Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4485

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-12-2020
Datum publicatie
17-12-2020
Zaaknummer
18/730162-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeeld voor 9 feiten waaronder zware mishandeling, bedreiging, diefstal.

Er is sprake van recidive. Adolescentenstrafrecht van toepassing. Oplegging PIJ-maatregel.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 77c
Wetboek van Strafrecht 77s
Wetboek van Strafrecht 266
Wetboek van Strafrecht 267
Wetboek van Strafrecht 285
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Wetboek van Strafrecht 310
Wetboek van Strafrecht 317
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/730162-19

ter terechtzitting gevoegde parketnummers 18/730116-19, 18/172221-20, 18/066984-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/082121-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 11 december 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 27 november 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P.R. Logemann, advocaat te Harlingen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. Janssens.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18/730162-19

1.

hij op of omstreeks 28 juli 2019 te Franeker, in elk geval in de gemeente Waadhoeke, op het treinstation aldaar, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten onder meer een gebroken knieschijf, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] (met kracht) vanaf het perron op de spoorbaan te gooien/duwen, waardoor die [slachtoffer 1] op de spoorbaan ten val is gekomen en voornoemd letsel heeft bekomen;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 28 juli 2019 te Franeker, in elk geval in de gemeente Waadhoeke, op het treinstation aldaar, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door die [slachtoffer 1] (met kracht) vanaf het perron op de spoorbaan te gooien/duwen, waardoor die [slachtoffer 1] op de spoorbaan ten val is gekomen, terwijl het feit zwaar lichamelijk letsel, te weten onder meer een gebroken knieschijf, voor die [slachtoffer 1] ten gevolge heeft gehad;

2.

hij op of omstreeks 28 juli 2019 te Franeker, in elk geval in de gemeente Waadhoeke, (op het treinstation aldaar) [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door toen aldaar - een (Wodka)fles kapot te slaan en/of (vervolgens) - een afgebroken deel van die (Wodka)fles voor zijn lichaam te houden en/of (vervolgens) - (daarbij) die [slachtoffer 1] meermalen, althans eenmaal, dreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga je steken.", althans (telkens) woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

3.

hij op of omstreeks 13 juli 2019 te Formerum, in elk geval in de gemeente Terschelling, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend (in het bijzijn van die [slachtoffer 2] ) - een (bier)fles kapot te slaan en/of (vervolgens) - met een gebroken deel van die (bier)fles achter die [slachtoffer 2] te gaan en/of blijven staan en/of (vervolgens) - dat gebroken deel van die (bier)fles tegen de rug, in elk geval het lichaam, van die [slachtoffer 2] te duwen/drukken en/of (daarbij) - die [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen: "Je moet niet kankerstoer doen en je moet sorry zeggen." en/of "Ik kan je hier nu gewoon kanker dood steken als ik dat wil.", althans (telkens) wooren van gelijke ((be)dreigende) aard en/of strekking;

Parketnummer 18/730116-19

1.

hij op of omstreeks 26 mei 2019 te Leeuwarden tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van van geld (350 euro), in elk geval van enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader, althans alleen,

- ( in de woning van die [slachtoffer 3] ) een telefoontoestel van die [slachtoffer 3]

heeft gepakt en/of dat/een telefoontoestel van die [slachtoffer 3] naar zijn

mededader heeft gegooid en/of aan zijn mededader heeft gegeven en/of

(vervolgens) dat telefoontoestel onder zich hebben/heeft gehouden en/of

(toen die [slachtoffer 3] trachtte dat telefoontoestel terug te pakken)

- die [slachtoffer 3] bij zijn arm heeft vastgepakt en/of (vervolgens) op het

lichaam van die [slachtoffer 3] is gaan leunen, (mede) waardoor die [slachtoffer 3]

ten val is gekomen en/of

- die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of een of

meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft gestompt en/of geslagen en/of

- die [slachtoffer 3] de woorden toegevoegd: "je moet 350 euro betalen om je

telefoon terug te krijgen.", althans woorden van gelijke aard en/of

strekking, en/of (vervolgens) (zodoende)

- die [slachtoffer 3] gedwongen 350 euro te pinnen en dat gepinde geld vervolgens

aan verdachte en/of zijn mededader af te geven (waarna die [slachtoffer 3] zijn

telefoontoestel terug kreeg);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 26 mei 2019 te Leeuwarden, in/uit een woning gelegen aan of bij het [straatnaam] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een telefoontoestel, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 3] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer 3] , gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of

gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat verdachte tezamen en in vereniging met zijn mededader, althans alleen,

- die [slachtoffer 3] bij zijn arm heeft vastgepakt en/of (vervolgens) op het

lichaam van die [slachtoffer 3] is gaan leunen, (mede) waardoor die [slachtoffer 3]

ten val is gekomen en/of

- die [slachtoffer 3] meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of een of

meer ander(e) de(e)l(en) van het lichaam heeft gestompt en/of geslagen;

2.

hij op of omstreeks 18 april 2019 te Leeuwarden (uit een woning/kamer gelegen aan het [straatnaam] ) een waterkoker en/of een föhn en/of een poster en/of een computer (van het merk Corsair) en/of een toetsenbord, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft en/of dat/die weg te nemen voornoemde goed(eren) onder zijn bereik heeft gebracht al dan niet door middel van braak en/of verbreking;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode 18 april 2019 tot en met 31 mei 2019, in elk geval in het jaar 2019, te Leeuwarden, in elk geval in Nederland, opzettelijk een computer (van het merk Corsair) en/of een toetsenbord, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 4] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en welk goed verdachte anders dan door misdrijf onder zich had, te weten als onderpand (voor een of meer weggenomen trui(en)), wederrechtelijk zich heeft toegeëigend;

Parketnummer 18/172221-20

hij op of omstreeks 24 maart 2020 te Sneek, gemeente Súdwest-Fryslân opzettelijk en wederrechtelijk een of meer (inpandige) deuren (van een appartement aan of bij [straatnaam] aldaar), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan het Leger des Heils en/of [bedrijf 1] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt;

Parketnummer 18/066984-20

1.

hij op of omstreeks 28 februari 2020 te Leeuwarden [slachtoffer 5] (als BOA/handhaver in dienst bij de gemeente Leeuwarden) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door hem mondeling toe te voegen: "Pas op want ik pak jullie en ik maak jullie af", althans woorden van gelijke aard en/of strekking;

2.

hij op of omstreeks 27 januari 2020 te Leeuwarden [slachtoffer 6] heeft mishandeld door hem tegen de kaak / tegen het hoofd te stompen/slaan;

3.

hij op of omstreeks 4 februari 2020 te Leeuwarden, opzettelijk een of meer valse of vervalste bankbiljetten van EUR 50 heeft uitgegeven;

4.

hij op of omstreeks 28 februari 2020 te Leeuwarden opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (als BOA/handhaver in dienst bij de gemeente Leeuwarden), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Flikkers", althans woorden van gelijke beledigende aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de volgende feiten:

- in de zaak met parketnummer 18/730162-19: feit 1 primair, feit 2 en feit 3;

- in de zaak met parketnummer 18/730116-19: feit 1 primair en feit 2 primair;

- in de zaak met parketnummer 18/172221-20: feit 1;

- in de zaak met parketnummer 18/066984-20: feit 1, feit 2, feit 3, feit 4.

