Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4493

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
17-12-2020
Datum publicatie
24-12-2020
Zaaknummer
AWB LEE - 19 _ 705 t/m 710, 712
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ten tijde van een boekenonderzoek bleek dat de door eiser bijgehouden rittenregistratie niet meer goed leesbaar was. Eiser heeft daarop geprobeerd de rittenregistratie te herstellen.

Verweerder achtte de herstelde rittenregistratie niet sluitend en controleerbaar en heeft bij het opleggen van de (navordering)aanslagen over de jaren 2012 tot en met 2016 correcties toegepast voor privégebruik van de auto.

In beroep spitst het geschil zich toe op de vraag of eiser heeft doen blijken dat zijn zakelijke auto per jaar voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

De rechtbank komt tot het oordeel dat eiser voor de jaren 2014 en 2015 wel in de op hem rustende (zware) bewijslast slaagt. Voor de jaren 2012, 2013 en 2016 slaagt eiser niet in de op hem rustende (zware) bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 24-12-2020
FutD 2020-3872
V-N Vandaag 2020/3282
NTFR 2021/93
V-N 2021/11.2.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 19/705 t/m 19/710, en 19/712

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 17 december 2020 in de zaak tussen

[naam eiser] , te [woonplaats eiser] , eiser

(gemachtigde: [gemachtigde van eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Groningen, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde van verweerder] ).

Procesverloop

Zaaknummer LEE 19/705

Verweerder heeft voor het jaar 2012 met dagtekening 30 juni 2018 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.086. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 666 aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 19/706

Verweerder heeft voor het jaar 2012 met dagtekening 30 juni 2018 aan eiser een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 47.664. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 79 aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 19/707

Verweerder heeft voor het jaar 2013 met dagtekening 28 juli 2018 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.379. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 516 aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 19/708

Verweerder heeft voor het jaar 2014 met dagtekening 28 juli 2018 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 36.309. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 458 aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 19/709

Verweerder heeft voor het jaar 2014 met dagtekening 28 juli 2018 aan eiser een navorderingsaanslag inkomensafhankelijke bijdrage ZVW opgelegd, berekend naar een bijdrage-inkomen van € 39.969. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 50 aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 19/710

Verweerder heeft voor het jaar 2015 met dagtekening 28 juli 2018 aan eiser een navorderingsaanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 58.970. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 327 aan belastingrente in rekening gebracht.

Zaaknummer LEE 19/712

Verweerder heeft voor het jaar 2016 met dagtekening 14 september 2018 aan eiser een aanslag opgelegd in de IB/PVV berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 44.996. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 196 aan belastingrente in rekening gebracht.

Alle zaaknummers

Bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar van 18 januari 2019 heeft verweerder de bezwaren van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft bij brief van 8 april 2020 aan partijen vragen gesteld.

Eiser heeft bij brief van 24 april 2020 op de brief van de rechtbank van 8 april 2020 gereageerd.

Verweerder heeft bij brief van 30 april 2020 op de brief van de rechtbank van 8 april 2020 gereageerd.

De rechtbank heeft bij brief van 14 mei 2020 aan partijen een voorlopig oordeel gegeven over de ontvankelijkheid van de bezwaren.

Eiser heeft bij brieven van 31 juli 2020 en 6 augustus 2020 nadere stukken ingediend, deels in antwoord op de brief van de rechtbank van 31 juli 2020.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 augustus 2020. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door [bijstand van verweerder] . De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst om partijen in de gelegenheid te stellen in overleg te treden over een mogelijk compromis.

Eiser heeft bij brief van 2 november 2020 de rechtbank laten weten dat het bereiken van een compromis niet is gelukt en heeft verzocht om uitspraak te doen.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] en gehuwd met [naam partner] . Eiser woont met zijn partner en hun twee kinderen aan de [adres] te [woonplaats eiser] .

1.2.

Eiser drijft een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De ondernemingsactiviteiten bestaan uit technisch ontwerp en advieswerkzaamheden en soft- en hardware engineering in de industrie. Er is geen personeel in dienst.

1.3.

In de in geschil zijnde jaren (2012 tot en met 2016) behoorde tot het vermogen van eisers onderneming een Peugeot 3008 met kenteken [kenteken 1] (hierna: de auto).

1.4.

Vanaf 5 mei 2009 tot en met 6 juli 2015 beschikte het gezin van eiser in privé over een Peugeot 306 met kenteken [kenteken 2] .

1.5.

Bij eiser is een boekenonderzoek ingesteld. Het boekenonderzoek is op 25 januari 2018 aangekondigd en had aanvankelijk betrekking op de aangiften IB/PVV, omzetbelasting en ZVW voor het jaar 2015. Het onderzoek is later uitgebreid naar de jaren 2012 tot en met 2014 en 2016.

1.6.

In het op 18 juni 2018 gedagtekende rapport van het boekenonderzoek is onder meer het volgende opgenomen:

4 Fiscale resultatenrekening

De administratie geeft op zich geen aanleiding tot correcties en/of opmerkingen met uitzondering van het privégebruik auto en de achteraf opgestelde rittenadministratie; zie onderdeel 4.1 van dit rapport.

