Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4595

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
23-12-2020
Datum publicatie
30-12-2020
Zaaknummer
C/18/196140/HA ZA 19-255
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

- Afwikkeling erfpachtrelatie tussen Staatsbosbeheer en erfpachter.

- Betaling achterstallige erfpachtcanon.

- Contractuele boete niet verschuldigd want geen sprake van verboden verhuur aan een derde.

- Gedeeltelijke veroordeling in de werkelijke proceskosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaaknummer / rolnummer: C/18/196140 / HA ZA 19-255

Vonnis van 23 december 2020

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

STAATSBOSBEHEER,

gevestigd te Amersfoort,

eiseres,

hierna te noemen: Staatsbosbeheer,

advocaat: mr. M.K.L. Berkvens te ' s -Gravenhage,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde 1] ,

gevestigd te Vlagtwedde,

2. [gedaagde 2],

wonende te [plaats 1] ,

gedaagden,

hierna te noemen: [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ,

advocaat: mr. S .A.G. de Vries te Heerenveen.

1 De procedure

1.1.

Bij tussenvonnis van 4 maart 2020 is een mondelinge behandeling van deze zaak bepaald. Vanwege het beleid van de rechtbank om ter bestrijding van het Covid-19 (corona)virus fysieke zittingen en de daaruit voortvloeiende mogelijkheid van contact tussen procesdeelnemers zoveel mogelijk te vermijden, heeft deze mondelinge behandeling geen doorgang gevonden.

1.2.

De rechtbank heeft vervolgens bepaald dat de procedure schriftelijk wordt voortgezet. Partijen hebben hierna de volgende stukken ingediend:

- de conclusie van repliek tevens houdende akte vermeerdering van eis van Staatsbosbeheer;

- de conclusie van dupliek van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

1.3.

Op 11 november 2020 heeft (alsnog) een mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden, waarvan een proces-verbaal is opgesteld.

1.4.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1.

Staatsbosbeheer is eigenaar van een tweetal percelen gelegen aan de [straatnaam 1] [huisnummer 1] te [plaats 1] , kadastraal bekend als gemeente Vlagtwedde, sectie [letter] , nummers [nummer 1] en [nummer 2] (hierna te noemen: perceel [nummer 1] en perceel [nummer 2] ). De beide percelen bevinden zich op een landtong langs een waterplas, de zogeheten [naam 1] .

2.2.

Tussen deze beide percelen bevindt zich het kadastrale perceel gemeente Vlagtwedde, sectie [letter] , nummer [nummer 3] (hierna te noemen: perceel [nummer 3] ). Dit perceel behoort thans in eigendom aan [gedaagde 1] .

2.3.

Op de percelen [nummer 1] , [nummer 3] en [nummer 2] was vanaf 1967 Camping [naam 2] gevestigd.

2.4.

[gedaagde 1] is tevens eigenaar van de nabijgelegen percelen, kadastraal bekend als gemeente Vlagtwedde, sectie S , nummers [nummer 4] en [nummer 5] . Op het perceel [nummer 5] bevindt zich een woonhuis, op het adres [straatnaam 1] [huisnummer 2] .

2.5.

Staatsbosbeheer heeft de percelen [nummer 1] en [nummer 2] bij notariële akte van 24 mei 2005 in erfpacht gegeven aan [gedaagde 2] als erfpachter. In de vestigingsakte (hierna ook te noemen: de erfpachtakte) is onder meer bepaald:

Artikel 1 Vestiging, tijdsduur en objectbepaling

1. Staatsbosbeheer geeft op grond van een tussen Staatsbosbeheer en erfpachter gesloten overeenkomst van erfpachtsgunning voor de tijd van dertig jaren, ingegaan één januari 2004 en mitsdien eindigende eenendertig december tweeduizend drieëndertig, tegen een canon van vierduizend zevenhonderdvijftig euro (€ 4.750,00) per jaar in erfpacht aan de erfpachter, die in erfpacht aanneemt:

de percelen gras, bos en water gelegen nabij de Camping aan de [straatnaam 1] [huisnummer 1] te [plaats 1] , gemeente, kadastraal bekend gemeente Vlagtwedde, sectie [letter] , nummers [nummer 1] en [nummer 2] , tezamen groot zes hectare, vijfenzeventig are en negentig centiare (6.75.90 ha),

hierna tezamen ook wel te noemen de erfpachtzaak,

zoals één en ander gearceerd is aangegeven op de door partijen voor echt erkende en aan deze akte gehechte (kadastrale) kaart.

(…)

Artikel 3 Canon en indexering

1. De canon bedraagt vierduizend zevenhonderdvijftig euro (€ 4.750,00) per jaar, zijnde vijf procent (5%) van de huidige vrije onderhandse verkoopwaarde van de erfpachtzaak in het economisch verkeer (deze waarde is bij uitgifte derhalve vastgesteld op vijfennegentigduizend euro (€ 95.000,00).

2. De canon wordt om de drie jaren, voor het eerst met ingang van één januari tweeduizendzeven aangepast aan de hand van het consumentenprijsindexcijfer (…)

Artikel 5 (Canon)betaling

1. De canon dient uiterlijk op één november van ieder jaar, voor het eerst uiterlijk op één november tweeduizend vier te zijn voldaan.

(…)

Artikel 11 Tekortkoming bij nakoming

1. Indien de erfpachter meer dan één maand nalatig is in de betaling van de canon dan wel in de nakoming van de overige uit deze overeenkomst of uit de wet voortvloeiende geldelijke verplichtingen verbeurt hij, zonder dat daartoe enige ingebrekestelling zal zijn vereist, een boete van één procent (1%) van de achterstallig gebleven som voor iedere ingegane maand verzuim, met een minimum van vijfenveertig euro en achtendertig cent (€ 45,38) één en ander onverminderd het recht van Staatsbosbeheer om terzake nakoming te vorderen.

(…)

3. Indien de erfpachter in verzuim is de canon over twee achtereenvolgende jaren te betalen of indien de erfpachter in ernstige mate tekort schiet in de nakoming van zijn andere verplichtingen, kan, onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 2 van dit artikel, Staatsbosbeheer de erfpacht opzeggen.

Deze opzegging door Staatsbosbeheer heeft uitsluitend plaats onder de ontbindende voorwaarde dat de erfpachter binnen een maand na opzegging alsnog tot genoegen van Staatsbosbeheer zekerheid stelt voor zijn toekomstige verplichtingen alsmede alsnog zijn verplichtingen nakomt met vergoeding van de schade en kosten, daaronder tevens begrepen de kosten van de exploten als bedoeld in artikel 5: 88 van het Burgerlijk Wetboek.

(…)

Artikel 13 Bevoegdheidsbeperkingen

1. Het is de erfpachter zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Staatsbosbeheer verboden:

(…)

c. de erfpacht alsmede de erfpachtzaak dan wel de daartoe behorende zaken, te verhuren, te verpachten of onder welke titel ook geheel of gedeeltelijk aan derden in gebruik of genot af te staan;

(…)

Artikel 16 Oplevering bij het einde van het recht

1. Bij het einde van de erfpacht mag de erfpachter de gebouwen, werken en beplantingen die hij onverplicht heeft aangebracht, wegnemen. Hij heeft geen recht op vergoeding van de waarde van dergelijke gebouwen, werken en beplantingen.

2. Indien zes maanden na beëindiging van de erfpacht blijkt dat de erfpachter geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht tot wegneming, heeft Staatsbosbeheer te zijner keuze het recht, hetzij de gebouwen, bouwwerken, getimmerten of constructies op kosten van de erfpachter te verwijderen - waarbij Staatsbosbeheer de bevoegdheid heeft de afkomende materialen te eigen bate te gelde te maken - en de grond in behoorlijke toestand te brengen, hetzij de gebouwen, bouwwerken, getimmerten of constructies om niet aan zich te houden.

(…)

Artikel 20 Boetebeding

Bij overtreding casu quo niet nakoming van het bepaalde in artikel 12, 13 en 15 verbeurt de erfpachter, zonder dat enige ingebrekestelling noodzakelijk is en onverminderd het recht tot het vorderen van schadevergoeding en tot het opzeggen van de erfpacht, een onmiddellijk opeisbare boete ter grootte van vijfentwintig keer het bedrag van de op dat moment geldende erfpachtscanon, onverminderd het recht van Staatsbosbeheer om ter zake nakoming casu quo ontbinding en/of aanvullende schadevergoeding te vorderen.