Standpunt van de verdediging

in de zaak met parketnummer 18/730162-19

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van alle drie ten laste gelegde feiten. Daartoe heeft hij ten aanzien van feit 1 aangevoerd dat verdachte geen opzet had op het toebrengen van letsel aan [slachtoffer 1] . Dat [slachtoffer 1] op het perron is gevallen is te wijten aan het feit dat hij over zijn eigen fiets struikelde. Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman betoogd dat er geen wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd met een stukgeslagen fles. De getuigen [getuigen] hebben niets over de bedreiging verklaard. Het enige dat de verklaring van aangever ondersteunt is de kapotte fles. Dat is onvoldoende, aldus de raadsman. Ten aanzien van feit 3 heeft de raadsman betoogd dat de twee getuigen er belang bij hebben negatief te verklaren over verdachte. Zij zijn bovendien vrienden van elkaar. Niet kan worden uitgesloten dat zij hun verklaring op elkaar hebben afgestemd. Bovendien verklaren de getuigen inconsistent: de een spreekt over een groen flesje Heineken, de ander over een flesje Grolsch. Daarnaast blijkt uit de beschrijving van de camerabeelden niet of daarop de vermeende bedreiging niet te zien is vanwege het standpunt van de camera of dat de bedreiging niet te zien is omdat deze niet heeft plaatsgevonden. De beschrijving van de camerabeelden kan daarom niet voor het bewijs gebruikt worden.

in de zaak met parketnummer 18/730116-19

De raadsman heeft zich met betrekking tot feit 1 primair en feit 2 primair op het standpunt gesteld dat beide feiten wettig en overtuigd bewezen kunnen worden.

in de zaak met parketnummer 18/172221-20

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat het tenlastegelegde feit 1 wettig en overtuigend te bewijzen is.

in de zaak met parketnummer 18/066984-20

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank met betrekking tot feit 4. Hij heeft bepleit dat verdachte vrijgesproken dient te worden van feiten 1, 2 en 3. De bedreiging (feit 1) wordt door verdachte ontkend en de bedreiging is door niemand anders dan aangever gehoord. Dat is onvoldoende voor een bewezenverklaring, aldus de raadsman. Wat betreft de mishandeling (feit 2) staat volgens de raadsman onvoldoende vast dat aangever daadwerkelijk is geraakt door verdachte. De camerabeelden laten ruimte voor het scenario van verdachte dat hij weliswaar een slaande beweging heeft gemaakt maar aangever niet heeft geraakt. Ten aanzien van het uitgeven van vals geld (feit 3) heeft de raadsman betoogd dat verdachte geen weet had van de valsheid van het biljet en derhalve het opzet bij verdachte heeft ontbroken.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt met betrekking tot hetgeen aan verdachte is ten laste gelegd het volgende.

Vrijspraak opzettelijk uitgeven van vals geld

De rechtbank acht in de zaak met parketnummer 18/066984-20 feit 3 niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hierbij het volgende. Verdachte heeft een pizza betaald met een vals 50 eurobiljet. Verdachte heeft verklaard het briefje vlak voor de betaling van een vriend te hebben gekregen en niet te hebben geweten dat het vals was. Uit het proces-verbaal van bevindingen over het onderzoek naar de echtheid van het biljet blijkt dat er verschillende echtheidskenmerken op het biljet ontbreken. De rechtbank stelt vast dat het beoordelen van deze echtheidskenmerken enige inspectie van het biljet vereist. Dit wordt bevestigd door de verklaring van de pizza-koerier die het briefje in ontvangst heeft genomen, dat hij eerst ‘bij nadere inspectie’ gezien heeft dat het biljet vals was, nadat hij verdachte in eerste instantie wisselgeld had terug gegeven. Met andere woorden: op het eerste gezicht is niet meteen duidelijk dat het biljet vervalst is. Op grond van het procesdossier kan niet worden geoordeeld dat verdachte wist dat het 50 eurobiljet waarmee hij betaalde, vals was. Onder deze omstandigheden kan niet worden bewezen dat verdachte opzettelijk (in voorwaardelijke zin) vals geld heeft uitgegeven.

in de zaak met parketnummer 18/730162-19

Feit 1 primair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte opzettelijk zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht aan [slachtoffer 1] , door hem vanaf het perron op de spoorbaan te gooien. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

Aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij op het perron stond met zijn rug naar het spoor, toen hij door verdachte werd vastgepakt. Vervolgens is er een worsteling ontstaan. Aangever heeft verklaard dat hij door verdachte op het spoor werd geslingerd. Door de zware rugzak die hij op zijn rug had kon hij zich niet goed verzetten en naar eigen zeggen viel aangever als een zoutzak op het spoor, waarbij zijn linkerknie op een beugel van het spoor terecht kwam.

Verdachte ontkent aangever te hebben gegooid. Hij heeft verklaard dat hij met aangever op het perron heeft geworsteld. Op het moment dat hij aangever heeft losgelaten is aangever over zijn eigen fiets gestruikeld en daardoor op spoor terecht gekomen, zo stelt verdachte.

De rechtbank acht de verklaring van aangever geloofwaardig en betrouwbaar. De verklaring van aangever wordt namelijk ondersteund door de getuigenverklaringen van [getuige 1] en [getuige 2] . [getuige 1] heeft verklaard dat zij twee mannen, een lange man met bruin kroeshaar en een kleinere man, zag ‘dollen’ op het perron. Zij verklaart verder dat de grote man de kleine op het spoor duwde. [getuige 2] heeft verklaard dat een grote man een kleinere man met een petje op het spoor gooide, waarbij de man met zijn knie op het spoor terecht kwam.

Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat verdachte aangever [slachtoffer 1] opzettelijk op het spoor heeft gegooid.

Uit de letselverklaring volgt dat [slachtoffer 1] ten gevolge van de val op het spoor een open breuk aan zijn linkerknieschijf heeft opgelopen. Om deze breuk te verhelpen is tweemaal een operatie nodig geweest. Aangever heeft drie dagen in het ziekenhuis gelegen. Uit de brief van Heelkunde Friesland van 17 oktober 2019 die bij de vordering benadeelde partij is gevoegd, blijkt verder dat aangever 6 weken is nabehandeld in een gestrekte kniebrace. De verwachte duur van het herstel zal ongeveer 6 maanden zijn. Nu de knieschijf niet anatomisch hersteld is zal er nooit een volledig herstel plaatsvinden, zo blijkt uit de brief. Uit de brief van Fysiocentrum Enkhuizen van 21 januari 2020 die eveneens bij de vordering benadeelde partij is gevoegd, blijkt verder dat aangever naar verwachting zo’n 9-12 maanden onder behandeling van een fysiotherapeut zal zijn, voordat de knie weer hersteld is.

Gelet op de aard van het letsel, de noodzakelijkheid van de operaties, de lange duur van het herstel en de verwachting dat er waarschijnlijk geen volledig herstel zal mogelijk zal zijn, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zwaar lichamelijk letsel.

De rechtbank is verder van oordeel dat verdachte het zware lichamelijke letsel opzettelijk heeft toegebracht en overweegt daartoe als volgt.

Uit het proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 2019 blijkt dat het betreffende perron 95 centimeter hoog is. Het is een feit van algemene bekendheid dat het spoor gelegen naast een perron een onregelmatige ondergrond heeft: er liggen stalen rails, ondersteund door houten dwarsliggers, op een ondergrond van stenen of beton. Tevens is het een feit van algemene bekendheid dat een persoon die met (enige) kracht van enige hoogte wordt gegooid weinig controle heeft over de wijze waarop hij neerkomt en de wijze waarop een val kan worden gebroken. De combinatie van deze twee factoren, de onregelmatige ondergrond en het ongecontroleerde vallen, maakt dat het min of meer toevallig is hoe iemand terecht komt. Wordt een persoon onder deze omstandigheden van het perron af op het spoor gegooid dan is de kans dat iemand ongelukkig terechtkomt en daarbij zwaar lichamelijk letsel oploopt naar het oordeel van de rechtbank aanmerkelijk.

De rechtbank is tevens van oordeel dat het handelen van verdachte naar zijn uiterlijke verschijningsvorm kan worden aangemerkt als zozeer op het veroorzaken van zwaar lichamelijk letsel gericht te zijn dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van dergelijke aanwijzingen is de rechtbank niet gebleken. Het tenlastegelegde is in zoverre wettig en overtuigend bewezen.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 1] heeft bedreigd, door een Wodkafles kapot te slaan en die voor het lichaam van [slachtoffer 1] te houden en tegen hem te zeggen ‘ik steek je neer’.

Aangever heeft verklaard dat hij in de buurt van het wachthuisje bij het station door verdachte is bedreigd met een door verdachte kapot geslagen Wodkafles. Verdachte zou die fles voor zijn lichaam hebben gehouden en hebben gezegd dat hij aangever zou steken. De verklaring van aangever wordt ondersteund door het feit dat verbalisanten bij het wachthuisje een kapot geslagen Wodkafles hebben aangetroffen. Verdachte zelf heeft bovendien verklaard dat hij die dag (onder meer) een Wodkafles bij zich had. Gelet op de aangifte, de vondst van de wodkafles en de verklaring van verdachte dat hij een Wodkafles bij zich had, acht de rechtbank het ten laste gelegde feit gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Dat de getuigen [getuigen] niet hebben verklaard over het bedreigen met een (Wodka)fles doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af. Deze getuigen hebben alleen een confrontatie tussen aangever en verdachte waargenomen op een eerder moment, voordat aangever en verdachte in de richting van het wachthuisje zijn gelopen.

Feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigd bewezen dat verdachte op 13 juli 2019 te Formerum [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

Aangever [slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij samen met zijn vriend [getuige 3] voor zijn tent op de camping zat toen hij zag dat verdachte over het hek in de buurt van de tent kwam klimmen. Hij heeft verder verklaard dat verdachte een groen bierflesje pakte en dat kapot sloeg op een tafel. Vervolgens heeft verdachte het kapotgeslagen flesje tegen zijn onderrug gedrukt en hem woordelijk bedreigd. De getuige [getuige 3] heeft de verklaring van verdachte op essentiële punten bevestigd. Dat aangever en de getuige afwijkend hebben verklaard over het merk van het bierflesje acht de rechtbank van ondergeschikt belang. Ook biedt het dossier geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat aangever en de getuige hun verklaringen op elkaar hebben afgestemd of bewust verdachte in een kwaad daglicht hebben willen stellen. De rechtbank acht de verklaring van aangever en de getuige betrouwbaar en geloofwaardig. Uit het proces-verbaal van bevindingen van het uitlezen van de camerabeelden blijkt dat op de beelden niet te zien is wat zich voor de tent heeft afgespeeld. Anders dan de verdediging stelt, kan hieruit naar het oordeel van de rechtbank geenszins worden afgeleid dat er voor de tent niets zou zijn gebeurd. De beschrijving van de camerabeelden doet daarom niet af aan de verklaring van aangever en de getuige.

Daarbij komt dat het dossier geen aanknopingspunt biedt voor het scenario dat geschetst is door verdachte. Verdachte heeft verklaard dat hij met een meisje achter de camping liep toen van over de schutting twee bierflesjes naar hem werden gegooid. Vervolgens is hij poolshoogte gaan nemen en over het hek geklommen. De getuige [getuige 5] , het meisje met wie verdachte achter de camping liep, heeft echter in het geheel niets verklaard over rondvliegende bierflesjes. Verdachte ging ‘opeens de bosjes in en klom over het houten hek’, zo heeft de getuige verklaard. Mede gelet hierop acht de rechtbank de verklaring van verdachte ongeloofwaardig.

in de zaak met parketnummer 18/730116-19

Feit 1 primair

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [slachtoffer 3] .