4.1

Privégebruik auto

(…)

In de jaren 2012 t/m 2016 is er geen sluitende rittenadministratie bijgehouden. Wel heeft de heer [naam eiser] getracht achteraf nog een rittenadministratie op te stellen aan de hand van de verkoopfacturen en zijn agenda. De kilometers zijn bepaald met behulp van een routeplanner. De feitelijke kilometers zullen regelmatig enigszins afwijken. Daarnaast wijken de kilometerstanden van de rittenadministratie af van de standen van de FIOD infodesk. Hieronder een overzicht van de verschillen:

Datum

FIOD

Rittenadm.

Verschil

Zakelijk

Privé

26-6-2012

100.392

106.203

5.811

29.228

482

5-7-2013

153.792

153.958

166

49.335

481

8-4-2014

185.546

185.638

92

25.334

483

7-5-2015

211.191

211.308

117

28.959

442

6-5-2016

236.425

236.705

280

15.181

410

Toelichting

1. De kolom van de FIOD geeft de kilometerstand aan bij de jaarlijkse APK. Jaarlijks is er een verschil met de rittenadministratie.

2. De kolom Zakelijk geeft de zakelijke verreden kilometers volgens de rittenadministratie in dat jaar aan.

3. De kolom Privé geeft de privé verreden kilometers volgens de rittenadministratie in dat jaar aan.

Peugeot 306 met kenteken [kenteken 2] , bouwjaar 1997

Vanaf 5 mei 2009 t/m 6 juli 2015 beschikte het gezin [naam eiser] over een Peugeot 306 met kenteken [kenteken 2] , bouwjaar 1997. Deze Peugeot was, zoals belastingplichtige het noemde, beschikbaar voor ‘het gezinsgebruik’. Het gezin bestond tot [datum verhuizing] uit de heer en mevrouw [naam eiser] , een zoon, geboren op [geboortedatum zoon] en een dochter, geboren op [geboortedatum dochter] . Alle vier genoemde personen beschikten over een rijbewijs. De zoon is per [datum verhuizing] verhuisd en zelfstandig gaan wonen. Van de FIOD infodesk heb ik van de Peugeot 306 met kenteken [kenteken 2] de volgende kilometerstanden ontvangen:

- 4 mei 2011: 103.092 km;

- 25 mei 2012: 111.968 km;

- 23 mei 2013: 120.289 km;

- 9 mei 2014: 130.299 km;

- 29 mei 2015: 148.999 km;

- 6 juli 2015: 152.011 km.

In de jaren 2011 t/m juli 2015 zijn er met deze Peugeot de volgende kilometers verreden:

4 mei 2011 tot 25 mei 2012: 8.876 km; 25 mei 2012 tot 23 mei 2013: 8.321 km; 23 mei 2013 tot 9 mei 2014: 10.010 km, 9 mei 2014 tot 29 mei 2015: 18.700 km en 29 mei tot 6 juli 2015: 3.012 km. Dit betekent dat er in de Peugeot 306 gemiddeld ruim 12.000 kilometers per jaar door de vier gezinsleden zijn verreden.

Ik ben van mening dat er geen sprake is van een sluitende en controleerbare rittenadministratie. Ook anderszins heeft de heer [naam eiser] niet aannemelijk gemaakt dat de Peugeot 3008 op jaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt. Bovendien is het opvallend dat er in de jaren dat de vier gezinsleden over de Peugeot 306 én de zakelijke Peugeot beschikten, evenveel privé kilometers met de zakelijke Peugeot zijn verreden, n1. 482 km in 2012, 481 km in 2013, 483 in 2014, 442 km in 2015 en 410 in 2016. Dit is niet aannemelijk. Daarnaast is het ook niet aannemelijk dat een gezin van vier gezinsleden, die alle vier over een rijbewijs beschikken en gemiddeld per jaar 12.000 kilometer in de relatief oude ‘gezinsauto rijden’, niet regelmatig gebruik zouden maken van de eveneens voor privédoeleinden beschikbare Peugeot 3008, welke ook nog eens 12 jaar ‘jonger’ is.

Het privégebruik auto wordt als volgt gecorrigeerd:

PGA

Omschrijving

Bedrag

Bijtelling 25% van 36.850

9.213

Bijgeteld

0

Correctie PGA

9.213

Journaalpost

PGA

9.213

Aan te betalen Btw

553

(1.5%) 2012 en 2013 (2,7% = € 995).

Aan autokosten

8.660 (2013: 8.218)

Correctie 2012

Autokosten lager

€ 9.213 *)

Correctie 2013

Autokosten lager

€ 8.218

Correctie 2014

Autokosten lager

€ 8.660

Correctie 2015

Autokosten lager

€ 8.660

Correctie 2016

Autokosten lager

€ 8.660

*) De Btw over het jaar 2012 kan niet meer worden nageheven, omdat dit tijdvak inmiddels is verjaard. De correctie over 2012 blijft daarom beperkt tot de inkomstenbelasting voor een bedrag van € 9.213.”

1.7.

