Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4598

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
7526427
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Dexia. Waiver-zaak. Gedaagde heeft in 1999 twee effectenleaseovereenkomsten gesloten met (een rechtsvoorganger van) Dexia. Deze overeenkomsten zijn tussentijds beëindigd en daarbij zijn restschulden ontstaan, die gedaagde aan Dexia heeft voldaan.

In 2012 heeft Dexia een bedrag van € 683,02 aan gedaagde betaald op grond van het zogenoemde hofmodel. Dexia heeft gevorderd voor recht te verklaren dat zij aan al haar verplichtingen uit de overeenkomsten heeft voldaan en derhalve niets meer verschuldigd is aan gedaagde. De kantonrechter heeft deze vordering toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 7526427 CV EXPL 19-1181

Vonnis van de kantonrechter van 1 december 2020

inzake

de besloten vennootschap

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te (1082 LZ) Amsterdam, Parnassusweg 819,

eiseres, hierna Dexia te noemen,

gemachtigde mr. J.R. van Staveren, werkzaam bij USG Legal B.V. te Amsterdam (Parnassusweg 819, 1082 LZ).

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats gedaagde],

gedaagde, hierna [gedaagde] te noemen,

gemachtigde mr. G. van Dijk, werkzaam bij Leaseproces te Amsterdam (postbus 22990, 1100 DL).

1 Het procesverloop

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding met producties;

  • -

    de conclusie van antwoord met producties;

  • -

    de conclusie van repliek met productie;

  • -

    de conclusie van dupliek met producties;

  • -

    de akte uitlating van Dexia over de bij dupliek overgelegde producties.

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald. De uitspraak daarvan is (nader) vastgesteld op heden.

2 De feiten

2.1.

Dexia is rechtsopvolgster van Dexia Bank Nederland N.V., Bank Labouchere N.V. en Legio Lease B.V. Waar in het navolgende wordt gesproken over Dexia, wordt hieronder mede verstaan haar rechtsvoorgangsters.

2.2.

[gedaagde] heeft op 16 maart 1999 twee effectenleaseovereenkomsten met Dexia gesloten (genaamd: SpaArEXtra), onder contractnummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2], met leasesommen van elk € 10.890,72 en een looptijd van 180 maanden (verder te noemen: de overeenkomsten).

2.3.

De overeenkomsten zijn tussentijds geëindigd en daarbij zijn restschulden ontstaan van € 377,51 per overeenkomst. Deze restschulden heeft [gedaagde] betaald.

2.4.

Vanaf omstreeks medio 2002 zijn de effectenleaseproducten van Dexia onderwerp geweest van meerdere juridische procedures. Onder meer door het aanbieden van het zogenaamde "Dexia Aanbod" en door de zogenaamde "Duisenberg regeling" heeft Dexia geprobeerd de geschillen met haar afnemers minnelijk te regelen. Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de "Duisenberg regeling" verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [gedaagde] heeft door middel van een zogenaamde "opt-out-verklaring" aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.

2.5.

Op 25 januari 2007 heeft het gerechtshof Amsterdam de zogenoemde Duisenberg regeling verbindend verklaard in de zin van de Wet op de Collectieve Afwikkeling Massaschade (WCAM). [gedaagde] heeft door middel van een zogenoemde

opt-out-verklaring aangegeven niet aan die regeling gebonden te willen zijn.

2.6.

Dexia heeft op 18 januari 2012 een bedrag van € 683,02 aan [gedaagde] betaald op grond van het zogenoemde hofmodel. Dit betreft een in de rechtspraak ontwikkeld model, bedoeld voor de beoordeling van zaken als de onderhavige.

2.7.

Namens [gedaagde] is op 24 januari 2012 een (stuitings)brief aan Dexia verzonden.

2.8.

Dexia, althans haar gemachtigde, heeft [gedaagde] op 30 november 2018 aangeschreven met het verzoek aan te geven of zij wel of geen vordering op Dexia heeft (de zogenoemde waiver-brief).

2.9.

[gedaagde] heeft aan dat verzoek van Dexia, ondanks een herinneringsbrief van Dexia van 4 januari 2019, geen gevolg gegeven.