De verdachte heeft ter zitting bekend dat hij de telefoon van [slachtoffer 3] heeft afgepakt omdat hij hem wilde dwingen om twee fietsen terug te geven. Toen [slachtoffer 3] het telefoontoestel wilde terugpakken is er een worsteling ontstaan, waarbij verdachte geweld heeft toegepast op [slachtoffer 3] , zo heeft verdachte verklaard. Hij heeft de telefoon pas willen teruggeven nadat [slachtoffer 3] 350 euro aan hem had betaald. De rechtbank is van oordeel dat verdachte het geweld en de toe-eigening van de telefoon heeft ingezet om zo aangever te dwingen hem geld te geven. Gelet op de aangifte, de verklaring van verdachte ter zitting, het bankafschrift, de inhoud van de WhatsApp berichten die vanaf de telefoon van aangever zijn verstuurd en de getuigenverklaring van de broer van aangever, acht de rechtbank het primair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Nu over de rol van de vermeende mededader niets anders is komen vast te staan dan dat deze mededader tijdens de worsteling met [slachtoffer 3] aanwezig is geweest, zal de rechtbank verdachte vrijspreken van het ten laste gelegde medeplegen. De bijdrage van mededader is onvoldoende om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van de afpersing.

in de zaak met parketnummer 18/066984-20

Feit 1

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer 5] , als BOA/handhaver in dienst bij de gemeente Leeuwarden, heeft bedreigd. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Aangever heeft verklaard dat verdachte hem tijdens een verkeerscontrole aansprak. Bij die verkeerscontrole was tevens zijn collega, getuige [getuige 4] , aanwezig. Aangever heeft verder verklaard dat verdachte hem tweemaal aansprak, de tweede keer uitte verdachte de woorden “Pas op want ik pak jullie en ik maak jullie af”. Verdachte zou hem daarbij direct hebben aangekeken. Hierop heeft aangever gericht naar verdachte geroepen dat hij was aangehouden ter zake van bedreiging.

De getuige [getuige 4] heeft in grote lijnen de gang van zaken, zoals door aangever geschetst, bevestigd. Getuige [getuige 4] heeft verklaard dat zij heeft gehoord dat verdachte haar collega [slachtoffer 5] twee keer aansprak. Zij heeft niet gehoord wat er is gezegd. Onmiddellijk volgend op de tweede keer dat verdachte haar college [slachtoffer 5] heeft aangesproken, heeft [slachtoffer 5] gezegd dat verdachte is aangehouden, zo heeft de getuige verklaard. De getuigenverklaring van [getuige 4] ondersteund in voldoende mate de aangifte van [slachtoffer 5] . Daaraan doet niet af dat zij niet heeft gehoord welke woorden verdachte tegen aangever zou hebben gezegd voorafgaand aan de aanhouding. Aangever heeft daarover eveneens gerelateerd in een op belofte opgemaakt proces-verbaal. De rechtbank acht de verklaring van aangever daarom betrouwbaar en gaat daarvan uit.

Feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigd bewezen dat verdacht [slachtoffer 6] heeft mishandeld door hem tegen de kaak te stompen.

Verdachte heeft ter zitting verklaard met zijn arm te hebben uitgehaald naar het gezicht van aangever, maar hem niet te hebben geraakt. Bij de politie heeft de verdachte verklaard dat hij aangever heeft geduwd en een slaande beweging voor het gezicht heeft gemaakt omdat hij zich bedreigd voelde door aangever.

Uit de beschrijving van de camerabeelden blijkt dat verdachte meerdere malen op aangever is afgelopen en hem met kracht heeft weggeduwd. Eenmaal komt verdachte op aangever af en maakt daarbij een slaande beweging naar zijn hoofd. De rechtbank stelt vast dat niet blijkt dat aangever agressief is geweest richting verdachte. Het is verdachte die aangever aan het uitdagen is door steeds op hem af te lopen en handgebaren te maken. Naar het oordeel van de rechtbank spreken de camerabeelden de verklaring van verdachte tegen. Gelet hierop hecht de rechtbank geen geloof aan de verklaring van verdachte dat hij aangever niet zou hebben geraakt.

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

in de zaak met parketnummer 18/730162/19

Feit 1 primair en feit 2 primair

1. De door verdachte ter zitting van 27 november 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik had op 28 juli 2019 een tas bij me met drie flessen drank, waaronder een fles Wodka. Op het perron ontstond een schermutseling tussen mij en de andere man, die later op het spoor terecht kwam.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 juli 2020, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL00100-2019197945 d.d. 7 augustus 2019, inhoudend als verklaring van aangever [slachtoffer 1] :

Op zondag 28 juli 2019 omstreeks 16.45 uur bevond ik mij in een bosje voor het station Franeker. Ik stond erachter, ik moest nodig naar toilet en stond daar te plassen. Toen ik naar het station fietste zag ik dat er een donker getinte, grote jongen, rond de 20 jaar ook naar het station liep. Ik zag dat de getinte jongen als een dolle stier op mij af kwam lopen. Hij begon mij aan te vallen. Het was wat geworstel. Ik zag dat de jongen weg liep naar een plastic tas. Deze stond in de richting van het station vlakbij het glazen wachthuis. Mijn fiets stond tegen de lantaarnpaal ook vlakbij het wachthuis. Ik liep daar heen. Ondertussen hadden wij nog wel een woordenwisseling. Wat er precies allemaal gezegd werd weet ik niet meer. Hij was zo opgefokt. Hij had een gestoorde blik in zijn ogen. Ik zag dat de getinte jongen een fles Wodka uit zijn plastic tas pakte. Er zat nog een fles Wodka in die tas. De fles Wodka die hij uit de plastic tas pakte sloeg hij stuk op straat. Ik zag dat er een heel stuk glas ( punt) uitstak. Ik zag dat hij de kapot geslagen fles voor zich hielt en hij riep :" Ik ga je steken". Dat zei hij een aantal maal. Hij stond op zo'n 10 meter afstand van mij. Ik zag dat de getinte jongen weer weg liep. Ik zag dat de getinte jongen op het perron stond. Ik zette mijn tas neer en had mijn zware rugzak (ongeveer 25 kilo) op mijn rug. Ik zag dat de getinte jongen eerst nog onder de glazen overkapping op het perron zat. Ik stond met mijn rug het spoor. Ik zag in mijn rechter ooghoek beweging en voordat ik er erg in had werd ik vastgepakt door de getinte jongen. Er ontstond een worsteling en ik hield mij vast aan het bankje. Ik kon niet veel ivm die zware rugzak. Ik had echt het idee dat hij de intentie had om mij op het spoor te gooien. Ik kon het niet meer houden en liet het bankje los. Ik dacht nog dan maar op het spoor landen zodat ik kon vluchten voor de getinte jongen. Ik voelde dat ik door de getinte jongen het spoor op werd geslingerd. Hij had mij van achteren beet en gooide mij met een zijdelingse beweging het spoor op. Ik kon door de zware rugzak met gereedschap niks doen. Ik slingerde het spoor op. Ik viel en door die rugzak klapte ik als een zoutzak op het spoor. Ik kwam met mijn linkerknie op een beugel van het spoor terecht. Ik voelde toen helemaal niks. Alle zenuwen waren door bleek later. Ik wilde opstaan maar dat lukte niet. Mijn linkerbeen onderbeen zat onder mijn linkerdijbeen. Ik merkte dat hem niet meer kon strekken.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 30 juli 2019, opgenomen op pagina 20 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 1] :