In zijn brief met dagtekening 15 juli 2018, ontvangen door verweerder op 18 juli 2018, schrijft eiser – voor zover hier van belang – het volgende:

Onderwerp: Bezwaarschrift op boekenonderzoek

Geachte heer, mevrouw,

Ik teken hierbij, d.d. 15 juli 2018, bezwaar aan tegen de beslissing die is aangegeven in het controlerapport, d.d. 18 juni 2018, van de belastingdienst Midden- en Kleinbedrijf Kantoor Leeuwarden met het kenmerk (entiteit) [nummer] . Een kopie hiervan is als bijlage meegestuurd.

De reden is dat ik het niet eens ben met de getrokken conclusies van de controlemedewerker in dit rapport aangaande het wel/niet zakelijk gebruik van de zakelijke auto. De medewerker heeft helaas in dit rapport een aantal onjuiste aannames gedaan, waardoor het lijkt alsof er teveel privé gebruik van de auto is gemaakt. Ook de rittenadministratie is m.i. sluitend en controleerbaar op diverse terreinen. Dit is helaas ook niet goed onderzocht en in de berekening zijn daarin door de medewerker ook foute getallen en aannames gehanteerd.

Hierdoor zou de beslissing m.i. moeten zijn dat de zakelijke auto in de afgelopen jaren ook daadwerkelijk voor zakelijk doeleinden gebruikt wordt.

Dit zou ik gaarne verder mondeling willen toelichten aan een andere controlemedewerker of in een hoorzitting.

Ook verzoek ik u hierbij om de gevolgen in de vorm van navorderingsaanslagen en -heffingen van de huidige beslissing op te schorten totdat u een beslissing op mijn bezwaarschrift hebt genomen.

1.8.

Op 14 augustus 2018 heeft verweerder aan eiser een e-mail verstuurd. De inhoud van deze e-mail is – voor zover hier van belang – als volgt:

Onderwerp: afspraak hoorzitting bezwaar IH en OB

Geachte heer [naam eiser] ,

In uw brief van 15 juli 2018 maakt u bezwaar tegen de beslissingen in het controlerapport. Deze brief is aangemerkt als een bezwaar tegen de (navorderings)aanslagen inkomstenbelasting/ premieheffing/ inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet 2012 tot en met 2016 en de naheffingsaanslag omzetbelasting 010113-311216.

In de brief geeft u aan dat u graag een afspraak wilt maken voor een hoorgesprek. Helaas heeft u in die brief geen telefoonnummer opgegeven en kan ik deze ook niet achterhalen. Daarom nu per mail een reactie.

De nu beschikbare data voor een hoorgesprek hier op kantoor met mij en met mijn collega van de omzetbelasting, de heer [naam mederwerker van verweerder] , zijn:

dinsdag 21 augustus

donderdag 23 augustus ‘s middags

maandag 27 augustus

Zou u zo spoedig mogelijk kunnen aangeven welke van de bovengenoemde data u het beste uitkomt en op welk tijdstip? Kunt u het ook aangeven indien er iemand met u meekomt?

1.9.

Eiser heeft in de onderhavige jaren een rittenregistratie bijgehouden. De Excel-bestanden waarin deze rittenregistratie was vastgelegd, bleken bij het boekenonderzoek (zie 1.5.) corrupt (in digitale zin beschadigd). De bestanden waren vrijwel in hun geheel niet meer als rittenadministratie leesbaar. Eiser heeft met behulp van (het nog leesbare deel van) de corrupte bestanden, zijn urenregistratie, zijn agenda, zijn facturen en een routeplanner de rittenregistratie gereconstrueerd (hierna: de eerste herstelde rittenregistratie). De eerste herstelde rittenregistratie is tijdens het boekenonderzoek overgelegd aan de controlemedewerker. Deze versie is opgenomen als bijlage 23 bij het verweerschrift.

1.10.

De eerste herstelde rittenregistratie bleek niet sluitend. Er zijn verschillen geconstateerd met de kilometerstanden volgens de FIOD infodesk (zie 1.6., onderdeel 4.1 van het rapport van het boekenonderzoek).

1.11.

Naar aanleiding van de geconstateerde verschillen met de kilometerstanden volgens de FIOD infodesk heeft eiser in de bezwaarfase een aantal onjuistheden in de eerste herstelde rittenregistratie gehaald. Deze verbeterde versie van de rittenregistratie (hierna: de tweede herstelde rittenregistratie) is in de vorm van bijlagen bij de nadere stukken van eiser van 31 juli 2020 en 6 augustus 2020 ingebracht.

1.12.

Uit de tweede herstelde rittenregistratie volgt het volgende privégebruik van de auto:

Jaar

Aantal privé-kilometers

2012

494

2013

481

2014

483

2015

428

2016

432

Vooraf: ontvankelijkheid van de bezwaren

2. De rechtbank heeft bij brief van 14 mei 2020 aan partijen een voorlopig oordeel gegeven over de ontvankelijkheid van de bezwaren. Het voorlopig oordeel is opgenomen in het dossier.

3. Ter zitting heeft de rechtbank aan partijen meegedeeld dat verweerder de bezwaren volgens de rechtbank terecht ontvankelijk heeft geacht. De rechtbank denkt daar nu nog net zo over en overweegt daartoe als volgt.

4. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de beslissingen in het controlerapport (zie 1.7.). Tegen beslissingen in een controlerapport staat – gelet op het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in het belastingrecht – geen bezwaar open. Eiser heeft verweerder echter wel in zijn brief verzocht om de gevolgen in de vorm van aanslagen op te schorten (zie de slotzin). Omdat de navorderingsaanslagen over het jaar 2012 ten tijde van het indienen van het bezwaar al opgelegd waren, acht de rechtbank die zin voldoende om de brief van eiser aan te merken als bezwaarschrift tegen de navorderingsaanslagen IB/PVV en ZVW over 2012. Omdat de belastingaanslagen over de latere jaren toen nog niet opgelegd waren, geldt dit niet voor die belastingaanslagen.

5. De rechtbank heeft de e-mail van verweerder van 14 augustus 2018 (zie 1.8.) onder de loep genomen. Verweerder schrijft daarin dat eisers brief van 15 juli 2018 als bezwaar tegen de belastingaanslagen 2012 tot en met 2016 wordt opgevat. Omdat op 14 augustus 2018 de bezwaartermijn ten aanzien van de navorderingsaanslagen over de jaren 2013 tot en met 2015 al liep, is deze mededeling van verweerder naar het oordeel van de rechtbank voldoende om een eventuele latere termijnoverschrijding bij het indienen van bezwaar ten aanzien van die jaren verschoonbaar te achten.

6. Vervolgens vindt op 27 augustus 2018 een hoorzitting plaats. Het is dan duidelijk dat eiser bezwaar maakt tegen alle in geschil zijnde jaren. Als verweerder van oordeel was dat eiser niet rechtsgeldig in bezwaar was gekomen, had verweerder op dat moment strikt genomen tegen eiser moeten zeggen dat mondeling bezwaar indienen niet mogelijk is. Voor dat vormverzuim had hij dan een herstelmogelijkheid moeten bieden. Zelf als het hoorgesprek niet als mondeling bezwaar aangemerkt zou worden, dan is er nog een e-mail van eiser van 18 september 2018 (Bijlage 16 bij het verweerschrift) waaruit blijkt dat eiser bezwaar maakt tegen alle jaren. Die e-mail zou dan in ieder geval als bezwaar moeten gelden. Op dat moment was de aanslag voor het jaar 2016 al opgelegd en liep de bezwaartermijn ter zake van die aanslag nog. Ook hier geldt dat verweerder voor een eventueel vormverzuim geen herstelmogelijkheid heeft geboden. .

7. De slotsom is dat alle bezwaren,. linksom of rechtsom, ontvankelijk zijn.

Geschil

8. In geschil is of verweerder de (navorderings)aanslagen terecht en tot de juiste bedragen heeft opgelegd. Het geschil spitst zich toe op de vraag of eiser heeft doen blijken dat de auto (de Peugeot 3008, zie 1.3.) per jaar voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden is gebruikt.

9. Daarnaast is in geschil of verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, heeft geschonden.

10. Eisers beroepsgrond ten aanzien van de tijdigheid van de aanslagen over de jaren 2012 en 2013 is ter zitting besproken. De gemachtigde van eiser heeft daarbij aangegeven deze beroepsgrond ten aanzien van 2013 in te trekken. Ten aanzien van 2012 heeft de gemachtigde van eiser op de zitting gezegd de rechtbank later te informeren, voor het geval deze beroepsgrond voor dat jaar wél gehandhaafd zou worden. Nu de rechtbank geen nader bericht heeft ontvangen van de gemachtigde van eiser, beschouwt de rechtbank deze beroepsgrond ook ten aanzien van 2012 als ingetrokken.

Standpunten van partijen

11. Eiser stelt dat de (navorderings)aanslagen ten onrechte opgelegd zijn. Volgens eiser is de tweede herstelde rittenregistratie sluitend en blijkt daaruit dat de auto voor niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden is gebruikt. Eiser stelt sinds 2009 een rittenregistratie bij te houden in Excel-bestanden. Dagelijks hield hij op een kladpapiertje de kilometerstanden van de auto bij. Die voerde hij dan éénmaal per week, tegelijk met het opstellen van zijn facturen, in een Excel-bestand in. Daarbij werd de begin- en eindstand per dag geregistreerd. De ritafstand enkele reis werd berekend door het totaal aantal kilometers te delen door twee. Het Excel-bestand bevatte per maand een apart tabblad en een tabblad voor de totaaltelling van het betreffende jaar. De kilometerstanden werden per maand gekoppeld. De rittenregistratie is nooit gecontroleerd door zijn boekhouder. Ten tijde van het boekenonderzoek bleek dat er in de corrupte bestanden verschuivingen hadden plaatsgevonden waardoor een deel van de gegevens verloren was gegaan. De kilometerstanden klopten daardoor ook niet meer op de dag nauwkeurig.