3 De vordering en het verweer

3.1.

Dexia vordert, samengevat, voor recht te verklaren dat zij aan haar verplichtingen uit de overeenkomsten heeft voldaan en derhalve niets meer verschuldigd is aan [gedaagde]. Aan haar vordering legt Dexia, samengevat, ten grondslag dat zij zich geconfronteerd ziet met de situatie dat [gedaagde] pretendeert een vordering op haar te hebben, maar die vordering niet (nader) motiveert of aan de rechter voorlegt. Dexia heeft er daarom recht en belang bij dat in rechte wordt vastgesteld dat [gedaagde] geen vordering (meer) op haar heeft. Dexia is van oordeel dat zij aan haar verplichtingen jegens [gedaagde] heeft voldaan. Ook gaat Dexia ervan uit dat [gedaagde] geen vordering op haar heeft, gebaseerd op een onaanvaardbare financiële last (bij het sluiten van de overeenkomst, zodat Dexia haar had moeten ontraden de overeenkomst aan te gaan). Dexia beroept zich slechts op de stellingen dat zij de overeenkomsten met [gedaagde] heeft gesloten, aan haar daaruit voortvloeiende verbintenissen heeft voldaan en in januari 2012 twee derde deel van de voorheen door [gedaagde] betaalde restschulden heeft gerestitueerd, vermeerderd met wettelijke rente. Indien [gedaagde] zich bij wijze van verweer op andere stellingen beroept, draagt zij op grond van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), alsmede het arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019 (ECLI:NL:HR:2019:590), hiervan onverkort de bewijslast.

3.2.

[gedaagde] voert, samengevat, het volgende verweer. Primair voert [gedaagde] aan dat Dexia geen belang heeft bij haar vordering en/of misbruik maakt van recht. Subsidiair voert [gedaagde] aan dat de zaak moet worden aangehouden, omdat verschillende geschilpunten op het terrein van effectenleaseovereenkomsten die ook in deze procedure van belang zijn nog niet zijn uitgekristalliseerd. Hierover lopen procedures bij de Hoge Raad en de uitkomst hiervan zou, wat [gedaagde] betreft, moeten worden afgewacht. Meer subsidiair voert [gedaagde] tot haar verweer aan dat er sprake is van ondeugdelijke producten, dat er sprake is van advisering door een tussenpersoon en dat aan Dexia verwijten zijn te maken omtrent de zogeheten certificaatproducten die aan [gedaagde] zijn verkocht. Deze omstandigheden leiden volgens [gedaagde] tot de conclusie dat de standaardvergoeding die Dexia heeft betaald, geen toereikende schadevergoeding is. [gedaagde] meent tot slot recht te hebben op vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

3.3.

Op de stellingen en verweren van partijen zal bij de beoordeling, voor zover van belang voor de uitkomst van deze zaak, nader worden ingegaan.

4 De beoordeling

Wél belang, géén aanhouding

4.1.

[gedaagde] beroept zich primair op het ontbreken van belang aan de zijde van Dexia, zoals bedoeld in artikel 3:303 van het Burgerlijk Wetboek (BW). De kantonrechter is, onder verwijzing naar het door Dexia aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019, van oordeel dat Dexia voldoende belang in de zin van voormeld artikel heeft. De kantonrechter ziet voorts geen, althans onvoldoende, aanleiding om de zaak aan te houden, zoals primair bepleit door [gedaagde]. De omstandigheid dat de jurisprudentie van de Hoge Raad met betrekking tot effectenleasezaken nog niet op alle punten is uitgekristalliseerd, acht de kantonrechter daarvoor, eveneens onder verwijzing naar vorenbedoeld arrest, meer bijzonder de door Dexia bij repliek geciteerde overweging 4.1.3, onvoldoende. Voor zover [gedaagde] met haar primaire verweer het oog heeft op misbruik van bevoegdheid in de zin van artikel 3:13 BW, verwijst de kantonrechter naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 februari 2019 (ECLI:NL:GHARL:2019:1377). Daarin is uitgemaakt dat een dergelijke omstandigheid op zichzelf geen misbruik in vorenbedoelde zin oplevert. [gedaagde] heeft in deze zaak geen bijkomende feiten of omstandigheden gesteld, die tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

De gevorderde verklaring voor recht

4.2.

Ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv rusten de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de door Dexia gevorderde verklaring voor recht op haar. Op [gedaagde] rust vervolgens de verplichting om, teneinde te voorkomen dat de vordering bij gebrek aan verweer wordt toegewezen, de stellingen van Dexia gemotiveerd te betwisten. [gedaagde] kan er in dat verband, onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 maart 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:1865), mee volstaan duidelijk te maken op welk punt/welke punten zij nog een vordering stelt te hebben. Van [gedaagde] kan, onder verwijzing naar datzelfde arrest, niet worden geëist dat zij die vordering in reconventie daadwerkelijk instelt (op straffe van ontzegging van de mogelijkheid om op een later moment zelf een procedure aanhangig te maken). Dat volgt ook niet uit (overweging 4.1.3 van) het door Dexia aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019. [gedaagde] heeft diverse punten aangevoerd, op basis waarvan zij meent een vordering te hebben op Dexia. Hieronder zal op die punten separaat worden ingegaan.

Beleggingstechnische gebreken

4.3.

[gedaagde] stelt in de eerste plaats dat de overeenkomst wordt gekenmerkt door beleggingstechnische gebreken, in de zin van gebreken in de structurering van het product. Als gevolg hiervan was het beleggingsproduct uitzonderlijk risicovol volgens [gedaagde] en was het maken van rendement nagenoeg onmogelijk. Volgens [gedaagde] geldt sowieso een uitzondering als het gaat om een effectenleaseovereenkomst met een optieconstructie, onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Den Bosch van 5 juni 2018 (ECLI:NL:GHSHE:2018:2423) en waren de door haar ingelegde bedragen bij voorbaat (vrijwel) kansloze investeringen. Ook heeft de Hoge Raad bepaald dat de door Dexia in de overeenkomsten ingebouwde boete oneerlijk is, waarover door verschillende gerechtshoven prejudiciële vragen zijn gesteld aan het Europese Hof van Justitie. Ook dit is een aspect dat het beleggingsproduct gebrekkig maakt, volgens [gedaagde].

4.4.

De kantonrechter overweegt dat dit punt al in veel vergelijkbare procedures aan de orde is geweest, waaronder een procedure bij het Gerechtshof Amsterdam. Die procedure heeft geleid tot het arrest van 1 april 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:1135), waartegen geen cassatie is ingesteld. In die procedure is – verkort weergegeven – geoordeeld dat de risicovolle eigenschappen van effectenleaseproducten waar [gedaagde] het oog op heeft duidelijk kenbaar waren uit de overeenkomst en de bijzondere voorwaarden, zodat Dexia niet gehouden was haar wederpartij daarvoor indringend en in niet mis te verstane bewoordingen te waarschuwen, voor of bij het sluiten van de overeenkomst. De kantonrechter neemt deze overwegingen over en maakt deze tot de hare. Verkort weergegeven komt het er op neer dat uit de bewoordingen van de overeenkomsten (productie 2 bij dagvaarding) en de bijzondere voorwaarden (productie 3 bij dagvaarding) voldoende duidelijk blijkt dat er met geleend geld in specifieke aandelen werd belegd, dat de overeenkomsten een onafgebroken looptijd hadden van 180 maanden en dat over het geleende bedrag een aanzienlijk bedrag aan rente moest worden betaald. Dat rentepercentage was zodanig dat de beurskoersen aanmerkelijk moesten stijgen om eerst de inleg van [gedaagde] terug te verdienen en vervolgens winst te kunnen maken. Aan het verweer van [gedaagde] dat deze risicovolle eigenschappen voor haar niet kenbaar waren, gaat de kantonrechter derhalve voorbij. [gedaagde] had als gemiddeld geïnformeerde en oplettende consument op basis van de verstrekte informatie kunnen en moeten begrijpen dat zij een zeker risico liep met betrekking tot haar inleg en eventueel rendement. De stukken (van professor Damm en professor Koelewijn) waar [gedaagde] uit heeft geciteerd en naar heeft verwezen, zijn niet door haar overgelegd en zal de kantonrechter derhalve niet bij de oordeelsvorming betrekken. Zonder nadere toelichting, welke ontbreekt aan de zijde van [gedaagde], valt niet in te zien dat een eventuele oneerlijke boete het beleggingsproduct als zodanig gebrekkig maakt. Gesteld noch gebleken is voorts dat er ten tijde van het sluiten van de overeenkomsten, anders dan in het door [gedaagde] aangehaalde arrest van het Gerechtshof Den Bosch, sprake was van een sterk dalend koersverloop van de aandelen waarin belegd zou worden. Dat er zich derhalve vrijwel direct na het sluiten van de overeenkomsten al verliezen hebben voorgedaan, is niet aannemelijk geworden. Bovendien ging het in dat arrest om een betrekkelijk korte looptijd van 3 jaar, terwijl het in deze zaak gaat om een looptijd van 180 maanden. De in dit arrest aangenomen waarschuwingsplicht mist in dit geval derhalve toepassing.