(…)

Artikel 26 (Buiten)gerechtelijke kosten

Indien de wederpartij of Staatsbosbeheer in enigerlei verplichting tekort schiet, waardoor schade ontstaat in de zin van artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek, dan moet de partij die tekort schiet deze schade vergoeden.

2.6.

Ten tijde van de vestiging van het erfpachtrecht bevond zich op perceel [nummer 2] reeds een opstal, bestaande uit een restaurant met ontvangstruimte en kantoor (hierna: het hoofdgebouw). Deze opstal is nu nog steeds aanwezig.

2.7.

[gedaagde 2] heeft vanaf 2005, aanvankelijk in de vorm van een eenmanszaak, op de percelen [nummer 1] , [nummer 3] en [nummer 2] Camping [naam 2] geëxploiteerd.

2.8.

De al tientallen jaren bestaande zandwinning in de [naam 1] is in of omstreeks 2006 beëindigd.

2.9.

In 2008 wilde [gedaagde 2] zijn bedrijfsstructuur wijzigen door de oprichting van een aantal vennootschappen. In verband hiermee heeft [gedaagde 2] Staatsbosbeheer bij brief van 20 februari 2008 geschreven:

"Na aanleiding van een telefonisch onderhoud met de heer [naam 3] richt ik mij tot u met het volgende verzoek.

I.v.m. mijn scheiding en het feit dat ik een zoon heb van bijna 20 en nog een minderjarig kind, is mij geadviseerd door de notaris en accountant, mijn bedrijf voort te zetten in de vorm van een B.V. Dit om de continuïteit van het bedrijf beter te waarborgen als mij iets zou overkomen. Bij een eenmanszaak moet er ontzettend veel geregeld worden, en bij de exploitatie in B.V. vorm is het een zaak van directie voering, dit is dan makkelijker te regelen binnen het testament.

Eerder is het bedrijf ook voor 100% eigendom geworden van ondergetekende. En is dit door de notaris bij acte geregeld. Bij taxatie van het onroerend, nodig voor de overgang, kreeg ik te horen dat dit nog niet bij u bekend is, en dit ook gemeld moet worden bij u.

Ik behoef dan ook uw goedkeuring om dit te kunnen doen.

De goedkeuring behelst de inbreng in [gedaagde 2] Holding B.V. en het doorzakken in [gedaagde 1] Dit wordt begeleid door [naam 4] in Stadskanaal, mr. [naam 5] .

Graag uw reactie op bovenstaande verzoek (…)"

2.10.

Staatsbosbeheer heeft toestemming aan [gedaagde 2] gegeven voor de hierboven genoemde inbreng van de onderneming, in die zin dat het erfpachtrecht in [gedaagde 1] zou worden ingebracht.

2.11.

Vervolgens zijn de volgende rechtspersonen opgericht: [gedaagde 2] Holding B.V., [gedaagde 1] , de stichting [naam 6 ] (hierna : de [naam 6 ] ) en Camping [naam 2] B.V. Bestuurder van [gedaagde 1] is [gedaagde 2] Holding B.V., welke vennootschap op haar beurt wordt bestuurd door [gedaagde 2] . De [naam 6 ] is enig aandeelhouder van [gedaagde 1] . Enig bestuurder van de [naam 6 ] is [gedaagde 2] . Camping [naam 2] BV werd bestuurd door [gedaagde 1] , die tevens de enige aandeelhouder van deze vennootschap was.

2.12.

[gedaagde 2] heeft het erfpachtrecht bij notariële akte van 30 mei 2008 na de verkregen toestemming van Staatsbosbeheer ingebracht in [gedaagde 1] .

2.13.

Camping [naam 2] BV heeft sinds 2008 de gelijknamige camping geëxploiteerd. In verband hiermee heeft [gedaagde 1] de erfpachtpercelen [nummer 1] en [nummer 2] aan Camping [naam 2] B.V. verhuurd.

2.14.

[gedaagde 1] , Camping [naam 2] BV en [gedaagde 2] c. s . hebben in 2014 een procedure bij deze rechtbank aanhangig gemaakt tegen de (toenmalige) gemeente Vlagtwedde (thans deel uitmakend van de gemeente Westerwolde), de provincie Groningen en het zandwinningsbedrijf, gerelateerd aan (de effecten van de) zandwinning ter plaatse, waarin zij van laatstgenoemden een schadevergoeding van enkele miljoenen euro' s hebben gevorderd. Bij vonnis van 20 april 2016 heeft de rechtbank deze vorderingen afgewezen.

2.15.

[gedaagde 1] heeft achterstanden in de betaling van de jaarlijks aan Staatsbosbeheer verschuldigde erfpachtcanon laten ontstaan. Bij vonnis van deze rechtbank van 6 juli 2016 is [gedaagde 1] in verband hiermee op vordering van Staatsbosbeheer veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 25.000,00, met rente, boetes en kosten. Een en ander is via de deurwaarder door Staatsbosbeheer geïnd.

2.16.

De erfpachtcanon is, nadat [gedaagde 2] daarmee bij brief van zijn advocaat van 18 juli 2016 had ingestemd, per 1 januari 2014 herzien. De canon bedroeg in 2018 € 6.769,52 per jaar.

2.17.

[gedaagde 1] heeft nieuwe achterstanden in de betaling van de jaarlijks verschuldigde erfpachtcanon laten ontstaan. De canon over de jaren 2016 tot en met 2018 is, met uitzondering van een enkele betaling van € 1.000,00, onbetaald gebleven.

2.18.

De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een bestuursrechtelijk geschil tussen [gedaagde 1] en de gemeente Westerwolde / de provincie Groningen bij uitspraak van 4 april 2018 geoordeeld dat het college niet handhavend hoefde op te treden tegen de bereikte eindsituatie na ontgronding van de ' [naam 1] ' en heeft het beroep tegen de afwijzing van het handhavingsverzoek ongegrond verklaard.

2.19.

Op 10 juli 2018 is het faillissement van Camping [naam 2] BV uitgesproken, met benoeming van mr. [naam curator] te Groningen tot curator. De curator heeft de huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en Camping [naam 2] BV opgezegd. In verband met het faillissement is de exploitatie van de camping gestaakt.

2.20.

Staatsbosbeheer heeft [gedaagde 1] bij brieven van 25 september 2018 en 14 januari 2019 gewezen op de betalingsachterstanden en gewaarschuwd dat het erfpachtrecht in verband hiermee kon worden beëindigd. [gedaagde 1] is hierna niet tot enige betaling aan Staatsbosbeheer overgegaan.

2.21.

In verband met de achterstanden in de betaling van de jaarlijkse erfpachtcanon heeft Staatsbosbeheer bij deurwaardersexploot van 9 april 2019 aan [gedaagde 1] een brief van 3 april 2019 betekend, waarbij de erfpacht is opgezegd tegen 1 juni 2019. De totale betalingsachterstand bedroeg op dat moment € 23.960,09. Hierbij is [gedaagde 1] tevens aangezegd dat zij de percelen per 1 juni 2019 ontruimd moet hebben. Aan [gedaagde 1] is nog een termijn van uiterlijk een maand (tot en met 4 mei 2019) gegeven om alsnog aan haar verplichtingen jegens Staatsbosbeheer te voldoen.

2.22.

[gedaagde 1] heeft Staatsbosbeheer bij e-mails van 29 mei 2019 en 14 juni 2019 laten weten dat zij overleg met Staatsbosbeheer wil voeren. Bij brief van 12 juni 2019 en e-mail van 17 juni 2019 heeft Staatsbosbeheer [gedaagde 1] opnieuw gesommeerd om de erfpachtpercelen te ontruimen en de achterstallige canon te betalen. Betalingen zijn ook daarna uitgebleven.

2.23.

Per 1 juni 2019 bedraagt de achterstallige erfpachtcanon inclusief rente en kosten een bedrag van € 22.569,15 + € 3.552,81 = € 26.776,38.

2.24.

[gedaagde 2] heeft zich bij e-mail van 25 juni 2019 aan de advocaat van Staatsbosbeheer beroepen op huurbescherming, waartoe hij schrijft:

"Zoals u weet verhuurt [naam 6 ] een woonruimte aan ondergetekende! Zoals u weet blijken er allemaal zaken te spelen tussen u de [gedaagde 1] . Als huurder stel ik mij daarbij buiten de zaken die spelen.

