Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4632

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
29-12-2020
Datum publicatie
29-12-2020
Zaaknummer
18/167553-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (medeplegen van) grootschalige productie van synthetische drugs en aan betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet door een gedeelte van de door hem bewoonde boerderij ter beschikking te (blijven) stellen. Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van € 19.523,70. De rechtbank heeft verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 18 maanden.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 420bis
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/167553-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 29 december 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats],

volgens de tenlastelegging: wonende te [straatnaam], [woonplaats],

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 6 oktober 2020 en 15 december 2020.

Verdachte is ter terechtzitting van 15 december 2020 verschenen, bijgestaan door mr. F.H. Kappelhof, advocaat te Delfzijl. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. N. Tromp.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 mei 2020

tot en met 26 juni 2020 te [pleegplaats], gemeente De Wolden,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) opzettelijk hebben/heeft vervaardigd in elk geval opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad ongeveer

- 56,085 kilogram aan kristallen metamfetamine (crystal meth), in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine en/of

- 756,175 liter aan metamfetamine base (crystal meth), in elk geval (grote) een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en/of

methamfetamine-olie, zijnde methamfetamine, zijnde methamfetamine (in ieder geval) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meerdere (tot op heden) onbekend gebleven perso(o)n(en), op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode 1 mei 2020 tot en met 26 juni 2020

te [pleegplaats], gemeente De Wolden,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

(telkens) opzettelijk hebben/heeft vervaardigd in elk geval opzettelijk aanwezig hebben/heeft gehad ongeveer

- 56,085 kilogram aan kristallen metamfetamine (crystal meth), in elk geval een (grote) hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine, zijnde methamfetamine en/of

- 756,175 liter aan metamfetamine base (crystal meth), in elk geval (grote) een hoeveelheid van een materiaal bevattende methamfetamine en/of

methamfetamine-olie, zijnde methamfetamine,

(in ieder geval) (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet,

bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte,

op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode 1 mei 2020 tot

en met 26 juni 2020 te [pleegplaats], gemeente Hoogeveen,

(telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtigen heeft verschaft, door:

- een (deel van een) woning en/of schuur, althans het pand, [straatnaam] te [pleegplaats] ter beschikking te stellen voor (telkens) de vervaardiging en/of productie en/of opslag van voornoemde stoffen, althans (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2

hij op een of meer tijdstippen, op of omstreeks de periode 26 juni 2020

te [pleegplaats], gemeente De Wolden,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine (crystal meth),

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine,

zijnde metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen, toen aldaar (telkens) in voornoemde periode A. een (grote) hoeveelheid (vloei)stoffen/materialen (bevattende) onder meer

- wijnsteenzuur en/of

- methanol en/of

- methylamine en/of

- aceton en/of

- tolueen en/of

- natriumhydroxide en/of

- kwikchloride en/of

- zoutzuur en/of

- BenzylMethylKeton en/of

- methylthioglycolaat en/of

- AzobislsoButyroNitril en/of

- iMYristylPeroxidediCarbonaat en/of

B. een of meerdere materia(a)l(en)/goed(eren) te weten (onder meer) een of meerdere,

- gaswasinstallatie(s) en/of

- ventilatorkast(en) en/of

- koolstoffilter(s) en/of

- roermotor(en) en/of

- kookopstelling(en) bestaande uit een elektrische verwarmingsmantel met daarin geplaats een glazenrondbodemkolf voorzien van een glazen koeler en/of

- destillatieopstelling(en) (in opbouw) bestaande uit een rvs kookketel, rvs koeler en een rvs opvangketel en/of

- diepvrieskist(en) en/of

- houtenframe(s) met gaas (zeef) en/of

- afzuigkast(en) en/of

- centrifuge(s),

(in elk geval) (telkens) voorwerpen en/of stoffen voorhanden hebben/heeft gehad, waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden, dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en);

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

een of meerdere (tot op heden) onbekend gebleven perso(o)n(en),

op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode 1 mei 2020 tot en met 26 juni 2020

te [pleegplaats], gemeente De Wolden,

tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine (crystal meth),

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en/of te bevorderen ,toen aldaar (telkens) in voornoemde periode

A. een (grote) hoeveelheid (vloei)stoffen/materialen (bevattende) onder meer

- wijnsteenzuur en/of

- methanol en/of

- methylamine en/of

- aceton en/of

- tolueen en/of

- natriumhydroxide en/of

- kwikchloride en/of

- zoutzuur en/of

- BenzylMethylKeton en/of

- methylthioglycolaat en/of

- AzobislsoButyroNitril en/of

- iMYristylPeroxidediCarbonaat en.of

B. een of meerdere materia(a)l(en)/goed(eren) te weten (onder meer) een of meerdere,

- gaswasinstallatie(s) en/of

- ventilatorkast(en) en/of

- koolstoffilter(s) en/of

- roermotor(en) en/of

- kookopstelling(en) bestaande uit een elektrische verwarmingsmantel met daarin geplaats een glazenrondbodemkolf voorzien van een glazen koeler en/of

- destillatieopstelling(en) (in opbouw) bestaande uit een rvs kookketel, rvs koeler en een rvs opvangketel en/of