Terwijl ik op 28 juli 2019 op het perron stond, zag ik dat er twee mannen aan het dollen waren. Ik zag dat het een lange man was met bruin kroes haar en een kleinere man. Ik zag dat de lange man agressief was en hij pakte de kleine man bij de strot. Ineens liet de grote man, de kleine man los en duwde de kleine man op het spoor.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 31 juli 2019, opgenomen op pagina 27 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 2] :

Op zondag 28 juli 2019 omstreeks 16:50 uur, was ik op het NS station van Franeker. Ik stond nog bij mijn auto wat bagage om te pakken toen ik even verderop, circa 20 tot 50 meter, een ruzie hoorde tussen 2 mannen. Ik hoorde geschreeuw en geluid van iets van slaan of vechten. Ik heb toen niks gezien.

Toen ik het perron opliep zag ik een grote man met donker haar op het perron lopen. Ik ging daarna richting de incheck paal en daar zag ik een man met een petje en een fiets en een tas of rugzak ofzo. Deze man was denk rond de 35, eind 30 jaar. Toen ging die grote man de man met het petje meteen te lijf. Ik zag dat de grote man de man met het petje bij zijn nek greep. Ik hoorde hem schreeuwen. Wat hij precies zei weet ik niet. Toen gooide de grote man een Jumbo tas naar de overkant van het spoor. Ik zag vervolgens dat de grote man de man met het petje op het spoor gooide. Ik zag dat de man met het petje met zijn knie op het spoor terecht kwam.

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 2019, opgenomen op pagina 35 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisanten:

Nabij het wachthokje aldaar, aan de zijde van de weg, Anna Maria van Schurmansingel, zagen wij, verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , nog een kapotte fles wodka liggen. Deze had een wit/blauw etiket met opschrift 'Jelzin".

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 29 juli 2019, opgenomen op pagina 38 van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Ik, verbalisant, [verbalisant 3] verklaar het volgende. Het station van de plaats Franeker is gelegen aan de Anna Maria van Schurmansingel in Franeker. Het perron heeft een hoogte van 95 centimeter.

7. Een geneeskundige verklaring, op 23 januari 2020 opgemaakt en ondertekend door R.J. de Haan, traumachirurg, voor zover inhoudend, als zijn geneeskundige verklaring:

Er bleek sprake te zijn van een open breuk van de linker knieschijf. Hiervoor was een acute operatie nodig. Opname in Medisch Centrum Leeuwarden t/m 30/7. Meerdere poliklinische controles. Op 9/10/2019 werd het fixatiemateriaal uit de knieschijf verwijderd.

8. Een geschrift, op 17 oktober 2019 opgemaakt en ondertekend door A.V.E. Munzebrock, traumachirurg, namens Heelkunde Friesland, inhoudende:

De verwachte duur van het herstel van de patiënt [slachtoffer 1] zal ongeveer 6 maanden zijn. De prognose is lastig te zeggen, de knieschijf is zeker niet anatomisch hersteld en derhalve zal er nooit een volledig herstel plaatsvinden.

9. Een geschrift, op 21 januari 2020 opgemaakt en ondertekend door, S. van Berkel, fysio/- manueel therapeut, namens fysiocentrum Enkhuizen, inhoudende:

Patiënt: De heer [slachtoffer 1]

Prognose: Aangezien dhr. [slachtoffer 1] reeds 5 zittingen bij mij heeft gehad is het nog lastig om een prognose te geven over de behandelduur. Vermoedelijk ligt de behandelduur tussen 9-12 maanden voordat de knie weer hersteld. De behandelfrequentie voor nu is 1x per week. Gezien de complexiteit van de fractuur van de linker patella is het de vraag of dhr 100% zal herstellen.

Feit 3

1. De door verdachte ter zitting van 27 november 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik liep met een meisje achter de [naam camping] langs. Ik ben over het hek van de camping geklommen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 juli 2019, opgenomen op pagina 19 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019182376, d.d. 12 augustus 2019, inhoudend als verklaring van aangever [slachtoffer 2] :

Vandaag, zaterdag 13 juli 2019, zat ik omstreeks 03.30 uur bij de tent waar ik slaap. Ik zat op het bankje welke voor de tent staat. Ik zat samen met mijn vriend [getuige 3] op dat bankje. Achter ons was een houten hek. Ik keek toen om naar het hek, en ik zag dat [verdachte] het hek over kwam klimmen. Wij zeiden tegen hem dat hij weg moest gaan, want hij was immers eerder de camping afgestuurd. Ik zag dat [verdachte] een groene fles bier in zijn hand hield. Ik zag vervolgens dat hij naar onze tafel toe liep, en ik zag dat hij die fles die hij in zijn hand had op onze tafel kapot sloeg. Ik hoorde ook dat het glas uit elkaar spatte. Ik zag vervolgens dat [verdachte] achter mij kwam staan en ik voelde vervolgens dat hij liet afgebroken stuk van de fles bier in mijn rug drukte. Ik voelde dat hij de fles aan de rechterzijde op mijn onderrug drukte, ter hoogte van mijn nieren. Ik voelde dat er punten aan het glas zaten. Het deed gelukkig geen pijn, maar ik voelde mij op dat moment wel heel erg bedreigd. Ik hoorde vervolgens dat [verdachte] tegen mij zei: “Je moet niet kankerstoer doen, en jij moet nu sorry zeggen!” of woorden van gelijke strekking.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 juli 2019, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 3] :