Ik beroep mij recht op huurbescherming.

Wil graag met SBB in overleg.

Daar zijn procedures voor na wat ik heb gehoord.

SBB kan mij als eigenaar mij niet zo maar op straat zetten.

Ondergetekende ziet u nu als verhuurder. (…)"

2.25.

In reactie op deze e-mail heeft de advocaat van Staatsbosbeheer [gedaagde 2] bij

e-mail van 26 juni 2019 medegedeeld:

"(…) Staatsbosbeheer betwist dat u in privé huurder bent van (een gedeelte van) het erfpachtrecht, althans dat u aldaar uw hoofdverblijf heeft. Indien u volhardt in dit standpunt ontvang ik van u graag per omgaand een kopie van de getekende huurovereenkomst alsmede van betaalbewijzen waaruit de betalingen van de huur over de afgelopen 12 maanden blijken.

U geeft daarnaast aan dat u zich in privé buiten de zaken stelt die tussen Staatsbosbeheer en [gedaagde 1] spelen, maar één en ander neemt natuurlijk niet weg dat u als (indirect) directeur/grootaandeelhouder bewust bent van de in art. aan het erfpachtrecht gegeven bestemming (niet zijnde woonruimte) en van het in art. 13 lid 1 erfpachtakte opgenomen verbod tot verhuur. U was er derhalve zonder meer van op de hoogte dat een eventuele verhuur aan u in privé onbevoegd zou worden aangegaan. (…)"

2.26.

[gedaagde 1] heeft niet op deze e-mail gereageerd, waarna Staatsbosbeheer [gedaagde 2] bij brief van 15 juli 2019 heeft geschreven:

"(…) U stelt dat u in privé woonruimte zou hebben gehuurd van [gedaagde 1] en u maakt in dat verband aanspraak op huurbescherming.

Op mijn verzoek om toezending van een kopie van de getekende huurovereenkomst en bewijsstukken waaruit uw betalingen van de huurpenningen blijken, ontving ik geen inhoudelijke reactie. Ook zijn aan Staatsbosbeheer geen andere omstandigheden bekend waaruit zou volgen dat u huurder bent van woonruimte op de percelen. Zelfs indien u feitelijk uw intrek in het hoofdgebouw heeft genomen, hetgeen evenmin aan Staatsbosbeheer is gebleken, volgt daaruit niet dat u in persoon huurder bent.

Echter, ook als mocht blijken dat wel sprake is van huur brengt dat gegeven nog niet met zich mee dat u in de toekomst aanspraak kunt maken op huurbescherming. De wet voorziet uitdrukkelijk in de mogelijkheid om op de voet van artikel 5:94 lid 4 BW jo 7:269 BW beëindiging van een huurovereenkomst als de onderhavige te vorderen.

(…)

Wel ziet Staatsbosbeheer zich door het door u ingenomen standpunt genoodzaakt om u in persoon in de reeds aangekondigde procedure tegen [gedaagde 1] te betrekken. De dagvaarding die ik daartoe reeds opstelde treft u bijgaand in concept aan. U kunt een procedure jegens u in persoon voorkomen door binnen drie dagen na dagtekening van deze brief alsnog schriftelijk te bevestigen dat u de percelen uiterlijk op 29 juli 2019 zult hebben verlaten en door de sleutels uiterlijk op die datum bij Staatsbosbeheer te hebben ingeleverd. (…)"

2.27.

Staatsbosbeheer heeft na verkregen verlof van de voorzieningenrechter op 18 juli 2019 ten laste van [gedaagde 1] conservatoir beslag doen leggen op de percelen [nummer 3] , [nummer 4] en [nummer 5] .

2.28.

Staatsbosbeheer heeft [gedaagde 1] en [gedaagde 2] bij exploot van 24 juli 2019 gedagvaard voor de kantonrechter van deze rechtbank, in welke procedure Staatsbosbeheer onder meer vorderingen heeft ingesteld verband houdend met de door [gedaagde 2] gestelde - en door Staatsbosbeheer betwiste - huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] .

2.29.

In de procedure bij de kantonrechter hebben [gedaagde 1] en [gedaagde 2] vervolgens een incidentele conclusie tot onbevoegdheid genomen, waarin zij ter onderbouwing van de onbevoegdheid van de kantonrechter hebben aangevoerd:

2. Gedaagde in het incident, hierna ook wel te noemen: 'Staats Bos" heeft [gedaagde 1] gedagvaard ten overstaan van de kamer voor kantonzaken, omdat de heer [gedaagde 2] ergens een keer heeft geroepen dat er sprake zou zijn van een huurovereenkomst. In de eerste plaats is het onjuist dat er sprake is van een huurovereenkomst. In de tweede plaats weet Staats Bos zulks ook nu hij - ondanks dat een huurovereenkomst is opgevraagd - deze nimmer heeft ontvangen. De reden daartoe is dat er helemaal geen huurovereenkomst is.

3. Ondanks het feit dat Staats Bos wist dan wel kan weten dat er geen huurovereenkomst is, heeft Staats Bos dan ook geheel ten onrechte [gedaagde 1] gedagvaard ten overstaan van de kantonrechter.

4. Immers nu er geen sprake is van een huurovereenkomst, is daarover ook geen geschil.

2.30.

Nadat Staatsbosbeheer een conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident had genomen, heeft de kantonrechter zich bij vonnis van 3 december 2019 onbevoegd verklaard kennis te nemen van de vorderingen van Staatsbosbeheer en de zaak doorverwezen naar de handelskamer van deze rechtbank, waartoe zij heeft overwogen:

4.1.

Staatsbosbeheer vordert onder meer voor recht te verklaren dat er geen sprake is van een huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die door Staatsbosbeheer dient te worden voortgezet. [gedaagde 1] c. s . stelt in de incidentele conclusie van onbevoegdheid echter dat ook hij zich op het standpunt stelt dat er geen sprake is van een huurovereenkomst. Op grond hiervan moet geconcludeerd worden dat niet tussen partijen in geschil is dat er geen sprake is van een huurovereenkomst. Nu het hier niet gaat om een zaak betreffende een huurovereenkomst of een andere in art. 93 onder c Rv genoemde overeenkomst, kan de kantonrechter haar bevoegdheid dan ook niet ontlenen aan art. 93 onder c Rv.

(…)

4.4.

Nu het aanbrengen van de zaak bij de kantonrechter verband houdt met (andersluidende) stellingen van [gedaagde 1] c. s . voorafgaand aan de onderhavige procedure, ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten in het incident te compenseren.

2.31.

Gedeputeerde Staten van de provincie Groningen heeft bij besluit van 17 december 2019 de locatie Sellingerbeetse, gelegen op de [naam 1] , aangewezen voor het plaatsen van een zonnepark voor een periode van maximaal 30 jaar.

2.32.

[gedaagde 1] heeft de erfpachtpercelen tot op heden niet ontruimd. De achterstallige erfpachtcanon is onbetaald gebleven.

3 Het geschil

3.1.