4.5.

Bij dupliek heeft [gedaagde] nog aangevoerd dat zij, door nieuwe inzichten, meent dat er sprake was van een onaanvaardbaar zware financiële last. Dit verweer had [gedaagde], gelet op artikel 128, derde lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) reeds bij haar conclusie van antwoord moeten aanvoeren. De enkele, niet nader toegelichte, stelling dat sprake is van nieuwe inzichten is onvoldoende om andersluidend te oordelen. De kantonrechter zal dit verweer daarom passeren.

Advisering tussenpersoon

4.6.

Vast staat dat [gedaagde] voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomsten tweemaal telefonisch contact heeft gehad met een adviseur Legio Lease en dat deze adviseur zich presenteerde als medewerker van Legio Lease en derhalve niet als een onafhankelijk(e) (tussen)persoon. Uit de stellingen van [gedaagde] volgt dat de adviseur van Legio Lease het desbetreffende product bij haar heeft aangeprezen, hetgeen ook niet wordt betwist door Dexia. Gelet hierop is de kantonrechter, in navolging van het Gerechtshof Amsterdam in het arrest van 25 juni 2019 (ECLI:NL:GHAMS:2019:2131) van oordeel dat [gedaagde] moet hebben begrepen dat een commerciële organisatie als Legio Lease haar producten zal aanprijzen, maar dat dit iets anders is dan een deskundig advies van een onafhankelijke tussenpersoon over de vraag of de aanschaf van een leaseovereenkomst past bij haar persoonlijke financiële situatie. Van de in het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2013 (ECLI:NL:HR:2013:CA1725) beschreven uitzondering, advisering door een onafhankelijke tussenpersoon, is in het onderhavige geval derhalve geen sprake. De eventuele advisering door Dexia zelf als aanbieder moet worden geacht te zijn verdisconteerd in de schuldverdeling zoals die is ontwikkeld in de rechtspraak en is neergelegd in het hofmodel (zie ook het eerder genoemde arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019). Nu Dexia reeds heeft voldaan aan haar schadevergoedingsverplichtingen jegens [gedaagde] overeenkomstig het hofmodel heeft [gedaagde] geen vordering (meer) op Dexia.

Het certificaataspect

4.7.

De onderhavige effectenleaseproducten betreffen certificaatproducten en zien op Labouchere AEX Plus Certificaten, die zijn uitgegeven conform het prospectus van 10 februari 1999. De uitgevende instelling van de certificaten is Labouchere N.V., de moedermaatschappij van Bank Labouchere N.V. [gedaagde] heeft betoogd dat Dexia (mogelijk) de hoofdsommen niet volledig heeft besteed aan de aankoop van de certificaten bij Labouchere N.V., zodat zij de overeenkomsten feitelijk niet heeft uitgevoerd. In dat geval heeft Dexia volgens [gedaagde] ten onrechte rente in rekening gebracht omdat er niets werd geleend.

4.8.