12. Verweerder stelt dat er geen sprake is van een sluitende en dagelijks bijgehouden rittenregistratie. De door eiser achteraf (bij twee gelegenheden) herstelde rittenregistratie is niet controleerbaar en bevat een aantal aantoonbare gebreken. Voor wat betreft de gebreken wijst verweerder op de afstanden die per rit vermeld zijn. Van een aantal veel voorkomende ritten heeft verweerder met behulp van verschillende routeplanners de afstand berekend. Uit die berekeningen volgt volgens verweerder dat de geregistreerde kilometerstanden niet juist kunnen zijn. Uit het feit dat in de verschillende versies van de rittenregistratie doortelfouten zitten, volgt dat eiser niet dagelijks de begin- en eindstanden van de kilometerteller heeft genoteerd. Dan hadden deze doortelfouten veel eerder aan het licht moeten komen. De kilometerstanden in de tweede herstelde versie zijn niet ontleend aan daadwerkelijk geregistreerde kilometerstanden. In zijn bewijsnood is eiser naar de FIOD-kilometerstanden toe gaan rekenen. Verweerder wijst verder op inconsistenties tussen de twee versies van de herstelde rittenregistratie. Het aantal kilometers per rit verschilt soms tussen de versies. Dat strookt niet met de eerdere verklaring van eiser dat die gegevens nog uit de originele bestanden gehaald konden worden. Ook staan er in de twee versies soms verschillende (andere) ritten vermeld, zodat zonder primaire bescheiden niet te controleren is of de ritten in de tweede herstelde rittenregistratie juist zijn.

13. In de controle- en bezwaarfase is herhaaldelijk gesproken over de andere auto’s die eisers gezin in privé ter beschikking stonden, en de vraag of eisers gezinsleden mogelijk gebruik hadden gemaakt van de zakelijke auto. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat dit punt uitdrukkelijk geen rol meer speelt in de beroepsfase. Dat betekent dat de rechtbank bij de beoordeling van het geschil ervan uitgaat dat de gezinsleden van eiser geen gebruik hebben gemaakt van de zakelijke auto.

Juridisch kader

14. Op grond van artikel 3.20 van de Wet IB 2001 (tekst 2012 tot en met 2016) wordt op jaarbasis een percentage van de waarde van de auto als voordeel (onttrekking) in aanmerking genomen indien de auto aan de belastingplichtige ook voor privédoeleinden ter beschikking staat. De auto wordt geacht ook voor privédoeleinden ter beschikking te staan, tenzij blijkt dat dat auto daarvoor op jaarbasis niet meer dan 500 kilometer wordt gebruikt. Als uit een rittenregistratie of anderszins blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt, wordt het voordeel op nihil gesteld. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels gesteld worden waaraan een rittenregistratie moet voldoen.

15. In artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (tekst 2012 tot en met 2016) is bepaald dat – voor zover hier van belang – de rittenregistratie per rit ten minste de volgende gegevens bevat:

  • -

    datum;

  • -

    beginstand en eindstand van de kilometerteller;

  • -

    beginadres en eindadres;

  • -

    de gereden route indien deze afwijkt van de meest gebruikelijke;

  • -

    het karakter van de rit.

Bewijsobject en bewijsaanbod

16. Gelet op het hiervoor weergegeven juridisch kader (zie 14. en 15.) is het bijhouden van een rittenregistratie (die voldoet aan de gestelde vereisten) de gemakkelijkste manier om te voldoen aan de bewijslast om te doen blijken dat een zakelijke auto voor niet meer dan 500 kilometer per jaar voor privédoeleinden wordt gebruikt. Een rittenregistratie is echter niet de enige mogelijkheid om aan die bewijslast te voldoen. Sterker nog, zelfs alleen de eigen verklaring van de belastingplichtige kan genoeg zijn: het gaat erom hoeveel gewicht die verklaring in de schaal legt. Bij dit alles is van belang dat het bewijsobject niet het precieze aantal gereden (privé)kilometers betreft. Het bewijsobject is het niet overschrijden van de grens van 500 privékilometers per kalenderjaar. Anders gezegd: eiser hoeft niet tot achter de komma te bewijzen hoeveel kilometers hij privé heeft gereden, maar alleen dat het er niet meer dan 500 zijn geweest. Verder overweegt de rechtbank dat eiser in de brief van 2 november 2020 aan de rechtbank heeft gerefereerd aan het bewijsaanbod dat hij heeft gedaan. De rechtbank wijst eiser erop dat het in fiscale zaken aan partijen is om hun procespositie in te vullen met de bewijsmiddelen die zij noodzakelijk achten. De rechter moet hen de gelegenheid daartoe geven, maar hoeft in dat kader geen prognose te geven van de uitkomst van de procedure of anderszins vooraf duidelijk te maken of nader bewijs zinvol zou (kunnen) zijn. De rechtbank beoordeelt deze zaken daarom aan de hand van het bewijs zoals dat er ligt.

Beoordeling

17. De rechtbank overweegt dat tussen partijen niet in geschil is dat de auto aan eiser ook in privé ter beschikking heeft gestaan. Gelet daarop wordt alleen dan geen voordeel in aanmerking genomen indien blijkt dat de auto op kalenderjaarbasis voor niet meer dan 500 kilometer voor privédoeleinden wordt gebruikt.