- diepvrieskist(en) en/of

- houtenframe(s) met gaas (zeef) en/of

- afzuigkast(en) en/of

- centrifuge(s),

(in elk geval) (telkens) voorwerpen en/of stoffen voorhanden hebben/heeft gehad,

waarvan verdachte en/of zijn mededader(s) (telkens) wist(en) of ernstige redenen had(den) te vermoeden,

dat dat/die bestemd was/waren tot het plegen van dat/die feit(en), bij/tot het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven hij, verdachte,

op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode 1 mei 2020 tot en met 26 juni 2020

te [pleegplaats], gemeente Hoogeveen,

(telkens) opzettelijk behulpzaam is geweest en/of (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtigen heeft verschaft, door:

- een (deel van een) woning en/of schuur, althans het pand, [straatnaam] te [pleegplaats] (telkens) ter beschikking te stellen ten behoeve van de uitvoering van bovengenoemd(e) strafbare feit(en) en/of voor de opslag van bovengenoemd(e) stoffen (vloei)stoffen/materialen en/of materia(a)l(en)/goed(eren);

3

hij, op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 1 mei 2020

tot en met 26 juni 2020,

te [pleegplaats], gemeente De Wolden, althans in Nederland,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

(telkens) voorwerpen, te weten een contant geldbedrag ter hoogte van (in totaal)

19.523,70 euro,

althans een (groot) (contant) geldbedrag, hebben/heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,

terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en) dat dit geld geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig (eigen) misdrijf, en hij en/of

zijn mededader(s) van het plegen van dit feit een gewoonte heeft gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder 1 primair ten laste gelegde.

Het onder 1 subsidiair ten laste gelegde acht de officier van justitie wel wettig en overtuigend bewezen, nu verdachte gelet op zijn verklaringen opzettelijk behulpzaam is geweest bij het plegen van een misdrijf door een deel van de door hem bewoonde boerderij met geschakelde schuur aan de [straatnaam] te [pleegplaats] ter beschikking te stellen voor de vervaardiging van - kort gezegd - metamfetamine.

De officier van justitie heeft verder veroordeling gevorderd voor het onder 2 primair ten laste gelegde, het medeplegen van voorbereidingshandelingen. Uit de inhoud van het strafdossier volgt dat verdachte, tezamen met anderen, voorwerpen en stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij en zijn mededaders wisten dat die bestemd waren tot het plegen van een feit zoals bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet.

De officier van justitie heeft ook veroordeling gevorderd voor het onder 3 ten laste gelegde, witwassen. Daarbij neemt de officier van justitie in aanmerking dat verdachte wisselend heeft verklaard over de herkomst van het aangetroffen contante geldbedrag van in totaal € 19.523,70 en geen concrete en verifieerbare onderbouwing daarvoor heeft gegeven. Mede gelet op de omstandigheden waaronder het geld is aangetroffen en de overige omstandigheden in het strafdossier, kan het aldus de officier van justitie niet anders zijn dan dat het contante geld afkomstig is van enig misdrijf.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 primair ten laste gelegde, het medeplegen van het opzettelijk vervaardigen, dan wel aanwezig hebben, van metamfetamine. De rol van verdachte is van onvoldoende gewicht geweest om van medeplegen te kunnen spreken. Verdachte huurde de boerderij met geschakelde schuur aan de [straatnaam] te [pleegplaats]. Een gedeelte van dit pand verhuurde hij onder aan derden. In een deel van dit onderverhuurde gedeelte, te weten op de eerste verdieping van de geschakelde schuur, vond het vervaardigen van de metamfetamine plaats. Aan de hand van de feiten kan wel worden vastgesteld dat verdachte wist, althans had kunnen weten waarvoor de schuur werd gebruikt. Hij heeft de daarbij betrokken personen gefaciliteerd en aan hen onderdak verschaft. Weliswaar noodzakelijke handelingen, maar niet zodanig essentieel dat van medeplegen kan worden gesproken. Nu verdachte geen andere activiteiten heeft verricht bij het vervaardigen of het aanwezig hebben, is zeker geen sprake van de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking. De rol van verdachte is dan ook van onvoldoende gewicht geweest om van medeplegen te kunnen spreken, aldus de raadsman.

Door een gedeelte van de boerderij met geschakelde schuur ter beschikking te stellen terwijl verdachte wist waarvoor het was, heeft hij in elk geval wel de gelegenheid gegeven tot de vervaardiging van de metamfetamine. Dit levert in strafrechtelijke zin medeplichtigheid op.

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsman eveneens aangevoerd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde, het medeplegen van voorbereidingshandelingen. Verdachte wist dat er allerlei spullen werden gebracht. Hij wist echter niet welke spullen en zeker niet dat het de spullen waren zoals in de tenlastelegging omschreven. Hij stelde enkel een gedeelte van de boerderij met geschakelde schuur beschikbaar. Aldus is ook hier (slechts) sprake van medeplichtigheid.