Ik zag dat [verdachte] een groen flesje bier, leeg, van de grond opraapte. Ik zag dat direct daarop [verdachte] dat flesje met de onderzijde op de picknicktafel stuksloeg. Ik zag dat hij dat aan de onderzijde van de rug, ter hoogte van de nieren, tegen Yme zijn rug drukte. Ik zag dat hij dicht met zijn hoofd bij Yme zijn oor kwam. Ik hoorde dat die [verdachte] toen tegen Yme zei: “Ik kan je hier nu gewoon kanker dood steken als ik dat wil.” Daarna zei hij: “Dat zijn geen grapjes dat je dat naar mij gooide, ik wil dat je sorry tegen mij zegt”.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 13 juli 2019, opgenomen op pagina 24 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant:

Op zaterdag 13 juli 2019 hoorde ik verbalisant getuige [getuige 5] . Ik vroeg haar naar wat ze afgelopen nacht had gezien nabij [naam camping] . Ze verklaarde mij dat ze met een jongen genaamd [verdachte] langs de achterzijde van [naam camping] was gelopen, over het daar gelegen zandpad. Opeens ging [verdachte] de bosjes in en ze zag dat hij over het houten hek klom van de camping.

in de zaak met parketnummer 18/730116-19

Feit 1 primair

1. De door verdachte ter zitting van 27 november 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb [slachtoffer 3] aangesproken en gevraagd waar de fietsen waren. Hij zei dat hij het niet wist. Toen heb ik zijn telefoon afgepakt. Ik heb [slachtoffer 3] tegen de muur geduwd en op zijn schouder geslagen. Ik heb gezegd dat we de fietsen gingen halen. Ik heb al die tijd zijn telefoon onder mij gehouden. Ik heb op zijn telefoon toen een bericht gestuurd, in de trant van ‘ [slachtoffer 3] krijgt zo zijn telefoon terug.’ Ik heb hem 350 euro laten pinnen voor de fietsen. Toen ik dat geld kreeg heb ik zijn telefoon teruggegeven.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 29 mei 2019, opgenomen op pagina 22 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019208139 Z, d.d. 7 augustus 2019, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] :

Op zondag 26 mei 2019 omstreeks 17:30 uur lag ik op bed in mijn kamer. Ik zag dat [verdachte] op mij af liep. Ik zag dat [verdachte] naar het nachtkastje toe liep en mijn telefoon pakte. Toen ik mijn telefoon probeerde te pakken draaide [verdachte] zich om. [verdachte] pakte mij bij mijn linkerarm. Ik voelde dat [verdachte] op mij leunde. Hierdoor kwamen wij beide ten val. Door de val kreeg ik een schaafplek op mijn linkerschouder. Ik zag dat [verdachte] op mij in begon te beuken. Ik zag en voelde dat [verdachte] met zijn rechter gebalde vuist met kracht op mijn voorhoofd sloeg. [verdachte] sloeg mij drie keer. Hij sloeg mij op mijn voorhoofd, mijn rechter jukbeen en op mijn rechteroog. Door de klappen in mijn gezicht voelde ik een gloeiend pijn aan de rechterzijde van mijn gezicht. Als gevolg van de klappen in mijn gezicht heb ik nu blauwe plekken en voelt de rechterzijde van mijn gezicht nog gezwollen en heb ik een beurse pijn. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat hij door het gevecht met mij zijn XTC kwijt was geraakt. Ik hoorde [verdachte] zeggen dat ik driehonderdvijftig euro (350,-) moest betalen voor de XTC en om mijn telefoon terug te krijgen. Om er vanaf te zijn besloot ik om met [verdachte] naar een pinautomaat te gaan om hem het geldbedrag te betalen. Ik pinde driehonderdvijftig euro (350,-). Nadat ik [verdachte] het geld gaf kreeg ik mijn telefoon terug.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 31 mei 2019, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [getuige 6] :

Opeens kreeg ik een filmpje in een groepschat van WhatsApp. U vraagt mij wat ik op het filmpje zag. Ik zag op dat filmpje dat mijn broer op een fiets zat die niet van hem was. Ik zag dat [verdachte] , die ik ken van de verhalen van mijn broer, naast hem liep en dat [verdachte] de telefoon van mijn broer in zijn handen had. Ik had gelijk door dat er iets mis was. Ik probeerde [slachtoffer 3] te bellen op zijn telefoonnummer. Ik hoorde dat iemand anders dan [slachtoffer 3] de telefoon opnam. Ik hoorde namelijk een vreemde stem. Ik denk dat dit [verdachte] geweest moet zijn. Ik vroeg aan diegene waar [slachtoffer 3] was. Ik hoorde dat diegene tegen mij zei: “Dit zit hier, over [slachtoffer 3] hoef je je geen zorgen te maken”. Ik vroeg of ik [slachtoffer 3] mocht spreken. Ik hoorde dat die jongen tegen mij begon te schreeuwen: “Kom dan maar hier!! dan sla ik je in elkaar! net als je broer!”.

4. Een geschrift, opgenomen op p. 64 van voornoemd dossier, inhoudend een screenshot van een WhatsApp gesprek.

5. Een geschrift, opgenomen op p. 66 van voornoemd dossier, inhoudend een bon van een geldopname van een bedrag van 350 euro bij een pinautomaat te Leeuwarden op 26 mei 2019 om 18:16 uur.

6. Een geneeskundige verklaring, opgenomen op p. 73 e.v. van voornoemd dossier, op 7 juni 2019 opgemaakt en ondertekend door E.I. Hofstra, forensisch arts, voor zover inhoudend, als zijn geneeskundige verklaring:

De ouderdom van het aangetroffen letsel kan passen bij de termijn zoals opgegeven in de toedracht. Mate van overeenkomst tussen de opgegeven toedracht en verwonding: enigermate overeenkomstig.

