorzieningenrechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

typ: SCHA

Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.