Onder verwijzing naar het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 3 november 2020 (ECLI:NL:GHARL:2020:8982) overweegt de kantonrechter dat Dexia bij certificaatproducten met haar cliënten is overeengekomen dat zij de verplichting op zich nam aan het einde van de looptijd van het certificaatproduct het bedrag van de hoofdsom vermenigvuldigd met de procentuele stijging van (bijvoorbeeld) een index, onder aftrek van de door de cliënt terug te betalen restsommen van de lening, aan de cliënt uit te betalen. Dexia heeft bij certificaatproducten dus niet de verplichting op zich genomen om ten behoeve van haar cliënten aandelen te verwerven en te behouden. De uitgevende instelling, Labouchere N.V., en niet Dexia, heeft de verplichting op zich genomen door middel van het aanhouden van beleggingen en/of het aangaan van optietransacties te waarborgen dat zij te allen tijde haar financiële verplichtingen jegens de beleggers in de certificaten kan nakomen.

4.9.

Dit betekent dat [gedaagde] feitelijk met de betaalde inleg heeft geïnvesteerd in een vorderingsrecht op de uitgevende instelling Labouchere N.V. Dat Dexia ook daadwerkelijk tot uitkering van de door de certificaten vertegenwoordigde waarde aan [gedaagde] is overgegaan en in zoverre aan haar verplichtingen heeft voldaan, staat tussen partijen niet ter discussie. Op welke wijze zij daaraan heeft voldaan, is dan niet relevant, nu [gedaagde] daardoor niet is benadeeld. Evenmin is relevant of Dexia (Bank Labouchere N.V.) de hoofdsom van de lening van [gedaagde] aan Labouchere N.V. heeft betaald. Ook uit de leaseovereenkomsten volgt dat [gedaagde] als tegenprestatie voor het verkrijgen van de certificaten een investering moest doen, bestaande uit de leasesommen. Uitsluitend tegen deze tegenprestatie was Labouchere N.V. bereid vorderingsrechten uit te geven aan [gedaagde]. Het is deze benodigde investering die Dexia aan [gedaagde] heeft uitgeleend ter verkrijging van bedoeld vorderingsrecht. Het betoog van [gedaagde] dat er ten onrechte geld is uitgeleend en rente is betaald, houdt daarom geen stand. Het verweer dat zij door Dexia onjuist en onvolledig is voorgelicht evenmin. Ook in dit kader heeft [gedaagde] dus geen vordering op Dexia.

Buitengerechtelijke kosten

4.10.

Het is vaste rechtspraak dat de door Leaseproces voor [gedaagde] verrichte werkzaamheden – advisering over de kansen en mogelijkheden van een schikking of procedure in verband met de Duisenberg-regeling, de arresten van het gerechtshof Amsterdam en van de Hoge Raad uit 2009 en de relevante rechtspraak nadien en het opstellen en versturen van de opt-out verklaring, een sommatiebrief en brieven ter stuiting van de verjaring – niet als buitengerechtelijke kosten voor vergoeding in aanmerking komen (zie meergenoemd arrest van de Hoge Raad van 12 april 2019). Datzelfde geldt ook voor de overige door [gedaagde] genoemde werkzaamheden, nu ook dat werkzaamheden zijn die moeten worden verricht ter voorbereiding van een procedure en die derhalve onder artikel 6:96 lid 2 BW (oud) en artikel 241 Rv vallen. Ook uit hoofde van buitengerechtelijke kosten heeft [gedaagde] derhalve geen vordering op Dexia.

Conclusie

4.11.

Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de gevorderde verklaring voor recht zal worden toegewezen.

Proceskosten

4.12.

[gedaagde] zal, als de in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de proceskosten. De kosten aan de zijde van Dexia worden vastgesteld op:

- dagvaarding € 101,06

- griffierecht € 121,00

- salaris gemachtigde € 1.200,00 (2½ punten × € 480,00)

Totaal € 1.422,06.

5 De beslissing

De kantonrechter:

5.1.

verklaart voor recht dat Dexia met betrekking tot de tussen haar en [gedaagde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers [contractnummer 1] en [contractnummer 2] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [gedaagde] verschuldigd is;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van Dexia tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 1.422,06;

5.3.

verklaart dit vonnis voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Sanna, kantonrechter, en op 1 december 2020 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: 692