Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4554

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
15-12-2020
Datum publicatie
23-12-2020
Zaaknummer
18-203807-20 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich in de periode van 28 mei 2015 tot en met 24 november 2018 schuldig gemaakt aan (Marktplaats)oplichting. Door haar handelen heeft zij achttien slachtoffers geld afhandig gemaakt (voor een bedrag van in totaal € 2.970,40). De rechtbank veroordeelt verdachte tot een taakstraf van 140 uren en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden.

Aan verdachte is de verplichting opgelegd tot betaling van € 2.290,40 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit bedrag is lager dan uit de bewezenverklaring in de hoofdzaak volgt, vanwege vorderingen van de benadeelde partijen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18-203807-20

Beslissing van de meervoudige kamer, Noordelijke Fraudekamer, d.d. 15 december 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[verdachte 1] ,

geboren op [geboortedatum] 1991 te [geboorteplaats] ,

wonende [woonadres] ,

hierna te noemen: veroordeelde.

Procesverloop

De officier van justitie heeft op 4 november 2020 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 3.246,00 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18-203807-20 voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 1 december 2020. Veroordeelde is niet verschenen; wel is verschenen mr. R.P. Eefting, advocaat te Assen, die verklaard heeft uitdrukkelijk tot de verdediging te zijn gemachtigd. Het openbaar ministerie is vertegenwoordigd door mr. T. Klooster.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter zitting gevorderd dat veroordeelde zal worden veroordeeld tot betaling aan de Staat van het geschatte voordeel, dat door de officier van justitie wordt geschat op € 2.290,00 en aldus de oorspronkelijke ontnemingsvordering van € 3.246,00 verminderd tot dat bedrag.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd moet worden op de (18) ten laste gelegde door veroordeelde ontvangen geldbedragen. Het gaat daarbij om een bedrag van € 2.970,00. Een bedrag van € 680,00, betrekking hebbend op de toegewezen vorderingen van de benadeelde partijen, moet daarop vervolgens in mindering worden gebracht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld dient te worden vastgesteld conform de door de officier van justitie ter zitting gestelde berekeningswijze. De raadsman heeft gesteld dat daaruit een bedrag van € 2.290,40 volgt.

Bewijsmiddelen

De rechtbank baseert de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel op de volgende bewijsmiddelen:

- het vonnis van de meervoudige strafkamer, Noordelijke Fraudekamer, van deze rechtbank op 15 december 2020 in de onderliggende hoofdzaak met parketnummer 18-203807-20;

- de stukken behorende tot het dossier in de strafzaak met parketnummer 18-203807-20.

Beoordeling

Het vonnis van 15 december 2020.

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 15 december 2020 in de zaak met parketnummer 18-203807-20 veroordeeld ter zake: oplichting, meermalen gepleegd.

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van dit door haar gepleegde strafbare feit.

De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Blijkens het vonnis is de rechtbank van oordeel dat veroordeelde zich in de periode van 28 mei 2015 tot en met 24 november 2018 schuldig heeft gemaakt aan de oplichting van na te noemen personen voor na te noemen bedragen.

Dit levert de volgende berekening op:

- [slachtoffer 1] € 320,00

- [slachtoffer 2] € 275,00

- [slachtoffer 3] € 150,00

- [slachtoffer 4] € 255,00

- [slachtoffer 5] € 100,00

- [slachtoffer 6] € 95,00

- [slachtoffer 7] € 318,00

- [slachtoffer 8] € 150,00

- [slachtoffer 9] € 107,00

- [slachtoffer 10] € 90,00

- [slachtoffer 11] € 270,40

- [slachtoffer 12] € 200,00

- [slachtoffer 13] € 117,00

- [slachtoffer 14] € 40,00

- [slachtoffer 15] € 81,00

- [slachtoffer 16] € 120,00

- [slachtoffer 17] € 137,00

- [slachtoffer 18] € 150,00

Totaal € 2.975,40.

De rechtbank is van oordeel dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft verkregen ter hoogte van € 2.975,40.

De betalingsverplichting.

Zowel de officier van justitie als de raadsman hebben aangevoerd dat de ten gunste van de benadeelde partijen [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en [slachtoffer 10] toegewezen vorderingen, ter hoogte van respectievelijk € 320,00, € 275,00 en € 90,00, in mindering moeten worden gebracht op het vast te stellen bedrag van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De (aldus verminderde) ontnemingsvordering is gelet op het voorgaande integraal toewijsbaar. Dit brengt mee dat aan veroordeelde de verplichting tot betaling aan de Staat een bedrag van € 2.290,40 zal worden opgelegd. Daarbij wijst de rechtbank erop dat het verschil van € 0,40 tussen het door de rechtbank vast te stellen bedrag en het door de officier van justitie gevorderde ontnemingsbedrag is terug te voeren op een kennelijke rekenfout in de berekening van de officier van justitie.

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 2.975,40.

Legt [verdachte 1] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 2.290,40 (zegge: tweeduizend tweehonderdennegentig euro en veertig cent) aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd op 32 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. G.W.G. Wijnands en mr. R.B. Maring, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 15 december 2020.