18. De rechtbank stelt voorop dat uit de wettelijke regeling (het gebruik van het woord 'blijkt') volgt dat op eiser in deze een verzwaarde bewijslast rust. Meer precies gaat het om de bewijsgradatie, dus de mate waarin het bewijs dat eiser heeft, overtuigingskracht heeft. Eiser kan niet, zoals elders in het fiscale recht gebruikelijk is, volstaan met aannemelijk te maken dat er per jaar voor niet meer dan 500 kilometer privé met de auto gereden is, maar dient dat te doen blijken. Bij aannemelijk maken gaat het erom dat de lezing van eiser het meest waarschijnlijke scenario is. Dat laat dus duidelijk ruimte voor andere, in principe ook denkbare scenario’s. Bij doen blijken moet de lezing van eiser echter buiten redelijke twijfel staan. Eiser moet overtuigend aantonen dat het in wezen niet anders kan dan dat zijn verhaal klopt. Dat betekent voor deze zaken dat zodra de rechtbank in redelijkheid twijfelt aan de lezing van eiser, hij niet slaagt in zijn bewijslast.

19. Eiser heeft de volgende bewijsmiddelen ingebracht:

  • -

    de eerste herstelde rittenregistratie;

  • -

    de tweede herstelde rittenregistratie;

  • -

    zijn verklaringen in de stukken en ter zitting en

  • -

    diverse primaire bescheiden als bijlage opgenomen bij zijn nadere stuk van 31 juli 2020.

Bij de hierna volgende beoordeling weegt de rechtbank deze bewijsmiddelen steeds gezamenlijk.

20. De rechtbank is van oordeel dat de opzet van de rittenregistratie van eiser op zichzelf geen slechte weergave is van het gebruik van de auto. De registratie van eiser bevat echter geen exacte adressen, zodat van een rittenregistratie als bedoeld in artikel 9 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 reeds om die reden geen sprake is. De rechtbank gelooft wel dat eiser zijn best gedaan heeft om de rittenregistratie zo nauwkeurig als mogelijk te herstellen. Het achteraf herstellen heeft echter tot gevolg gehad dat er problemen zijn ontstaan in de rittenregistratie. Zo zijn er (nog steeds) aansluitverschillen en wordt voor veel ritten telkens exact hetzelfde aantal gehele kilometers weergegeven. Deze punten zijn op de zitting besproken. Uit de manier waarop eiser zijn rittenregistratie heeft opgezet, leidt de rechtbank af dat eiser zich wel altijd bewust geweest is van de noodzaak om zijn ritten goed bij te houden. De rechtbank moet echter beoordelen of eiser met hetgeen hij als bewijs heeft aangevoerd, slaagt in de op hem rustende zware bewijslast zoals hiervoor uiteengezet (zie 18.). Omdat de grens van 500 kilometer privégebruik in dit geval per kalenderjaar geldt zal de rechtbank hierna per jaar afzonderlijk beoordelen of eiser overtuigend heeft aangetoond dat met de auto niet meer dan 500 kilometer privé gereden is.

Beoordeling 2012

21. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet overtuigend aantoont dat hij in 2012 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

22. Hoewel eiser in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie heeft verklaard en opgelost, overtuigt eiser met de tweede herstelde rittenregistratie de rechtbank niet van zijn standpunt dat hij niet meer dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden. Uit de tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2012 in ieder geval 494 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een hele kleine marge, namelijk 6 kilometer, tot aan de grens van 500 kilometer.

23. Het grote verschil tussen de eerste herstelde rittenregistratie en de FIOD-gegevens over 2012 heeft eiser naar het oordeel van de rechtbank afdoende verklaard. De verklaring over de formulefout in eerdere jaren, waardoor de beginkilometerstand per 1 januari 2012 onjuist was, acht de rechtbank geloofwaardig. Dit verschil is niet meer aanwezig in de tweede herstelde rittenregistratie. De rechtbank ziet echter in de tweede herstelde rittenregistratie bij 28 april 2012 als eindstand 96.546 kilometer staan. Vervolgens zijn er geen registraties bij 29 april 2012 en 30 april 2012. De beginstand op 1 mei 2012 is vervolgens 96.578. Dat is 32 kilometer meer dan de eindstand van 29 april 2012. Voor deze 32 kilometer biedt de rittenregistratie geen verklaring. Ook eiser heeft de twijfel hierover niet kunnen wegnemen door een sluitende verklaring te geven. Gelet daarop, en gelet op de kleine marge van 6 kilometer, toont eiser met de rittenregistratie niet overtuigend aan dat hij in 2012 minder dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden met de auto.

Beoordeling 2013

24. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet overtuigend aantoont dat hij in 2013 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

25. Hoewel eiser in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie heeft verklaard en opgelost, overtuigt eiser met de tweede herstelde rittenregistratie de rechtbank niet van zijn standpunt dat hij niet meer dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden. Uit eisers tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2013 in ieder geval 481 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een hele kleine marge, namelijk 19 kilometer, tot aan de grens van 500 kilometer.