Feit 2 primair

De rechtbank acht feit 2. primair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 30 juli 2019, opgenomen op pagina 98 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2019208139 Z, d.d. 7 augustus 2019, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 4] ;

in de zaak met parketnummer 18/172221-20

De rechtbank acht feit 1. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 27 maart 2020, opgenomen op p. 4 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020076742, d.d. 4 juli 2020, inhoudend de verklaring van [getuige 7] , namens [bedrijf 1] en Leger des Heils.

in de zaak met parketnummer 18/066984-20

Feit 1

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 28 februari 2020, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2020076819 van 1 april 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5] :

Ik ben werkzaam als integraal handhaver, in dienst bij de gemeente Leeuwarden, eenheid stadstoezicht, team Handhaving Openbare Ruimte. Op vrijdag 28 februari 2019 (de rechtbank leest: 2020), omstreeks 14:30 uur, bevond ik mij, op de St. Jacobstraat te Leeuwarden. Aldaar ontstond er een situatie waarbij ik [verdachte] , als passant, het volgende naar mij hoorde schreeuwen: "Pas op want ik pak jullie en ik maak jullie af" Terwijl hij dit schreeuwde, keek de verdachte mij direct aan.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 28 februari 2020, opgenomen op pagina 22 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [slachtoffer 5] :

Op vrijdag 28 februari 2020, omstreeks 14:25 uur, bevond ik, verbalisant, mij in uniform gekleed en met toezicht belast, op de Sint Jacobstraat te Leeuwarden. Ik was daar ter plaatse met collega [getuige 4] . Ik zag dat de mij ambtshalve bekende [verdachte] stil bleef staan en gericht tegen mij en collega [getuige 4] riep: ‘wat kijk jij, rot op jij moet niet kijken’. Hierop zei ik gericht tegen betrokkene: ‘loop door, vervolg je weg’. Hierop zag ik dat [verdachte] op circa 5 meter van mij af op het trottoir stond. Ik zag dat verdachte zich richting mij en collega [getuige 4] draaide en ik hoorde verdachte luid en gericht tegen mij en collega [getuige 4] schreeuwen.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 28 februari 2020, opgenomen op pagina 26 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [getuige 4] :

Op vrijdag 28 februari 2020, omstreeks 14:25 uur, bevond ik, verbalisant, mij in uniform gekleed en met toezicht belast, op de Sint Jacobstraat te Leeuwarden. Ik was aldaar ter plaatse met collega [slachtoffer 5] , integraal handhaver. Ik maakte samen met mijn collega deel uit van een verkeersactie in de binnenstad. Ten tijde van deze verkeersactie hoor ik achter mij iemand iets zeggen tegen mij en mijn collega. Toen ik mij vervolgens omdraaide om te kijken wie iets tegen ons zei, zag ik dat het de heer [verdachte] betrof, mij ambtshalve bekend. Op dat moment hoor ik mijn collega zeggen ‘draai je gewoon om en loop gewoon door’, waarop ik hoor dat verdachte iets zegt, echter is het mij niet duidelijk verstaanbaar wat er gezegd wordt. Vervolgens zie ik mijn collega naar verdachte toelopen en hoor ik mijn collega zeggen dat hij is aangehouden.

Feit 2

1. De door verdachte ter zitting van 27 november 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik had die avond van 27 januari 2020 een groene jas aan. Ik heb een slaande beweging gemaakt richting [slachtoffer 6] .

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte van 29 februari 2020, opgenomen op pagina 43 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2020076819 van 1 april 2020, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 6] :

Op maandag 27 januari 2020 omstreeks 18:30 uur reed ik op mijn scooter op de

Wirdumerdijk in de binnenstad van Leeuwarden. Toen ik ter hoogte van [bedrijf 2] reed wilde ik mijn scooter parkeren. Bij [bedrijf 2] stonden drie jongens. Ik zag dat een van de jongens [verdachte] was de andere twee jongens ken ik verder niet. Ik heb in die strijd ook een klap van [verdachte] gekregen op mijn gezicht. Ik heb de klap gekregen aan de rechterzijde van mijn gezicht. Ik voelde de klap tegen mijn kaak onder mijn oor. Ik zag dat [verdachte] mijn sloeg met zijn vuist. Ik zag dat hij een vuist maakte en met een hoekslag mij tegen mijn kaak aansloeg.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 13 juni 2019, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 4] :

Op woensdag 29 januari 2020 keek ik de beelden van [bedrijf 2] gelegen aan de [straatnaam] te Leeuwarden uit. Om 19:12:13 uur zie ik dat aangever met zijn scooter rechts in beeld verschijnt. Ik zie dat hij op zijn scooter aankomt vanuit de Peperstraat. Om 19:12:36 zie ik dat aan de rechterzijde van het beeld drie jongens verschijnen. Ik zie dat de derde jongen, verdachte 3, een grote jongen betreft met een stevig postuur. Hij draagt een groene jas en heeft zijn capuchon op.

Om 19:17:08 uur zie ik dat verdachte 3 nogmaals op aangever afloopt en dicht op aangever gaat staan en nogmaals met twee armen aangever weg duwt.

Om 19:18:01 uur zie ik dat verdachte 3 nogmaals op aangever afloopt en hem weer met twee handen met kracht wegduwt. Ik zie dat dit met kracht gebeurd omdat aangever hierdoor achteruit deinst en op de doorgaande weg terecht komt.

Om 19:18:06 uur zie ik dat verdachte 3 nogmaals op aangever afkomt en met zijn linkerhand een slaande beweging maakt naar aangever zijn hoofd. Ik zie dat verdachte 3 aangever constant aan het uitdagen is door steeds op aangever af te lopen en handgebaren te maken.

Feit 4

De rechtbank acht feit 4. wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 27 november 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van 28 februari 2020, opgenomen op pagina 20 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100 2020076819 van 1 april 2020, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 5] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten

- onder parketnummer 18/730162-19 1 primair, 2 en 3;

- onder parketnummer 18/730116-19 1 primair, 2 primair;

- onder parketnummer 18/172221-20;

- onder parketnummer 18/066984-20 1, 2 en 4,

wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

Parketnummer 18/730162-19

1. primair

hij op 28 juli 2019 te Franeker, op het treinstation aldaar, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel, te weten onder meer een gebroken knieschijf, heeft toegebracht door die [slachtoffer 1] (met kracht) vanaf het perron op de spoorbaan te gooien, waardoor die [slachtoffer 1] op de spoorbaan ten val is gekomen en voornoemd letsel heeft bekomen;

2.

hij op 28 juli 2019 te Franeker, op het treinstation aldaar [slachtoffer 1] heeft bedreigd met enig misdrijf met zware mishandeling, door toen aldaar

- een (Wodka)fles kapot te slaan en vervolgens

- een afgebroken deel van die (Wodka)fles voor zijn lichaam te houden en vervolgens

- daarbij die [slachtoffer 1] meermalen dreigend de woorden toe te voegen: "Ik ga je steken.";

3.

hij op 13 juli 2019 te Formerum, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven

gericht en/of met zware mishandeling, door opzettelijk dreigend in het

bijzijn van die [slachtoffer 2]