Met betrekking tot het onder 3 ten laste gelegde heeft de raadsman aangevoerd dat enkel sprake is van wettig en overtuigend bewijs voor het feit dat het contante geldbedrag van € 9.000,- afkomstig is van enig misdrijf. Voor het overige gedeelte van het aangetroffen contante geld dient verdachte te worden vrijgesproken van witwassen. Het restantbedrag van € 10.523,70 zal aan verdachte moeten worden teruggegeven.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter zitting van 15 december 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik woonde vanaf 2013 in een boerderij in [pleegplaats] aan de [straatnaam].

Ik huurde de boerderij met geschakelde schuur. Sinds het voorjaar van 2020, vanaf omstreeks mei 2020, verhuurde ik het achter- en bovengedeelte van de boerderij en schuur onder aan een kameraad, mijn voormalig privéchauffeur [naam 1]. Ik werd door hem en nog een man benaderd met de vraag of zij een ruimte bij mij konden huren voor de opslag van korrels voor pelletkachels. Er is mondeling een huurovereenkomst afgesloten. De afspraak was dat ik € 500,- contant per maand zou ontvangen. Als de zaken goed zouden lopen zou dit bedrag kunnen oplopen tot € 1.000,- per maand. Op een gegeven moment was ik een weekend naar Den Haag en toen ik terugkwam zag ik dat men bezig was met het opzetten van een drugslab boven op zolder. Ik wist meteen dat het foute boel was. Ik heb gezegd dat dit niet de bedoeling was en dat ze het weg moesten halen. Ik werd vervolgens meerdere malen bedreigd. Ze zeiden gewoon dat ik in een vat met chemicaliën gestopt zou worden en dat er niks van mij teruggevonden zou worden. Ik voelde mij zwaar vernederd. Ik ben erin geluisd en ik kon hierna geen kant meer op. Ik was me ervan bewust dat er zich bij mij boven een drugslaboratorium bevond. Ik had echter een kleine rol. Het meeste ging buiten mij om. Doordeweeks waren er dagelijks vier Mexicaanse mannen in het lab. Zij sliepen in het pand en werden in het weekend door [naam 1] naar een verblijf in Beerta gebracht. Het afval van het lab werd éénmaal per week afgevoerd door een man die met een bestelauto langskwam.

De aangetroffen € 9.000,- heb ik ongeveer anderhalf à twee maanden vóór de inval gekregen van [naam 1] als voorschot voor eventuele onkosten. De overige aangetroffen geldbedragen zijn afkomstig uit de verkoop van vee en uit de erfenis van mijn moeder en tante. Ook heb ik een deel van mijn AOW opgespaard.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO d.d. 27 juni 2020 met als bijlage een fotomap, opgenomen op pagina 62 e.v. van het dossier van Politie Eenheid Noord-Nederland, Dienst Regionale Recherche Team, Dynamisch Sturen met proces-verbaalnummer NNRAA20007 d.d. 23 september 2020 (einddossier met paginanummers 1 tot en met 265), welk dossier is aangevuld op 8 december 2020 (aanvullend op einddossier met paginanummers 266 tot en met 330), inhoudend als verklaring van [naam 2], hoofdinspecteur van politie en werkzaam als senior LFO-expert bij de Landelijke Eenheid, Dienst Specialistische Operaties, Landelijk Forensisch Service Centrum, Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO):

Op vrijdag 26 juni 2020 omstreeks 11.58 uur en later heb ik op verzoek van [naam 3]

, inspecteur van politie en werkzaam bij de Dienst Regionale Recherche Groningen

van de politie eenheid Noord-Nederland, onderzoek verricht op de locatie [straatnaam]

te [pleegplaats].

Omschrijving locatie

De locatie betreft een boerderijwoning met een geschakelde schuur en een aantal vrijstaande opstallen. De geschakelde schuur van de boerderijwoning, tevens te betreden via de woning,

bestond uit een begane grond en een 1e verdieping.

Op de begane grond waren twee ruimtes in gebruik voor de opslag van chemicaliën gerelateerd aan de vervaardiging c.q. bewerking van (synthetische) drugs, namelijk ruimte A en ruimte B.

De 1e verdieping van de schuur was ingericht en in gebruik ten behoeve van de vervaardiging en bewerking van synthetische drugs, vermoedelijk metamfetamine. Deze ruimte wordt verder aangeduid met het kenmerk L.

De geschakelde schuur van de boerderijwoning was zowel via de woning te betreden als via een schuifdeur aan de achterzijde van de woning/schuur. De productieruimte op de 1e etage was via de slaapverblijven op de 1e etage van de woning te betreden. In de gang met de slaapverblijven was echter een houten plaat geplaatst, waardoor het niet direct mogelijk was om via de gang de twee slaapverblijven en de productieplaats te betreden.

Onderzoek

Hieronder volgt een summiere opsomming van de goederen welke een relatie hadden met de vervaardiging c.q. bewerking van synthetische drugs.