26. De rechtbank ziet in de tweede herstelde rittenregistratie dat tussen 31 januari 2013 en 1 februari 2013, en tussen 30 maart 2013 en 2 april 2013 de kilometerstanden exact 1.000 kilometer verspringen. Tussen 29 april 2013 en 1 mei 2013 zit vervolgens een verspringing tussen de kilometerstanden van 510 kilometer. De beginstand van de volgende maand is steeds hoger dan de eindstand van de eerdere maand. Voor deze in totaal 2.510 kilometer biedt de rittenregistratie geen verklaring. Ter zitting zijn de eerste twee gebreken besproken. Eiser heeft geen verklaring kunnen geven voor deze verschillen. Gelet daarop toont eiser met de rittenregistratie niet overtuigend aan dat hij in 2013 minder dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto.

Beoordeling 2014

27. De rechtbank is van oordeel dat eiser wel overtuigend aantoont dat hij in 2014 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

28. Eiser heeft in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie verklaard en opgelost. Uit de tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2014 in ieder geval 483 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een hele kleine marge, namelijk 17 kilometer, tot de grens van 500 kilometer.

29. De rechtbank ziet dan in de tweede herstelde rittenregistratie wel een aantal opvallende zaken. Zo lijkt de kilometerstand vanaf de eindstand op 19 april 2014 van 186.188 kilometer terug te lopen naar 186.172 kilometer op 22 april 2014. Die stand is gelijk aan de beginstand van 19 april 2014. Verder hebben de dagen 25 april 2014 en 28 april 2014 dezelfde begin- en eindstanden, terwijl er wel op beide dagen een rit staat geregistreerd. Soortgelijke aansluitverschillen doen zich nog een aantal maal voor in 2014. Deze gebreken acht de rechtbank echter niet per se fataal. Bij het achteraf herstellen van een rittenregistratie ligt het immers voor de hand dat er hier en daar typefouten of rekenfouten zitten. De genoemde ongerijmdheden passen naar het oordeel van de rechtbank bij dit soort fouten. Het is nu eenmaal niet meer mogelijk om op de betreffende dag de theoretische stand volgens de rittenregistratie te vergelijken met de werkelijke stand volgens de kilometerteller van de auto. De rechtbank merkt hierbij op, dat het veelal gaat om fouten die als effect hebben dat het aantal verantwoorde zakelijke kilometers lager is dan uit de ingevoerde ritten zou volgen. Als twee zakelijke ritten die wel echt beide gemaakt zijn, beginnen met dezelfde beginstand, valt er immers effectief eentje weg in de telling van het totaal aantal zakelijke kilometers. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de ingevoerde zakelijke ritten als zodanig. In zoverre acht de rechtbank de verklaringen van eiser, in combinatie met het steunbewijs, overtuigend. Verder is van belang dat in de rittenregistratie 2014 geen 'harde' fouten zitten waar geen verklaring voor is (zoals die wel in de jaren 2012 en 2013 voorkomen). De rechtbank vindt de tweede herstelde rittenregistratie met de verklaringen van eiser en de onderliggende stukken van voldoende gewicht voor de conclusie dat eiser doet blijken dat hij in 2014 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto.

Beoordeling 2015

30. De rechtbank is van oordeel dat eiser wel overtuigend aantoont dat hij in 2015 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

31. Eiser heeft in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie verklaard en opgelost. Uit de tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2015 in ieder geval 428 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een relatief kleine marge, namelijk 72 kilometer, tot aan de grens van 500 kilometer.

32. De rechtbank ziet dan in de tweede herstelde rittenregistratie wel een aantal opvallende zaken. Tussen de eindkilometerstand op 13 april 2015 en de beginkilometerstand op 14 april 2015 zit 1 kilometer verschil. Datzelfde doet zich voor van 24 april 2015 op 25 april 2015. Verder ziet de rechtbank dat op 1 mei 2015 een enkele reis naar Leek geregistreerd staat, maar geen rit terug naar [woonplaats eiser] . De volgende rit (op 4 mei 2015) vangt volgens de registratie echter wel aan in [woonplaats eiser] (en is dus vice versa). Verder staan in 2015 überhaupt veel ritten naar [naam opdrachtgever] in Leek geregistreerd. Die ritten zijn steevast geregistreerd op basis van 54 kilometer enkele reis. Op 29 en 30 juni 2015 is de afstand enkele reis echter 58 kilometer, zonder dat daar een verklaring voor opgenomen is. Op 7 mei 2015 staat vermeld “APK-keuring auto”. Ook staat er dat er die dag een rit naar en terug van [naam opdrachtgever] in Leek geregistreerd. Eiser heeft maar 8 kilometer verantwoord die dag. Op 26 mei 2015 staat, naast een rit heen en terug naar Leek (108 kilometer totaal) nog eens 8 kilometer wegens "Onderhoud auto bij [naam garagebedrijf] ". Uit het door eiser overgelegde APK-keuringsrapport volgt dat de auto op 7 mei 2015 gekeurd is bij [naam garagebedrijf] , een garagebedrijf in [woonplaats eiser] , gelegen op circa 5 autokilometers afstand van eisers woonadres, en dat de afmelding aan het RDW om 16:03 heeft plaatsgevonden. Eiser heeft zelf ter zitting verklaard dat hij op de dag van de APK normaal gesproken zijn auto bij het garagebedrijf achterlaat en dan vervangend vervoer meekrijgt. Dat zou dus kunnen verklaren waarom op de dag van de APK-keuring slechts 8 kilometers geregistreerd staan. De vermelding van de rit naar Leek is dan op zichzelf wel terecht, maar heeft met een andere auto plaatsgevonden (het vervangend vervoer) en er staan dus terecht geen kilometers geregistreerd in de rittenregistratie. Uiteraard is het wel verwarrend dat er op 26 mei 2015 opnieuw een rit van en naar [naam garagebedrijf] staat vermeld.