Staatsbosbeheer vordert na vermeerdering van eis dat de rechtbank, bij vonnis zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

( i) [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan Staatsbosbeheer van een bedrag van

€ 22.569,15 aan achterstallige canon tot en met 1 juni 2019, te vermeerderen met de contractuele boete van 1% van het verschuldigde per maand tot en met 1 juni 2019 ten bedrage van € 3.552,81, tevens te vermeerderen met de contractuele boete van 1% van het verschuldigde per maand, althans de wettelijke (handels)rente, vanaf juli 2019 tot en met de dag der algehele voldoening;

(ii) [gedaagde 1] veroordeelt om de percelen kadastraal bekend gemeente Vlagtwedde, sectie [letter] , nummers [nummer 1] en [nummer 2] , inclusief de daarop aanwezige opstallen (hierna: de percelen), binnen zeven dagen na betekening van het in dezen te wijzen vonnis, althans binnen een in goede justitie te bepalen termijn, met de haren en al het hare te ontruimen en ontruimd te houden en de percelen in goede staat van onderhoud aan Staatsbosbeheer ter beschikking te stellen onder afgifte van de sleutels van de daarop aanwezige opstallen;

(iii) voor recht verklaart dat geen sprake is, althans was van een huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die op de voet van artikel 5:94 lid 4 BW door Staatsbosbeheer dient te worden voortgezet;

(iv-a) [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan Staatsbosbeheer van de door Staatsbosbeheer geleden en nog te lijden schade als gevolg van de wanprestatie, meer in het bijzonder als gevolg van het niet tijdig ontruimen van de sub (ii) genoemde percelen en deze schade begroot op € 587,42 per maand voor iedere maand dat [gedaagde 1] de sub (ii) genoemde percelen onrechtmatig onder zich houdt, vanaf 1 juli 2019 tot en met 31 december 2019 en een bedrag van € 650,19 voor iedere maand vanaf 1 januari 2020 tot aan de dag der algehele ontruiming, althans op een in goede justitie te bepalen bedrag;

(iv-b) [gedaagde 1] veroordeelt tot betaling aan Staatsbosbeheer van een bedrag van

€ 169.238,00, zijnde een bedrag van 25 keer de thans geldende erfpachtcanon van

€ 6.769,52 per jaar;

( v) voorwaardelijk, voor het geval het gevorderde sub (iii) wordt afgewezen, bepaalt dat de alsdan voortgezette huurovereenkomst tussen Staatsbosbeheer en [gedaagde 2] eindigt op 1 augustus 2019, althans een in goede justitie te bepalen datum, met veroordeling van [gedaagde 2] om het gehuurde op die datum met de zijnen en al het zijne te ontruimen en het gehuurde leeg, bezemschoon en onder afgifte van de sleutels aan Staatsbosbeheer ter beschikking te stellen;

(vi) voorwaardelijk, voor het geval het gevorderde sub (iii) wordt afgewezen, [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt tot vergoeding aan Staatsbosbeheer van alle schade als gevolg van het sluiten van de huurovereenkomst, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

(vii) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt in de kosten van deze procedure, vermeerderd met een bedrag van € 1.500,00 althans een in goede justitie te betalen bedrag aan daadwerkelijk gemaakte proceskosten in verband met de vermeende huur van woonruimte, de buitengerechtelijke incassokosten ten bedrage van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief en de kosten voor het leggen van conservatoir beslag, zulks met bepaling dat over al deze bedragen de wettelijke rente verschuldigd zal zijn met ingang van de vijftiende dag na de datum van het vonnis;

(viii) [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk veroordeelt in de nakosten, conform het liquidatietarief begroot op € 131,00 dan wel € 199,00 in geval van betekening.

3.2.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] concluderen tot afwijzing van de vorderingen van

Staatsbosbeheer, met veroordeling van Staatsbosbeheer - bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

- in de proceskosten.

3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

4 De beoordeling

De vermeerdering van eis

4.1.

Staatsbosbeheer heeft bij conclusie van repliek zijn eis vermeerderd. Nu [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zich niet tegen deze eisvermeerdering hebben verzet en de rechtbank ook niet is gebleken van beletselen - in verband met de eisen van goede procesorde - om de eisvermeerdering te accepteren, wordt deze eisvermeerdering toegestaan. Hierna wordt recht gedaan op de vermeerderde eis.

Betaling van erfpachtcanon en contractuele boete

4.2.

Staatsbosbeheer stelt dat berekend tot en met 1 juni 2019 sprake is van een bedrag aan achterstallige erfpachtcanon van € 22.569,15. Over dit bedrag is [gedaagde 1] op grond van artikel 11 lid 1 van de erfpachtakte een boete van 1% van de achterstallig gebleven sommen verschuldigd, van € 45,38 per maand per ingegane maand verzuim. Het totale bedrag aan verschuldigde boetes beloopt tot en met 1 juni 2019 € 3.552,81.

4.3.

[gedaagde 1] erkent de hiervoor genoemde betalingsachterstand. [gedaagde 1] voert tot haar verweer echter aan dat zij in verband met de gedwongen sluiting van Camping [naam 2] de erfpachtcanon niet meer tijdig kon voldoen. Deze gedwongen sluiting was ingegeven door de omstandigheid dat de camping al geruime tijd niet meer voor recreatieve doeleinden te gebruiken was, vanwege de zandwinning in de ' [naam 1] '. Dit was Staatsbosbeheer bij het aangaan van de erfpachtrelatie al bekend, zonder [gedaagde 1] daarvan in kennis te stellen. Staatsbosbeheer heeft ook niets ondernomen om [gedaagde 1] , haar erfpachter, in dezen terzijde te staan. Men liet haar maar "aanmodderen". De betalingsonmacht kan in dit geval dan ook in redelijkheid niet voor rekening en risico van [gedaagde 1] als ondernemer worden gebracht. De maatstaven van redelijkheid en billijkheid staan eraan in de weg dat Staatsbosbeheer betaling van de volledige nog openstaande erfpachtcanon en de contractuele boete van 1% bij betalingsverzuim eist.

4.4.

De rechtbank overweegt dat [gedaagde 1] op grond van artikel 5 van de erfpachtakte gehouden is om jaarlijks een canon aan Staatsbosbeheer te betalen voor het gebruik van de erfpachtgronden, welke canon in 2016 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2014 is aangepast. Vast staat dat [gedaagde 1] de erfpachtgronden gedurende de relevante periode in gebruik heeft gehad, waartegenover zij als tegenprestatie gehouden was tot betaling van de erfpachtcanon. Niet in geschil is dat er sprake is van een achterstand in de betaling van erfpachtcanon van in totaal € 22.569,15, berekend tot en met 1 juni 2019, alsmede dat [gedaagde 1] in verband met deze achterstand in betaling conform artikel 11 lid 1 van de erfpachtakte boetes verschuldigd is geworden voor een bedrag van in totaal € 3.552,81. In beginsel moet [gedaagde 1] deze achterstallige erfpachtcanon en de daarover berekende boetes aan Staatsbosbeheer voldoen.

4.5.

De rechtbank begrijpt het verweer van [gedaagde 1] in dezen als een beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 6:248 lid 2 BW. In dit wetsartikel is bepaald dat een tussen partijen als gevolg van hun overeenkomst geldende regel niet van toepassing is, voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Uit de formulering van dit wetsartikel vloeit reeds voort dat de rechter de nodige terughoudendheid moet betrachten bij het aanvaarden van een beroep op de beperkende werking van de eisen van redelijkheid en billijkheid.1 Uitgangspunt is immers dat partijen hun afspraken dienen na te komen.

4.6.

De omstandigheden van het onderhavige geval geven naar het oordeel van de rechtbank geen aanleiding geven voor de conclusie dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Staatsbosbeheer onverkort betaling van de (achterstallige) erfpachtcanon vordert. Dit is inmiddels de tweede procedure waarin Staatsbosbeheer in verband met het onbetaald blijven van de erfpachtcanon over meerdere jaren [gedaagde 1] heeft gedagvaard. Per saldo heeft [gedaagde 1] vanaf 2014 al niet of nauwelijks voldaan aan haar verplichting tot betaling van de erfpachtcanon. Dat [gedaagde 1] en/of Camping [naam 2] BV, zoals [gedaagde 1] aanvoert, de exploitatie van de camping op de erfpachtgronden heeft moeten staken, waardoor zij geen financiële middelen meer voorhanden heeft, is naar het oordeel van de rechtbank een omstandigheid die voor rekening en risico van [gedaagde 1] als erfpachter komt. Anders dan [gedaagde 1] betoogt, is in deze sprake van een ondernemersrisico. Tevens dient te worden bedacht dat de positie van Staatsbosbeheer ter plaatse beperkt is; zij is slechts eigenaar van de aan [gedaagde 1] in erfpacht gegeven percelen en niet (ook) van de [naam 1] . Gesteld noch gebleken is dat Staatsbosbeheer iets te maken heeft met de (voormalige) exploitatie van de zandwinning in de naastgelegen [naam 1] . [gedaagde 1] kan haar bezwaren tegen de nasleep van de zandwinning dan ook niet aan Staatsbosbeheer tegenwerpen ter afwering van haar betalingsverplichting. Ook hoefde Staatsbosbeheer zich daarom, anders dan [gedaagde 1] kennelijk voor ogen had, niet aan de zijde van [gedaagde 1] te voegen in haar strijd tegen de gemeente, provincie en het zandwinningsbedrijf in verband met de nasleep van de zandwinning in de [naam 1] . Dat Staatsbosbeheer reeds bij het aangaan van de erfpacht wist dat recreatief gebruik van de erfpachtpercelen door [gedaagde 2] / [gedaagde 1] vrijwel onmogelijk was, is door haar gemotiveerd betwist en door [gedaagde 1] ook niet nader onderbouwd, laat staan dat Staatsbosbeheer dit gebruik aan [gedaagde 1] zou hebben gegarandeerd.