Ruimte A, afmetingen 5,20 m breed x 9,7 m lang. Deze ruimte was in gebruik voor de opslag van onder andere chemicaliën, namelijk:

• Emmers met wijnsteenzuur, totaal 500 kg;

• Jerrycans met mengsel methanol en methylamine, totaal 990 liter;

• Jerrycans met aceton, totaal 200 liter;

• Jerrycans met tolueen, totaal ongeveer 50 liter;

• Jerrycans met methanol, totaal ongeveer 325 liter;

• Zakken met caustic soda. natriumhydroxide, totaal 325 kilogram;

• 57 nieuwe rollen aluminiumfolie en een bak met geschredderde aluminiumfolie;

• 2 emmers met kwikchloride, totaal ongeveer 23,5 kilogram

Ruimte B, afmetingen 5,20 m breed x 3,66 m lang. Deze ruimte was in gebruik voor de opslag van chemicaliën en was voorzien van een gaswasinstallatie (twee gekoppelde 1000 liter containers) gekoppeld aan ventilatorkasten en koolstoffilters. In deze ruimte stonden onder andere de volgende chemicaliën:

• Jerrycans met zoutzuur, totaal ongeveer 550 liter;

• Verpakkingen met olieachtige vloeistof, indicatief positief op de aanwezigheid van metamfetamine base (olie), totaal 30 liter.

Ruimte L, afmetingen 13 m breed en 17,6 m lang. Deze ruimte was ingericht en in gebruik ten behoeve van de vervaardiging en bewerking van vermoedelijk metamfetamine. In deze ruimte werden onder andere de volgende goederen en productiemiddelen aangetroffen;

• Een IBC, 1000 liter container, voorzien van een roermotor, vermoedelijk gebruikt voor de omzetting van een preprecursor naar BMK, grondstof van (met)amfetamine;

• 4 kookopstellingen bestaande uit een elektrische verwarmingsmantel met daarin geplaatst een glazenrondbodemkolf voorzien van een glazen koeler;

• Een destillatieopstelling (in opbouw) bestaande uit een rvs kookketel, rvs koeler en een rvs opvangketel. Beide ketels met een inhoudsmaat van 150 liter;

• 3 gebruikte en vervuilde diepvrieskisten, vermoedelijk gebruikt voor de (her)kristallisatie van de aangetroffen kristallen metamfetamine (indicatief);

• Een houtenframe met gaas vermoedelijk gebruikt voor het zeven van de kristallen metamfetamine uit een vloeistof;

• Een met houten platen gemaakte afzuigkast met daarin geplaatst 3 220 liter klemdekselvaten, alle gevuld met een bruine olieachtige vloeistof, indicatief positief op de aanwezigheid van metamfetamine base (olie) (FD en kleurreactietest), totaal

437 liter;

• Zakken met caustic soda, natriumhydroxide, totaal 325 kilogram;

• Een met houten platen gemaakte afzuigkast met daarin geplaatst twee gasbrander steunen met gasbranders met daarop twee pannen;

• 17 gebruikte en vervuilde centrifuges, vermoedelijk gebruikt om de L- metamfetaminetartraat af te scheiden uit de vloeistof met d-metamfetamine base (olie);

• Jerrycans en vaten gevuld met BenzylMethylKeton (BMK), totaal 84,5 liter;

• Emmers met wijnsteenzuur, totaal ongeveer 62,5 kilogram;

• Een kartonnen doos met 3 jerrycans met 15 liter methylthioglycolaat;

• Een kartonnen doos met 10 kilogram AIBN (2,2-AzobisIsoButyroNitril);

• Een kartonnen doos met 20 kilogram MYPC (diMYristylPeroxidediCarbonaat);

• 2 220 liter klemdekselvaten, beide gevuld met een bruine olieachtige vloeistof met witte kristallen, beide indicatief positief op de aanwezigheid van metamfetamine (FD en kleurreactietest), totaal 273 liter;

• Witte emmers inhoudende witte kristallen in een laagje vloeistof, beide indicatief op de aanwezigheid van metamfetamine (FD en kleurreactietest), totaal 31,65 kilogram;

• Twee maatbekers en een emmer gevuld met een olieachtige vloeistof, indicatief positief op de aanwezigheid van metamfetamine base (olie), totaal 16,65 liter;

• Een aantal plastic doorzichtige bakken alle gevuld met witte kristallen (“crystalmeth”), indicatief positief op de aanwezigheid van metamfetamine (FD en kleurreactietest), totaal 24,43 kilogram;

• Jerrycans met aceton, totaal 520 liter;

• Jerrycan met zoutzuur, 25 liter.

3. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut d.d. 26 oktober 2020 opgemaakt door dr. J.D.J. van den Berg, op de door hem/haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als zijn/haar verklaring:

Conclusie

Opiumwet

In het onderzoeksmateriaal is metamfetamine, metamfetamine HCI en metamfetaminetartraat

aangetoond. Metamfetamine is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet.

Metamfetaminetartraat en metamfetamine HCI zijn - als zouten van metamfetamine - vermeld op lijst I van de Opiumwet.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen ondersteuning LFO met bijlagen d.d. 5 november 2020, opgenomen op pagina 295 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van [naam 2], hoofdinspecteur van politie en werkzaam als senior LFO-expert bij de Landelijke Eenheid, Dienst Specialistische Operaties, Landelijk Forensisch Service Centrum, Landelijke Faciliteit Ontmantelen (LFO):

Interpretatie LFO

De aangetroffen goederen en chemicaliën zijn typische goederen en chemicaliën welke

aangetroffen worden op locaties waar synthetische drugs vervaardigd of bewerkt worden.