33. De marge die eiser in dit jaar heeft is echter wat groter, namelijk 72 kilometer. De belangrijkste gebreken zijn een keer een enkel reis en geen aparte rit voor de APK. De rechtbank vindt dat deze gebreken passen bij een reconstructie achteraf. De rechtbank merkt op, dat het wat betreft de enkele reis gaat om een fout die als effect heeft dat het aantal verantwoorde zakelijke kilometers lager is dan uit de heen en terugreis zou volgen (zie ook hiervoor onder 29.). Voorts is de marge nog voldoende om de overige, relatief geringe fouten 'op te vangen', zodanig dat daardoor de grens van 500 kilometer niet overschreden wordt. Een eventuele dubbele rit van en naar [naam garagebedrijf] en een paar keer 4 kilometers te veel enkele reis naar [naam opdrachtgever] zijn niet fataal.

34. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser doet blijken dat hij in 2015 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto.

Beoordeling 2016

35. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet overtuigend aantoont dat hij in 2016 niet meer dan 500 kilometer privé heeft gereden met de auto. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

36. Hoewel eiser in de tweede herstelde rittenregistratie een aantal van de gebreken in de eerste herstelde rittenregistratie heeft verklaard en opgelost, overtuigt eiser met de tweede herstelde rittenregistratie de rechtbank niet van zijn standpunt dat hij niet meer dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden. Uit eisers tweede herstelde rittenregistratie volgt dat eiser in 2016 in ieder geval 432 kilometer privé heeft gereden met de auto. Er zit dan nog maar een relatief kleine marge, namelijk 68 kilometer, tot aan de grens van 500 kilometer.

37. De rechtbank ziet dan in de tweede herstelde rittenregistratie dat met name de maand november een aantal ernstige onvolkomenheden bevat. Op 7 november 2016 is een rit naar Amsterdam en weer terug naar [woonplaats eiser] geregistreerd (138 kilometer enkele reis). De volgende rit op 8 november 2016 vangt echter aan in Amsterdam. De rit terug naar [woonplaats eiser] wordt pas op 11 november 2016 geregistreerd. In de opvolgende weken doet dit zich hetzelfde nog een aantal maal voor. Hieruit leidt de rechtbank af dat de rit van Amsterdam terug naar [woonplaats eiser] een aantal maal ten onrechte geregistreerd is. Eiser is die week in Amsterdam gebleven om daar te werken. Het gaat dan om een aantal keer 138 kilometer die ten onrechte als zakelijk is geregistreerd. Gelet op deze gebreken, en de marge van 68 kilometer, toont eiser met de rittenregistratie niet overtuigend aan dat hij minder dan 500 kilometer per jaar privé heeft gereden met de auto.

Schending algemene beginselen van behoorlijk bestuur

38. Eiser heeft zijn stelling dat verweerder de algemene beginselen van behoorlijk bestuur heeft geschonden, niet nader onderbouwd. De rechtbank ziet in het dossier, de gang van zaken rondom de controle en de bezwaarbehandeling geen aanleiding om te oordelen dat verweerder enig beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden.

Conclusie

39. De beroepen in zaaknummers LEE 19/705, LEE 19/706, LEE 19/707 en LEE 19/712 zijn ongegrond.

40. De beroepen in zaaknummers LEE 19/708, LEE 19/709 en LEE 19/710 zijn gegrond. De rechtbank vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV voor de jaren 2014 en 2015 en de navorderingsaanslag ZVW voor het jaar 2014.

Belastingrente

41. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Proceskosten en griffierecht

42. Omdat de rechtbank het beroep in zaken LEE 19/708, LEE 19/709 en LEE 19/710 gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiser het door hem in die zaken betaalde griffierecht vergoedt. Dat betreft € 47 in zaaknummer LEE 19/708 en € 47 LEE 19/710.

43. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Zoals ter zitting met partijen besproken, zullen deze worden vastgesteld op € 1.050. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht bestaat voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand recht op 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525, waarbij als wegingsfactor 1 geldt omdat er sprake is van 3 gegronde beroepen (en niet van 4 of meer).

Beslissing

LEE 19/705, LEE 19/706, LEE 19/707, LEE 19/712

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

LEE 19/708, LEE 19/709, LEE 19/710

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- vernietigt de navorderingsaanslagen IB/PVV 2014, ZVW 2014 en IB/PVV 2015;

- vernietigt de bijbehorende beschikkingen belastingrente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van totaal € 94 (2 x € 47) aan eiser te vergoeden en

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.050.

Deze uitspraak is op 17 december 2020 gedaan door mr. A. Heidekamp, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier w.g. rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem- [woonplaats eiser] .