4.7.

Tegen deze achtergrond zal de vordering tot betaling van achterstallige erfpachtcanon geheel worden toegewezen. Ook strandt het verweer tegen de gevorderde boete, voor zover op artikel 6:248 lid 2 BW gebaseerd.

4.8.

De rechtbank begrijpt het verweer van [gedaagde 1] tegen de gevorderde contractuele boetes ook op als een beroep op matiging van deze boetes op de voet van artikel 6:94 lid 1 BW, waarin is bepaald dat de rechter op verlangen van de schuldenaar, indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, de bedongen boete kan matigen. Deze maatstaf brengt mee dat matiging alleen aan de orde is wanneer toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarmee onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij moet niet alleen worden gelet op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en strekking van het boetebeding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen, waarbij uiteindelijk de omstandigheden van het geval beslissend zijn.2

4.9.

Naar het oordeel van de rechtbank bestaat in het onderhavige geval geen aanleiding om de overeengekomen boete te matigen. Daartoe verwijst de rechtbank allereerst uitdrukkelijk naar hetgeen zij hiervoor onder 4.6./4.7. heeft overwogen, waarvan de inhoud als hier overgenomen en herhaald geldt. Bovendien gaat het hier om een prikkel tot nakoming van de verplichting tot betaling van de erfpachtcanon, welke verplichting [gedaagde 1] jarenlang niet is nagekomen jegens Staatsbosbeheer. Het totaalbedrag van de verschuldigde boetes is naar het oordeel van de rechtbank hier ook niet buitensporig hoog.

4.10.

De vordering tot betaling van de contractuele boete over de achterstallige erfpachtcanon is daarmee ook geheel toewijsbaar, zoals hierna in het dictum te melden.

Ontruiming van de erfpachtpercelen

4.11.

Staatsbosbeheer stelt dat het erfpachtrecht als gevolg van de opzegging per 1 juni 2019 is geëindigd, waarmee vast staat dat [gedaagde 1] sindsdien zonder recht of titel de erfpachtpercelen in gebruik heeft en daarmee onrechtmatig jegens Staatsbosbeheer handelt. Staatsbosbeheer is dan ook gerechtigd om ontruiming van de erfpachtpercelen met verwijdering van de daarop aanwezige opstallen te verlangen.

4.12.

[gedaagde 1] verzet zich niet tegen de gevorderde ontruiming van de erfpachtpercelen, in die zin dat zij aangeeft dat deze percelen uiteindelijk zullen moeten worden ontruimd. [gedaagde 1] stelt zich op het standpunt dat zij een aantal percelen grond die zij in eigendom heeft met Staatsbosbeheer wil ruilen om gedwongen ontruiming van onderhavige erfpachtpercelen en onnodige kosten - met betrekking tot het afbreken van gebouwen van de voormalige camping - te voorkomen.

4.13.

De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde 1] de beide erfpachtpercelen moet ontruimen en zal de daartoe strekkende vordering van Staatsbosbeheer dan ook toewijzen. Daartoe is redengevend dat Staatsbosbeheer, op goede gronden en rechtsgeldig, de erfpacht op grond van artikel 5:87 lid 1 en 2 BW jo. artikel 5: 88 lid 1 BW bij deurwaardersexploot heeft opgezegd tegen 1 juni 2019 vanwege het gedurende (ten minste) twee jaar in verzuim zijn met de betaling van de erfpachtcanon. Nu [gedaagde 1] de erfpachtpercelen sindsdien niet heeft ontruimd, gebruikt zij deze vanaf 1 juni 2019 zonder recht of titel. Dit is onrechtmatig jegens Staatsbosbeheer en rechtvaardigt dan ook een veroordeling tot ontruiming van de erfpachtpercelen. Dit oordeel wordt niet anders door de kennelijke wens van [gedaagde 1] om eigen percelen te ruilen met de erfpachtpercelen, nu Staatsbosbeheer geen enkele verplichting heeft jegens [gedaagde 1] om met een dergelijke grondruil akkoord te gaan.

4.14.

Staatsbosbeheer heeft in de inleidende dagvaarding tevens gevorderd dat [gedaagde 1] in het kader van de ontruiming van de erfpachtgronden ook de daarop aanwezige opstallen dient te ontruimen. Deze nevenvordering is ook toewijsbaar, nu ontruiming van de erfpachtgronden ook impliceert dat [gedaagde 1] zich niet langer in de zich daarop bevindende opstallen mag bevinden. Anders dan [gedaagde 1] suggereert, vordert Staatsbosbeheer geen verwijdering van deze opstallen door [gedaagde 1] , zodat het verweer, voor zover daarop gericht, niet behoeft te worden besproken.

Verklaring voor recht omtrent bestaan van huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2]

4.15.

Staatsbosbeheer stelt dat [gedaagde 2] zich buiten rechte op huurbescherming heeft beroepen om zo de ontruiming van de erfpachtpercelen te frustreren, welk beroep hij pas bij incidentele conclusie van onbevoegdheid weer heeft ingetrokken. Gezien de wisselende stellingen van [gedaagde 2] over huurbescherming, heeft Staatsbosbeheer er recht en belang bij dat in rechte bij vonnis wordt vastgesteld dat geen sprake is van huur van woonruimte door [gedaagde 2] .

4.16.

[gedaagde 1] voert verweer en geeft aan dat de gevorderde verklaring voor recht moet worden afgewezen, nu met het vonnis van de kantonrechter van 3 december 2019 al in rechte vast staat dat er geen sprake is van (een geschil over) een huurovereenkomst. Dat [gedaagde 2] in een e-mail eens wat anders heeft geroepen, maakt niet dat er alsnog sprake is geweest van een huurovereenkomst, aldus [gedaagde 1] .

4.17.

De rechtbank oordeelt als volgt. Vast staat dat [gedaagde 2] zich voorafgaand aan deze procedure tegenover Staatsbosbeheer heeft beroepen op huurbescherming vanwege een vermeende huurovereenkomst met [gedaagde 1] . Ondanks het feit dat Staatsbosbeheer hem vervolgens te kennen gaf dat zij het bestaan van de vermeende huurovereenkomst betwistte en [gedaagde 2] om bewijs hiervan vroeg, heeft [gedaagde 2] in dit verweer volhard. Voorafgaand aan de procedure heeft [gedaagde 2] op geen enkele wijze te kennen gegeven dat er toch geen sprake was van een huurovereenkomst tussen hem en [gedaagde 1] . Tegen deze achtergrond acht de rechtbank het zonder meer gerechtvaardigd dat Staatsbosbeheer in de inleidende dagvaarding een aantal (deels voorwaardelijke) vorderingen heeft ingesteld verband houdende met het al dan niet bestaan van de gestelde huurovereenkomst. Hierna heeft [gedaagde 2] , als de spreekwoordelijke donderslag bij heldere hemel en zonder nadere uitleg over het verlaten van zijn eerdere standpunt te geven, in de incidentele conclusie van onbevoegdheid ineens gesteld dat er géén sprake was van een huurovereenkomst.

4.18.

In het vonnis in het incident heeft de kantonrechter vervolgens, bij de toetsing van haar bevoegdheid, vastgesteld dat beide partijen er op dat moment kennelijk van uitgingen dat er geen sprake was van enige huurovereenkomst en zich om die reden onbevoegd verklaard. Omdat dit oordeel slechts gegeven is in het kader van de bevoegdheidstoetsing, heeft Staatsbosbeheer thans naar het oordeel van de rechter voldoende belang bij een rechterlijke vaststelling dat géén sprake is van enige huurovereenkomst die zij moet eerbiedigen. De daartoe strekkende vordering van Staatsbosbeheer is, nu thans niet (meer) in geschil is dat géén sprake is (geweest) van een huurovereenkomst, toewijsbaar als hierna in het dictum te melden.

4.19.