Ruimte L was gezien de aanwezigheid van de grote hoeveelheden chemicaliën en

eindproduct metamfetamine ingericht en gebruikt voor de grootschalige vervaardiging en

bewerking van metamfetamine vermoedelijk volgens de aluminium amalgaanmethode met

behulp van BMK, kwikchloride, aluminiumfolie (geschredderd), mengsel

methanol/methylamine.

De vervaardigde d,l-metamfetamine base(olie) werd vervolgens met behulp van

1-wijnsteenzuur gescheiden in d- en l-metamfetamine(tartraat).

Vervolgens werd vermoedelijk de 1-metamfetamine met behulp van methylthioglycolaat en

AIBN omgezet in d,1-metamfetamine.

De d-metamfetamine base (olie) werd met behulp van aceton en zoutzuur omgezet in

metamfetamine.hcl (zout, kristallen).

Op deze locatie werden in totaal 56,085 kilogram aan kristallen metamfetamine en

756,175 liter aan metamfetamine base (olie en deels olie met kristallen) aangetroffen.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen met bijlage d.d. 29 juni 2020, opgenomen op pagina 52 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [naam 5]:

Tijdens de doorzoeking aan de [straatnaam] [pleegplaats], op 26 juni 2020, is in diverse ruimtes in de woning en in de auto welke geparkeerd stond op het erf van de verdachte [verdachte] geld aangetroffen.

Dit geld is in bijzijn van officier van justitie mr. N. Tromp geteld, samen met ondergetekende en collega [naam 4].

Het geld is in zogenoemde sealbags vervoerd naar het bureau te Hoogeveen, waar in de kluis is afgestort.

A.02.05 betreft een bedrag van 8.500 euro

Dit beslag werd aangetroffen in een geldkistje verpakt, in diverse bundels. Het geldkistje lag verstopt onder in een buffetkast in de woonkamer. Sleutels van dit kistje zaten aan het sleutelbos met autosleutel van de verdachte.

A.05.01 betreft een bedrag van 9.000 euro

Dit beslag werd aangetroffen in de kledingkast op het kleine logeerkamertje op de begane grond. Dit geld lag in diverse kleding stukken ingewikkeld tussen andere kleding verstopt.

AV.01.01 betreft een bedrag van 650.00 euro

Dit beslag werd aangetroffen in het voertuig van de verdachte in een zogenaamde handelaars beurs.

AV.01.02 betreft een bedrag van 1.373,70 euro

Dit beslag werd aangetroffen in het voertuig van de verdachte in een zwarte borduurde beurs.

Dit maakt het totale beslag op een bedrag van 19.523,70 euro.

6. Een schriftelijk bescheid, te weten het iCOV Rapportage Vermogen en Inkomen met bijlage d.d. 17 augustus 2020, opgenomen op pagina 122 e.v. van voornoemd dossier.

Gelet op voornoemde bewijsmiddelen overweegt de rechtbank als volgt.

Feit 1

De rechtbank stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden bewezenverklaard indien is komen vast te staan dat bij het begaan daarvan sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking.

Ook indien het ten laste gelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De materiële en/of intellectuele bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit zal dan van voldoende gewicht moeten zijn.

Bij de beoordeling of daaraan is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip.

De rechtbank stelt vast dat verdachte, volgens zijn eigen verklaring, in het voorjaar van 2020, vanaf omstreeks mei 2020, een gedeelte van de door hem bewoonde boerderij met geschakelde schuur ter beschikking heeft gesteld aan derden. Verdachte heeft -onder meer- verklaard dat hij wist dat het foute boel was, toen hij bij terugkomst van een weekend naar Den Haag zag dat men bezig was met het in zijn boerderij opzetten van een drugslab.

Verdachte heeft verder verklaard dat hij zich ervan bewust was dat er zich op de eerste verdieping van de schuur een drugslab bevond, maar dat zijn rol klein was. De rechtbank leidt hieruit af dat verdachte wist dat een gedeelte van zijn woning werd gebruikt voor de vervaardiging, productie en opslag van metamfetamine. Verdachte heeft de personen die deze werkzaamheden uitvoerden, gefaciliteerd door voor deze activiteiten een gedeelte van zijn boerderij ter beschikking te (blijven) stellen en door aan hen onderdak te (blijven) verschaffen.

Verdachte zelf heeft ter terechtzitting nog verklaard dat hij werd bedreigd door de perso(o)n(en) die achter het drugslab zat(en). Dienaangaande overweegt de rechtbank dat, wat ook zij van die, niet nader onderbouwde, verklaring van verdachte - waarbij de rechtbank aantekent dat de verdediging geen beroep heeft gedaan op psychische overmacht -, zich in het dossier geen enkel (concreet) aanknopingspunt bevindt waaruit zou zijn af te leiden dat de gestelde druk zodanig was dat verdachte hierdoor alleen nog maar de strafbare situatie kon laten voortbestaan.

Op grond van het voorgaande is de rechtbank, wat het onder 1 ten laste gelegde betreft, van oordeel dat de voor medeplegen vereiste voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en de personen die betrokken waren bij het vervaardigen dan wel aanwezig hebben van de metamfetamine, niet is komen vast te staan. Buiten het door verdachte ter beschikking stellen van een gedeelte van zijn woning, de boerderij met geschakelde schuur, is niet gebleken van enige substantiële betrokkenheid van verdachte bij het vervaardigen dan wel aanwezig hebben van metamfetamine. Daarom zal verdachte worden vrijgesproken van het ten laste gelegde medeplegen.

Vervolgens dient de rechtbank te beoordelen of verdachte verweten kan worden dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid bij (het medeplegen van) het vervaardigen dan wel aanwezig hebben, van metamfetamine.

De rechtbank stelt voorop dat voor de bewezenverklaring van medeplichtigheid aan een misdrijf is vereist dat niet alleen wordt bewezen dat het opzet van de verdachte was gericht op zijn handelingen als medeplichtige als bedoeld in artikel 48, aanhef en onder 1 of 2 van het Wetboek van Strafrecht, maar ook dat zijn opzet, al dan niet in voorwaardelijke vorm, was gericht op het door de dader(s) gepleegde misdrijf (het gronddelict).

Bij de bewezenverklaring en kwalificatie van de medeplichtigheid moet worden uitgegaan van de door de dader(s) verrichte handelingen, ook indien het opzet van de medeplichtige slechts was gericht op een deel daarvan. Het opzet van de medeplichtige behoeft niet te zijn gericht op de precieze wijze waarop het gronddelict wordt begaan.

Op grond van de voormelde feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat verdachte opzet heeft gehad op het faciliteren van een productieplaats voor de vervaardiging (en opslag) van metamfetamine.

Verdachte heeft naar het oordeel van de rechtbank daartoe opzettelijk gelegenheid verschaft. Immers, uit voornoemde feiten en omstandigheden blijkt dat verdachte wetenschap had van het feit dat de personen die een gedeelte van de door hem bewoonde boerderij met geschakelde schuur gebruikten, zich bezighielden met het vervaardigen, produceren en opslaan van synthetische drugs. Van aanwijzingen voor het tegendeel is de rechtbank niet gebleken. Door een gedeelte van de boerderij met geschakelde schuur ter beschikking te stellen voor voornoemde illegale activiteiten heeft verdachte aan anderen de gelegenheid verschaft metamfetamine te vervaardigen.

De rechtbank acht hiermee het onder 1 subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

Wat betreft het onder 2 ten laste gelegde merkt de rechtbank op dat onder het bereik van artikel 10a van de Opiumwet onder meer vallen verschaffen van gelegenheid, middelen of inlichtingen tot het plegen van een strafbaar feit. Hoewel deze gedragingen in artikel 48 van het Wetboek van Strafrecht als “medeplichtigheidshandelingen” worden gezien, kunnen deze gedragingen op grond van artikel 10a van de Opiumwet worden gekwalificeerd als het plegen van strafbare voorbereidingshandelingen. Dit is een op zichzelf staand strafbaar feit. Gelet evenwel op de wijze waarop de tenlastelegging is geredigeerd, komt de rechtbank tot een bewezenverklaring van het onder 2 subsidiair ten laste gelegde, medeplichtigheid aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen, door een gedeelte van de door hem bewoonde boerderij met geschakelde schuur te (blijven) onderverhuren dan wel ter beschikking te (blijven) stellen en niet in te grijpen, terwijl hij wist dat daar een drugslab aanwezig was.

Feit 3

De rechtbank stelt vast dat uit voornoemde bewijsmiddelen blijkt dat tijdens een doorzoeking in de door verdachte bewoonde boerderij en in de auto waarover verdachte de beschikking had en die geparkeerd stond op het erf van deze boerderij, contante geldbedragen van (in totaal) € 19.523,70 zijn aangetroffen. Deze omstandigheid in samenhang bezien met het gegeven dat verdachte, zoals hiervoor is overwogen, medeplichtig is aan (medeplegen van) (grootschalige) vervaardiging en opslag van metamfetamine en aan (medeplegen van) voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet, rechtvaardigt zonder meer het vermoeden dat de aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf.

Dit betekent dat van verdachte mag worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld. Met betrekking tot de herkomst van de aangetroffen contante geldbedragen heeft verdachte van het begin af aan wisselend verklaard.

Verdachte heeft uiteindelijk verklaard dat hij de € 9.000,-, die werd aangetroffen verstopt tussen andere kleding in de kledingkast op het kleine logeerkamertje op de begane grond, ongeveer anderhalf à twee maanden vóór de inval heeft gekregen van [naam 1], als voorschot voor eventuele onkosten. Over de overige aangetroffen contante geldbedragen heeft verdachte verklaard dat deze bedragen deels afkomstig zijn uit de verkoop van vee en deels uit de erfenis van moeder en (volgens zijn voor het eerst ter terechtzitting afgelegde verklaring) uit de erfenis van een tante. Een andere verklaring die verdachte heeft gegeven is dat hij een deel van zijn AOW zou hebben opgespaard. Deze verklaringen van verdachte zijn echter niet verifieerbaar. Daar komt bij dat verdachte tijdens het verhoor door de raadkamer op 8 juli 2020 heeft aangegeven dat hij zou aantonen dat hij het geld rechtmatig onder zich had, hetgeen hij heeft nagelaten te doen.