Het vorenstaande brengt mee dat de onder (v) en (vi) van het petitum van de dagvaarding genoemde voorwaardelijke vorderingen, die slechts zijn ingesteld voor het geval de gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen, geen bespreking behoeven.

Contractuele boete wegens schending verhuurverbod in de erfpachtakte

4.20.

Staatsbosbeheer stelt dat [gedaagde 1] - in strijd met het in artikel 20 van de erfpachtakte opgenomen verhuurverbod - zonder toestemming van Staatsbosbeheer de erfpachtpercelen aan Camping [naam 2] BV heeft verhuurd althans in gebruik gegeven, ten behoeve van de door deze op het terrein geëxploiteerde camping. Als gevolg hiervan heeft [gedaagde 1] krachtens artikel 20 van de erfpachtakte een onmiddellijk opeisbare boete verbeurd die gelijk is aan 25 keer het bedrag van de thans geldende jaarlijkse erfpachtcanon, zijnde € 169.238,00

(25 x € 6.769,52). Voor de door [gedaagde 1] bepleite matiging van deze contractuele boete bestaat geen aanleiding, aldus Staatsbosbeheer.

4.21.

[gedaagde 1] betwist de gevorderde contractuele boete. De brief van [gedaagde 2] aan Staatsbosbeheer van 20 februari 2008 moet, hoewel niet expliciet zo verwoord, aldus worden begrepen dat óók toestemming voor verhuur van de erfpachtpercelen aan Camping [naam 2] BV is gevraagd. [gedaagde 1] heeft deze toestemming ook van Staatsbosbeheer gekregen, waarvan hij, zo nodig, uitdrukkelijk bewijs aanbiedt. Voorts moet worden bedacht dat [gedaagde 2] louter om fiscale redenen zijn eenmanszaak, waarin onder meer de camping werd geëxploiteerd, in 2008 heeft omgezet in een bedrijfsstructuur met meerdere BV' s . Louter als gevolg daarvan is Camping [naam 2] BV de erfpachtgronden gaan gebruiken voor de exploitatie van de camping, aldus [gedaagde 1] . Vanwege het voorgaande is, primair, het verhuurverbod in de erfpachtakte niet door [gedaagde 1] geschonden en is zij de in verband daarmee gevorderde contractuele boete niet aan Staatsbosbeheer verschuldigd. Subsidiair stelt [gedaagde 1] , zo zij de boete verschuldigd is, dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat Staatsbosbeheer aanspraak op deze boete maakt, nu hij louter vanwege de hiervoor reeds genoemde fiscale redenen in 2008 zijn bedrijfsstructuur heeft gewijzigd.

4.22.

De rechtbank stelt voorop dat uit artikel 13 lid 1 aanhef en sub c van de erfpachtakte volgt dat het de erfpachter, hier: [gedaagde 1] , verboden is om zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Staatsbosbeheer, de erfpachtzaak, dus de percelen [nummer 1] en [nummer 2] , te verhuren, te verpachten of onder welke titel dan ook geheel aan derden in gebruik te geven3. De vraag die thans allereerst voorligt, is of [gedaagde 1] het hiervoor genoemde verhuurverbod heeft overtreden.

4.23.

In het kader van de beantwoording van die vraag dient naar het oordeel van de rechtbank allereerst te worden vastgesteld hoe het verhuurverbod in de erfpachtakte moet worden uitgelegd. Wat omvat dit verhuurverbod nu precies?

Bij de uitleg van een erfpachtakte komt het aan op de partijbedoeling voor zover die in de notariële akte tot uitdrukking is gebracht. Deze bedoeling moet worden afgeleid uit de in deze akte gebezigde bewoordingen, uit te leggen naar objectieve maatstaven in het licht van de gehele inhoud van de akte.4

4.24.

De rechtbank overweegt dat het verhuurverbod in de erfpachtakte op zich duidelijk is en aldus moet worden begrepen, dat [gedaagde 1] , als erfpachter van Staatsbosbeheer, de voorafgaande schriftelijke toestemming van Staatsbosbeheer nodig heeft om de erfpachtgronden aan een derde te verhuren. Partijen zijn het er op zich over eens dat deze bepaling ertoe dient om te voorkomen dat Staatsbosbeheer met voor haar onbekende huurders wordt geconfronteerd. De rechtbank vat het verweer van [gedaagde 1] op dit punt zo op, dat zij zich in wezen op het standpunt stelt dat van zodanige verhuur geen sprake is geweest. De rechtbank moet derhalve beoordelen of in de omstandigheden van het onderhavige geval sprake is geweest van verhuur aan een derde. Onder een "derde" moet naar het oordeel van de rechtbank worden verstaan een buitenstaander die niet bij een rechtsverhouding tussen twee partijen betrokken is.

4.25.

Daarvan is in het onderhavige geval bij de verhuur van de erfpachtgronden door [gedaagde 1] aan Camping [naam 2] BV echter geen sprake geweest, waartoe de rechtbank het volgende van belang acht. Vooropgesteld dient te worden dat de erfpachtgronden bij het aangaan van de erfpachtrelatie in eerste instantie door [gedaagde 2] , die toen een eenmanszaak dreef, zijn gepacht, waarbij de ter plaatse gevestigde Camping [naam 2] feitelijk al gebruik maakte van de erfpachtgronden aldaar. Alles was toen in één hand, bij [gedaagde 2] . Vast staat dat [gedaagde 2] in 2008 zijn onderneming, waaronder ook de camping, heeft ondergebracht in een BV-structuur, waartoe onder meer [gedaagde 1] en Camping [naam 2] BV zijn opgericht. Camping [naam 2] BV is een dochtermaatschappij van [gedaagde 1] . Van deze beide BV' s was [gedaagde 2] in persoon uiteindelijk (indirect) de feitelijke bestuurder.

Verder staat vast dat de erfpachtgronden met toestemming van Staatsbosbeheer zijn ingebracht in [gedaagde 1] en dat de exploitatie van camping op de erfpachtgronden de facto op de oude voet is voortgezet, met dien verstande dat Camping [naam 2] BV daarvan nu de feitelijke exploitant was. Wanneer door de opgerichte BV-structuur wordt heen gekeken, is Camping [naam 2] naar het oordeel van de rechtbank feitelijk in dezelfde hand als voorheen gebleven, namelijk die van [gedaagde 2] .

Onder de hiervoor geschetste omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, is de rechtbank van oordeel dat - hoewel het bestaan van een huurrelatie tussen [gedaagde 1] en Camping [naam 2] BV door [gedaagde 1] is erkend en Staatsbosbeheer van het bestaan van deze huurrelatie mogelijk niet afwist - er geen sprake is geweest van verhuur van de erfpachtgronden aan een buitenstaander bij de onderlinge rechtsverhouding tussen Staatsbosbeheer en haar erfpachter [gedaagde 1] . Staatsbosbeheer is niet met een volkomen onbekende derde geconfronteerd, integendeel. Er was dan ook geen (afzonderlijke) voorafgaande schriftelijke toestemming nodig van Staatsbosbeheer voor het aangaan van deze huurrelatie. Daarmee is het verhuurverbod in de erfpachtakte naar het oordeel van de rechtbank niet geschonden, zodat [gedaagde 1] niet de in artikel 20 van de erfpachtakte genoemde boete aan Staatsbosbeheer verschuldigd is geworden. Of, zoals [gedaagde 1] heeft aangevoerd, Staatsbosbeheer uitdrukkelijk toestemming voor genoemde verhuur zou hebben gegeven, kan bij deze stand van zaken in het midden worden gelaten.

4.26.

De in dezen door Staatsbosbeheer gevorderde contractuele boete wordt dan ook afgewezen.

Schade als gevolg van wanprestatie

4.27.