Nu de verklaringen van verdachte over de herkomst van de overige aangetroffen contante geldbedragen onvoldoende concreet en niet verifieerbaar zijn en verdachte in de jaren voorafgaande aan 26 juni 2020 geen dusdanige inkomsten heeft genoten die de aanwezigheid van een dusdanig geldbedrag kunnen verklaren, is de rechtbank van oordeel dat een legale herkomst van het in beslag genomen bedrag van (in totaal) € 19.523,70 niet kan worden vastgesteld. Gelet hierop gaat de rechtbank ervan uit dat het volledige geldbedrag

-onmiddellijk of middellijk- uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte daarvan wetenschap had. Dat verdachte van het witwassen een gewoonte zou hebben gemaakt, is gelet op de bewezen verklaarde periode onvoldoende gebleken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

een of meerdere tot op heden onbekend gebleven pers(o)n(en), op een of meer tijdstippen,

in de periode 1 mei 2020 tot en met 26 juni 2020

te [pleegplaats], gemeente De Wolden,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

opzettelijk hebben vervaardigd, ongeveer

- 56,085 kilogram aan kristallen metamfetamine (crystal meth), zijnde metamfetamine en

- 756,175 liter aan metamfetamine base (crystal meth), zijnde metamfetamine,

telkens een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte,

in de periode 1 mei 2020 tot en met 26 juni 2020 te [pleegplaats],

opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door:

- een deel van een woning en schuur, [straatnaam] te [pleegplaats], ter beschikking te stellen voor de vervaardiging en productie en opslag van voornoemde stoffen.

2

een of meerdere tot op heden onbekend gebleven personen,

in de periode van 1 mei 2020 tot en met 26 juni 2020 te [pleegplaats], gemeente De Wolden,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen,

om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet,

te weten het opzettelijk telen, bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (telkens) (een) hoeveelhe(i)d(en) van een materiaal bevattende metamfetamine (crystal meth),

in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende metamfetamine, zijnde metamfetamine een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,

voor te bereiden en te bevorderen, toen aldaar in voornoemde periode

A. een grote hoeveelheid (vloei)stoffen/materialen (bevattende) onder meer

- wijnsteenzuur en

- methanol en

- methylamine en

- aceton en

- tolueen en

- natriumhydroxide en

- kwikchloride en

- zoutzuur en

- BenzylMethylKeton en

- methylthioglycolaat en

- AzobislsoButyroNitril en

- DiMYristylPeroxidediCarbonaat en

B. een of meerdere materialen/goed(eren) te weten (onder meer) een of meerdere,

- gaswasinstallatie(s) en

- ventilatorkast(en) en

- koolstoffilter(s) en

- roermotor(en) en

- kookopstelling(en) bestaande uit een elektrische verwarmingsmantel met daarin geplaats een glazenrondbodemkolf voorzien van een glazen koeler e

- destillatieopstelling(en) (in opbouw) bestaande uit een rvs kookketel, rvs koeler en een rvs opvangketel en

- diepvrieskist(en) en

- houtenframe(s) met gaas (zeef) en

- afzuigkast(en) en

- centrifuge(s),

voorhanden hebben gehad,

waarvan verdachte en zijn mededader(s) wisten,

dat die bestemd waren tot het plegen van die feiten,

tot het plegen van welke misdrijven hij, verdachte,

in de periode 1 mei 2020 tot en met 26 juni 2020 te [pleegplaats],

opzettelijk gelegenheid heeft verschaft, door:

- een deel van een woning en schuur, [straatnaam] te [pleegplaats]

ter beschikking te stellen ten behoeve van de uitvoering van bovengenoemde strafbare feiten en voor de opslag van bovengenoemde (vloei)stoffen/materialen en materialen/goederen;

3

verdachte in de periode van 1 mei 2020 tot en met 26 juni 2020,

te [pleegplaats], gemeente De Wolden, een contant geldbedrag ter hoogte van in totaal

19.523,70 euro voorhanden heeft gehad,

terwijl hij wist dat dit geld - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair medeplichtigheid aan medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2, onder D, van de Opiumwet gegeven verbod

2 subsidiair medeplichtigheid aan medeplegen van het voorbereiden of bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet;

Feit 1 subsidiair en feit 2 subsidiair zijn in eendaadse samenloop gepleegd.

3 eenvoudig witwassen

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1 subsidiair,
2 primair en 3 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden onvoorwaardelijk.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest met daarnaast een (geheel) voorwaardelijke gevangenisstraf. De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging in het bijzonder rekening te houden met de leeftijd van verdachte, zijn gezondheidssituatie en de beperkte rol die hij in het geheel heeft gespeeld. Verdachte kan worden verweten dat hij zich te gemakkelijk heeft laten verleiden door anderen. Echter, ook kan worden aangenomen dat toen verdachte eenmaal aangaf wel belangstelling te hebben, iedereen ook volledig over hem heen gelopen is. Verdachte heeft hier -mede gelet op zijn leeftijd- geen weerstand tegen kunnen bieden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de reclasseringsrapporten van het Leger des Heils van 5 november 2020 en 1 december 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 september 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsman.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan (medeplegen van) grootschalige productie van synthetische drugs en aan betrokkenheid bij voorbereidingshandelingen als bedoeld in artikel 10a van de Opiumwet door een gedeelte van de door hem bewoonde boerderij ter beschikking te (blijven) stellen.