Staatsbosbeheer stelt in zijn conclusie van repliek dat de handelwijze van [gedaagde 1] een aanzienlijke vertraging van deze procedure tot gevolg heeft gehad. Staatsbosbeheer ging er aanvankelijk van uit dat hij binnen afzienbare tijd weer over de erfpachtgronden kon beschikken, zodat in de dagvaarding nog geen aanspraak op schadevergoeding is gemaakt wegens de voortijdige beëindiging van de erfpacht in verband met de wanprestatie van [gedaagde 1] . Inmiddels is er al een jaar verstreken, waarin Staatsbosbeheer de erfpachtgronden nog niet ter beschikking heeft gehad. Hierdoor heeft Staatsbosbeheer schade geleden. De schade bestaat uit de erfpachtcanon die Staatsbosbeheer had kunnen ontvangen indien [gedaagde 1] wel aan haar verplichtingen had voldaan en opzegging van de erfpacht niet nodig was geweest. Deze erfpacht zou per 1 januari 2019 € 7.049,05 per jaar (derhalve € 587,42 per maand) en per 1 januari 2020 € 7.802,26 per jaar (derhalve € 650,19 per maand) hebben bedragen. Deze prijsstijgingen zijn een gevolg van een jaarlijks aflopende ingroeiregeling en van de in artikel 3 lid 2 van de erfpachtakte opgenomen driejaarlijkse indexering die per 1 januari 2020 zou worden geëffectueerd.

4.28.

[gedaagde 1] betwist de gevorderde schadevergoeding. Daartoe voert zij aan dat Staatsbosbeheer kennelijk niet de dringende behoefte heeft gehad om de percelen voor een andere bestemming in te zetten. Zou dat wel het geval zijn geweest, dan zouden er geen schikkingsonderhandelingen tussen partijen zijn gevoerd en had Staatsbosbeheer ook ontruiming van de erfpachtpercelen via de voorzieningenrechter in kort geding kunnen bewerkstelligen. Staatsbosbeheer had in dezen dan ook eerder moeten handelen, in plaats van thans in een procedure na jarenlang stilzitten een verhoging van de erfpacht te vorderen. Ook heeft Staatsbosbeheer niet aangetoond inkomsten te zijn misgelopen vanwege het niet beschikbaar zijn van de erfpachtgronden voor een andere bestemming.

4.29.

De rechtbank oordeelt als volgt. Zoals hiervoor al overwogen, is de erfpacht door Staatsbosbeheer (rechtsgeldig) opgezegd tegen 1 juni 2019. Dit impliceert dat [gedaagde 1] de erfpachtgronden tegen die datum al - eigener beweging - had moeten ontruimen en tevens dat zij de erfpachtgronden sindsdien zonder recht of titel in gebruik heeft (gehad).

Omdat [gedaagde 1] sinds 1 juni 2019 tot op heden de erfpachtgronden onrechtmatig heeft gebruikt althans heeft gehouden zonder daarvoor een vergoeding aan Staatsbosbeheer als eigenaar te betalen, heeft Staatsbosbeheer daardoor schade geleden, althans lijdt hij nog steeds schade en is [gedaagde 1] gehouden om deze schade aan Staatsbosbeheer te vergoeden.

De rechtbank ziet aanleiding om voor de begroting van de schade aan te sluiten bij het bedrag aan jaarlijkse/maandelijkse erfpachtcanon waarop Staatsbosbeheer bij voortzetting van de erfpacht na 1 juni 2019 aanspraak had kunnen maken, zulks tot aan de daadwerkelijke ontruimingsdatum. Het verwijt van [gedaagde 1] dat Staatsbosbeheer zou hebben stilgezeten ten aanzien van het ontruimen van de erfpachtgronden, waarmee zij - naar de rechtbank begrijpt - haar schade had moeten beperken - gaat naar het oordeel van de rechtbank niet op. Immers, na de opzegging van de erfpacht tegen 1 juni 2019 heeft Staatsbosbeheer al bij dagvaarding van 24 juli 2019 [gedaagde 1] gedagvaard tot (onder meer) ontruiming van de erfpachtgronden. Dat kan bezwaarlijk als stilzitten worden beschouwd. Het is vervolgens door de proceshouding van [gedaagde 1] / [gedaagde 2] geweest dat in de hoofdzaak niet meteen kon worden doorgeprocedeerd, nu zij ineens een onbevoegdheidsincident hebben opgeworpen, dat haaks stond op het eerdere standpunt van [gedaagde 2] over het bestaan van een huurovereenkomst.

4.30.

Gelet op het vorenstaande moet [gedaagde 1] naar het oordeel van de rechtbank (alsnog) bij wege van schadevergoeding de onder 4.29 bedoelde vergoeding aan Staatsbosbeheer betalen. Staatsbosbeheer heeft onbetwist gesteld dat zij per 1 januari 2019 aanspraak had op een erfpachtcanon van € 7.049,05 per jaar (= € 587,42 per maand) en - conform de indexeringsclausule van artikel 3 lid 2 van de erfpachtakte - op een erfpachtcanon van € 7.802,26 per jaar (= € 650,19 per maand) vanaf 1 januari 2020. Deze berekeningen zijn door [gedaagde 1] niet (zelfstandig) betwist. De vordering tot betaling van de hiervoor genoemde bedragen is dan ook toewijsbaar.

Buitengerechtelijke kosten

4.31.

Staatsbosbeheer vordert van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] betaling van buitengerechtelijke kosten ter hoogte van twee punten van het toepasselijke liquidatietarief. Deze vordering, die naar de rechtbank aanneemt voortvloeit voort uit artikel 26 van de erfpachtakte althans artikel 6:96 lid 2 sub c BW, is door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet zelfstandig betwist en ligt daarmee naar het oordeel van de rechtbank als zodanig voor toewijzing gereed. De buitengerechtelijke kosten zullen met inachtneming van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten worden toegekend. Nu het uiteindelijk verschuldigde bedrag aan hoofdsom nog niet geheel vast staat, acht de rechtbank het redelijk om de vergoeding voor de incassokosten op een bedrag van € 1.500,00 vast te stellen.

Proceskosten

4.32.

Staatsbosbeheer vordert ten eerste dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , hoofdelijk, op de gebruikelijke wijze in de proceskosten worden veroordeeld. Ten tweede vordert Staatsbosbeheer, aanvullend, nog een bedrag van € 1.500,00 aan daadwerkelijk gemaakte proceskosten. Ter onderbouwing van deze aanvullende proceskostenvergoeding voert Staatsbosbeheer aan dat [gedaagde 1] de onderhavige procedure heeft gefrustreerd door eerst een beroep op huurbescherming te doen en vervolgens in de loop van de procedure een incident op te werpen, stellende dat er nooit sprake is geweest van een huurovereenkomst. Daarmee heeft [gedaagde 1] willens en wetens nodeloze kosten aan de zijde van Staatsbosbeheer veroorzaakt en aldus onrechtmatig jegens hem gehandeld. [gedaagde 1] heeft in rechte ook erkend dat het beroep op huurbescherming zonder merites was en dat er nimmer sprake is geweest van een dergelijke huurovereenkomst. De in deze procedure nodeloos gemaakte kosten hebben (na afwikkeling van het incident) betrekking op de tijd die de advocaat van Staatsbosbeheer in de dagvaarding heeft moeten besteden aan de weerlegging van de juistheid van het standpunt dat sprake zou zijn van een huurovereenkomst en het instellen van een voorwaardelijke vordering tot beëindiging daarvan. Staatsbosbeheer begroot deze nodeloos bestede tijd op 4,4 uur, bestaande uit 1/3e van de aan het opstellen van de dagvaarding bestede tijd, bij een uurtarief van € 330,00. De nodeloos veroorzaakte proceskosten komen daarmee uit op een bedrag van € 1.500,00 en dienen door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te worden vergoed.

4.33.

[gedaagde 1] en [gedaagde 2] betwisten de gevorderde werkelijke proceskostenveroordeling. [gedaagde 2] heeft in den beginne gemeend dat hem huurbescherming toekwam. Na advies te hebben ingewonnen, is hem gebleken dat zulks niet het geval was. Hiervoor is Staatsbosbeheer reeds voldoende gecompenseerd in die zin dat de kantonrechter in het vonnis in het incident de proceskosten tussen partijen heeft gecompenseerd, aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt. Hiernaast kan Staatsbosbeheer niet nog eens om een proceskostenveroordeling vragen. Bovendien is het aantal in rekening gebrachte uren (4,4) niet onderbouwd en is voor het genoemde uurtarief van € 330,00, in het licht van het voorgaande, geen plaats.

4.34.