Daarmee heeft verdachte de producenten van synthetische drugs gefaciliteerd en was hij een essentiële schakel in het geheel. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan de productie van synthetische drugs. De (chemische processen bij de) vervaardiging van synthetische drugs, de ongecontroleerde opslag van chemicaliën ten behoeve van deze vervaardiging en de dumpingen van drugsafval brengen grote veiligheidsrisico’s en risico’s voor de volksgezondheid met zich. Uit de inhoud van het strafdossier blijkt ook dat deze risico’s in dit geval concreet waren.

Het is ook algemeen bekend dat het gebruik van synthetische drugs grote gezondheidsrisico’s met zich brengt voor de gebruikers van deze drugs, dat voornoemde drugs kunnen leiden tot een lichamelijke of geestelijke verslaving en dat verslaafde gebruikers misdrijven plegen om aan geld te komen om in hun verslaving te kunnen voorzien. Het is tot slot ook een feit van algemene bekendheid dat de vervaardiging van en handel in synthetische drugs in handen is van grote, georganiseerde criminele verbanden die daarmee grote winsten maken en hun belangen in deze handel en productie beschermen met (grof) geweld en bedreiging met geweld. Verdachte heeft door zijn handelen bijgedragen aan een georganiseerde vorm van drugscriminaliteit die de laatste jaren in ons land grote vormen heeft aangenomen, die gepaard gaat met zwarte geldstromen en ondermijning van de Nederlandse samenleving. Verdachte heeft zich ingelaten met deze illegale activiteiten kennelijk om extra inkomsten te verwerven, zonder rekening te houden met voornoemde negatieve effecten.

Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van

€ 19.523,70.

Bij de bepaling van de straf neemt de rechtbank tevens in aanmerking de leeftijd van verdachte, zijn gezondheidssituatie, alsmede het feit dat hij - blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie - niet eerder strafrechtelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten als de bewezenverklaarde.

Reclassering Leger des Heils heeft op 5 november 2020 en op 1 december 2020 een reclasseringsadvies over verdachte uitgebracht. Hieruit volgt -onder meer- dat verdachte vanwege het voorarrest en het verlies van zijn woning somberheidsklachten ervaart. Er lijken zich geen verdere problemen in zijn leven voor te doen. Verdachte kan, volgens zijn verklaring, bij zijn invrijheidsstelling tijdelijk inwonen bij een vriendin. De reclassering adviseert om bij een veroordeling een straf op te leggen zonder bijzondere voorwaarden. Daarbij heeft de reclassering opgemerkt dat zij vanwege de grotendeels ontkennende houding van verdachte, onvoldoende delictrelaties kan leggen om te beoordelen of met interventies in een toezicht de risico’s kunnen worden beperkt of het gedrag kan worden veranderd.

Voor de bewezenverklaarde feiten onder 1 en 2 zijn binnen de rechtspraak thans geen oriëntatiepunten ontwikkeld. De aard, ernst en de negatieve maatschappelijke gevolgen van het bewezenverklaarde maakt dat de rechtbank evenwel van oordeel is dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf de enig passende straf is.

Bij het bepalen van de duur van de aan verdachte op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de straffen die in min of meer vergelijkbare zaken door de rechtbanken en gerechtshoven in het land worden opgelegd.

De rechtbank heeft verder rekening gehouden met het feit dat de officier van justitie ter zake van feit 2 veroordeling heeft gevorderd voor het primair ten laste gelegde, terwijl de rechtbank het subsidiair ten laste gelegde heeft bewezen verklaard. Voorts heeft de rechtbank er rekening mee gehouden dat feit 1 en feit 2 in eendaadse samenloop zijn gepleegd.

De rechtbank komt alles afwegende tot het oordeel dat in verband met een juiste normhandhaving, mede gelet op de persoon van verdachte, passend en geboden is een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beslag

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd het inbeslaggenomen geldbedrag van in totaal

€ 19.523,70 verbeurd te verklaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak bepleit voor het witwassen van een geldbedrag van € 10.523,70 en heeft verzocht dit inbeslaggenomen bedrag terug te geven aan verdachte.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal het inbeslaggenomen geldbedrag van in totaal € 19.523,70 verbeurd verklaren, omdat het onder 3 bewezen verklaarde feit met betrekking tot deze gelden is begaan.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 33, 33a, 48, 55, 57 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2, 10 en 10a van de Opiumwet.


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1 subsidiair, 2 subsidiair en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart verbeurd het inbeslaggenomen geldbedrag van in totaal € 19.523,70.

Dit vonnis is gewezen door mr. R. Depping, voorzitter, mr. M. van den Steenhoven en T.P. Hoekstra, rechters, bijgestaan door mr. H. Wachtmeester-Koning, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 29 december 2020.

Mr. Van den Steenhoven en mr. Hoekstra zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.