De rechtbank oordeelt als volgt. Een (gedeeltelijke) veroordeling in de reële proceskosten, zoals hier gevorderd, is volgens vaste rechtspraak alleen bij hoge uitzondering aan de orde, indien sprake is van buitengewone omstandigheden, waarbij dient te worden gedacht aan gevallen van misbruik van procesrecht of onrechtmatige daad. Daarvoor is in een geval als het onderhavige nodig dat het betreffende verweer van de gedaagde partij, gelet op de evidente ongegrondheid daarvan, in verband met de betrokken belangen van de wederpartij, achterwege had moeten blijven. Hiervan is pas sprake wanneer de gedaagde partij het verweer heeft gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan hij de onjuistheid kende dan wel had behoren te kennen of op stellingen waarvan hij op voorhand moest begrijpen dat deze geen enkele kans van slagen hadden.5 De rechter dient de nodige terughoudendheid te betrachten bij het aannemen van een situatie als hiervoor bedoeld, nu de gedaagde partij, mede in het licht van het door artikel 6 EVRM gewaarborgde recht op toegang tot de rechter, in beginsel de gelegenheid moet hebben om zijn verweer ten volle aan de rechter voor te leggen.

4.35.

Naar het oordeel van de rechtbank is een buitengewone situatie als hiervoor bedoeld in deze zaak aan de orde. De rechtbank verwijst hiertoe allereerst naar hetgeen zij hiervoor in r.o. 4.17 reeds heeft overwogen. De inhoud van die rechtsoverweging heeft als hier herhaald en ingelast te gelden. Kort gezegd komt het erop neer dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] buiten rechte een verweer (huurbescherming) hebben gevoerd én - ondanks een verzoek om bewijs van de huurrelatie van de zijde van Staatsbosbeheer - niet verder hebben onderbouwd, maar onverkort hebben gehandhaafd, waardoor Staatsbosbeheer wel genoodzaakt was om hierop in de dagvaarding in te gaan. Vervolgens hebben [gedaagde 2] en [gedaagde 1] het betreffende verweer zonder enige toelichting laten varen door zich in het incident ineens op het standpunt te stellen dat er tóch geen sprake was van een huurovereenkomst. Aldus hebben zij naar het oordeel van de rechtbank een verweer gevoerd en gehandhaafd waarvan zij op voorhand hadden moeten begrijpen dat dit geen enkele kans van slagen zou hebben, alleen maar om Staatsbosbeheer te dwarsbomen. Dit was onrechtmatig jegens Staatsbosbeheer en hiermee hebben zij nodeloos kosten aan de kant van Staatsbosbeheer veroorzaakt. Indien [gedaagde 1] en [gedaagde 2] reeds voorafgaand aan de dagvaarding dit - kennelijk ongegronde - verweer hadden laten vallen, had Staatsbosbeheer hierop in de dagvaarding niet (betrekkelijk uitgebreid) hoeven in te gaan. Een en ander rechtvaardigt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] de hierdoor door Staatsbosbeheer geleden schade, in de vorm van de door haar advocaat op dit punt in rekening gebrachte salariskosten, moet vergoeden.

4.36.

Het door Staatsbosbeheer genoemde aantal uren (4,4) die aan de weerlegging van dit verweer zijn besteed, komt de rechtbank in het licht van de gehele dagvaarding niet onredelijk voor, zodat de rechtbank dit overneemt. Daarnaast neemt de rechtbank het door de advocaat gehanteerde uurtarief van € 330,00 over, nu dit voldoende onderbouwd is met de declaratie van diens kantoor. Aldus zal het in dezen gevorderde bedrag van € 1.500,00 worden toegewezen.

4.37.

Voor het overige zullen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zullen als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij op de gebruikelijke wijze (hoofdelijk) in de kosten van de procedure worden veroordeeld, aan de zijde van Staatsbosbeheer vastgesteld als volgt:

- dagvaardingskosten € 81,83

- kosten verwijzingsexploot € 108,61

- vast recht € 4.030,00 (waarvan € 972,00 in de kantonprocedure)

- salaris advocaat € 4.296,00 (4 punten6 x € 1.074,00 , tarief IV)

-------------

€ 8.516,44

Beslagkosten

4.38.

De gevorderde beslagkosten zijn op de voet van artikel 706 Rv in deze hoofdzaak toewijsbaar. Aan de hand van de overgelegde beslagstukken worden de beslagkosten begroot op een bedrag van € 178,96 + € 83,83 = € 262,79. Het (afzonderlijk) geheven griffierecht voor het beslagrekest ten bedrage van € 639,00 is door de griffier inmiddels gecrediteerd aan Staatsbosbeheer.

4.39.

Overigens is deze veroordeling slechts toewijsbaar ten aanzien van [gedaagde 1] , nu zij de beslagene is en niet ook [gedaagde 2] . Ten aanzien van hem worden de gevorderde beslagkosten daarom afgewezen.

Nakosten

4.40.

De gevorderde nakosten zijn toewijsbaar als hierna in het dictum te melden. Datzelfde geldt voor de gevorderde wettelijke rente over de proceskosten, de buitengerechtelijke kosten en de nakosten.

Uitvoerbaarverklaring bij voorraad

4.41.

Het vonnis zal, zoals gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard voor zover het de hierna bij de beslissing te noemen veroordelingen betreft. De hierna te noemen verklaring voor recht is naar zijn aard niet vatbaar voor uitvoerbaarverklaring bij voorraad.

BESLISSING

De rechtbank:

5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling aan Staatsbosbeheer van een bedrag van

€ 22.569,15 aan achterstallige erfpachtcanon tot en met 1 juni 2019, te vermeerderen met de contractuele boete van 1% van het verschuldigde per maand, tot en met 1 juni 2019 berekend op € 3.552,81, alsmede tot betaling van de contractuele boete van 1% van het verschuldigde per maand vanaf 1 juli 2019 tot aan de dag der algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] om de percelen kadastraal bekend gemeente Vlagtwedde, sectie [letter] , nummer [nummer 1] en [nummer 2] , binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis met al de haren en al het hare te ontruimen en ontruimd te houden en deze percelen in goede staat van onderhoud aan Staatsbosbeheer ter beschikking te stellen onder afgifte van de sleutels van de daarop aanwezige opstallen;

5.3.

verklaart voor recht dat geen sprake is (geweest) van een huurovereenkomst tussen [gedaagde 1] en [gedaagde 2] die op de voet van artikel 5:94 lid 4 BW door Staatsbosbeheer moe( s )t worden voortgezet;

5.4.

veroordeelt [gedaagde 1] tot betaling van de schade die Staatsbosbeheer heeft geleden en nog lijdt in verband met het niet tijdig ontruimen van de erfpachtpercelen, te begroten op € 587,42 per maand vanaf 1 juli 2019 tot en met 31 december 2019 en een bedrag van € 650,10 voor iedere maand vanaf 1 januari 2019 tot aan de dag der algehele ontruiming;

5.5.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk, in die zin dat als de één betaalt de ander in zoverre zal zijn bevrijd, tot betaling van buitengerechtelijke kosten, vastgesteld op € 1.500,00;

5.6.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , eveneens hoofdelijk, in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van Staatsbosbeheer vastgesteld op € 8.516,44, alsmede tot betaling van een bedrag van € 1.500,00 ter zake van werkelijke proceskosten;

5.7.

veroordeelt [gedaagde 1] in de kosten voor het leggen van conservatoir beslag, tot op heden vastgesteld op € 262,79;

5.8.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , eveneens hoofdelijk, in de nakosten, vastgesteld op € 131,00 zonder betekening van dit vonnis en € 199,00 in geval van betekening;

5.9.

veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] , eveneens hoofdelijk, tot betaling van de wettelijke rente over de bedragen aan buitengerechtelijke kosten en de proceskosten en [gedaagde 1] tot betaling van de wettelijke rente over de beslagkosten, zulks vanaf de vijftiende dag na dagtekening van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

5.10.

verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad voor wat betreft de veroordelingen hiervoor genoemd onder 5.1, 5.2., en 5.4. tot en met 5.9;

5.11.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. C. van den Noort en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2020, in tegenwoordigheid van de griffier.

614 / mp

1 vgl. HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4942.

2 vgl. HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638 en HR 13 juli 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4986.

3 In afwijking van artikel 5:94 lid 1 BW.

4 vgl. HR 1 november 2013, ECLI:NL:HR:2013:1078 en HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1511.

5 vgl. HR 15 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2360.

6 Dagvaarding, conclusie van repliek, mondelinge behandeling en beslaglegging.