- een (bier)fles kapot te slaan en vervolgens

- met een gebroken deel van die (bier)fles achter die [slachtoffer 2] te gaan en blijven staan en vervolgens

- dat gebroken deel van die (bier)fles tegen de rug van die [slachtoffer 2] te drukken en daarbij

- die [slachtoffer 2] de woorden toe te voegen: "Je moet niet kankerstoer doen en

je moet sorry zeggen." en "Ik kan je hier nu gewoon kanker dood steken als

ik dat wil.";

Parketnummer 18/730116-19

1. primair

hij op 26 mei 2019 te Leeuwarden met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door geweld [slachtoffer 3] heeft gedwongen tot de afgifte van geld (350 euro), toebehorende aan [slachtoffer 3] , welk geweld hierin bestond(en) dat verdachte

- in de woning van die [slachtoffer 3] een telefoontoestel van die [slachtoffer 3]

heeft gepakt en vervolgens dat telefoontoestel onder zich heeft gehouden en

toen die [slachtoffer 3] trachtte dat telefoontoestel terug te pakken

- die [slachtoffer 3] bij zijn arm heeft vastgepakt en vervolgens op het lichaam van die [slachtoffer 3] is gaan leunen, (mede) waardoor die [slachtoffer 3] ten val is gekomen en

- die [slachtoffer 3] tegen het hoofd heeft geslagen en

- die [slachtoffer 3] de woorden toegevoegd: "je moet 350 euro betalen om je

telefoon terug te krijgen.", en vervolgens zodoende

- die [slachtoffer 3] gedwongen 350 euro te pinnen en dat gepinde geld vervolgens

aan verdachte af te geven, waarna die [slachtoffer 3] zijn telefoontoestel terug kreeg;

2. primair

hij op 18 april 2019 te Leeuwarden uit een woning/kamer gelegen aan het [straatnaam] een computer (van het merk Corsair) en een toetsenbord, dat toebehoorde aan [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen;

Parketnummer 18/172221-20

hij omstreeks 24 maart 2020 te Sneek, opzettelijk en wederrechtelijk inpandige deuren van een appartement aan of bij [straatnaam] aldaar dat aan het Leger des Heils en/of [bedrijf 1] toebehoorde, heeft beschadigd;

Parketnummer 18/066984-20

1.

hij op 28 februari 2020 te Leeuwarden [slachtoffer 5] (als BOA/handhaver in dienst bij de gemeente Leeuwarden) heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door hem mondeling toe te voegen: "Pas op want ik pak jullie en ik maak jullie af";

2.

hij op 27 januari 2020 te Leeuwarden [slachtoffer 6] heeft mishandeld door hem tegen de kaak te stompen;

4.

hij op 28 februari 2020 te Leeuwarden opzettelijk een ambtenaar, te weten [slachtoffer 5] (als BOA/handhaver in dienst bij de gemeente Leeuwarden), gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, in zijn tegenwoordigheid, mondeling heeft beledigd, door hem de woorden toe te voegen: "Flikkers".

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

parketnummer 18/730162-19

1. primair zware mishandeling

2. bedreiging met zware mishandeling

3. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

parketnummer 18/730116-19

1. primair afpersing

2. primair diefstal

parketnummer 18/172221-20

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander

toebehoort, beschadigen

parketnummer 18/066984-20

1. bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

2. mishandeling

4. eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een

ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn

bediening

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat toepassing wordt gegeven aan het adolescentenstrafrecht en dat verdachte wordt veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 411 dagen met aftrek van de dagen doorgebracht in voorarrest. Daarnaast heeft de officier van justitie de maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel) gevorderd.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoon van verdachte en aan verdachte geen PIJ-maatregel op te leggen maar een straf gelijk aan de duur van het voorarrest met eventueel bijzondere voorwaarden.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 2 november 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan negen strafbare feiten waaronder afpersing, diefstal, mishandeling, zware mishandeling en bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht. De rechtbank stelt vast dat sprake is van een groot aantal strafbare feiten, gepleegd in een betrekkelijk korte periode door een nog jeugdige verdachte die bovendien al eerder is veroordeeld ter zake van soortgelijke feiten. De rechtbank acht dit niet enkel kwalijk maar ook zeer zorgelijk.

Afpersing, bedreigingen en zware mishandeling veroorzaken grote maatschappelijke onrust. De zware mishandeling vond overdag plaats op het station van Franeker waar ook andere passanten stonden te wachten op de trein. Het zorgt voor onveilige gevoelens en slachtoffers kunnen te kampen krijgen met grote psychische problemen. Dit rekent de rechtbank verdachte zwaar aan. Ook rekent de rechtbank verdachte aan dat hij een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, te weten het handhaven van de openbare orde, heeft beledigd en bedreigd in het openbaar.

Adolescentenstrafrecht

De rechtbank dient eerst de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) de toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten was verdachte 18 en 19 jaar oud, zodat in beginsel het commune strafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c Sr. kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten op grond van het jeugdstrafrecht, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Zowel uit de rapportage van de reclassering, als uit de psychologische- en psychiatrische rapportage komt naar voren dat verdachte een sociaal emotionele achterstand heeft en een pedagogische en systeemgerichte aanpak nodig heeft. De beide deskundigen komen tot het advies om het jeugdstrafrecht toe te passen. Gelet op voormelde adviezen, het standpunt van de officier van justitie en de raadsman, en al hetgeen overigens uit het dossier en ter zitting is gebleken over de ontwikkeling(sproblematiek) van verdachte zal de rechtbank het jeugdstrafrecht toepassen.

PIJ-maatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte strafbare feiten heeft gepleegd, zijnde een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en misdrijven die behoren tot één van de in artikel 77s, eerste lid aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafrecht genoemde misdrijven.

Op grond van hetgeen de psycholoog, de psychiater en de reclassering in hun rapporten vermelden is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank zal aan verdachte daarom de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen.

De rechtbank heeft onder meer gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage van 24 november 2020 opgemaakt door H. van der Lugt, kinder- en jeugdpsychiater en de psychologische onderzoeksrapportage van 23 oktober 2019 en 20 november 2020, opgemaakt door drs. M.A. Aalbers-Passier, GZ-psycholoog.

De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat verdachte lijdt aan een normoverschrijdende gedragsstoornis, ernstig, met begin in de kindertijd, een sociale

en emotionele achterstand en een gebrek aan berouw, schuldgevoel en medeleven

(empathie), een dreigende persoonlijkheidsstoornis met antisociale en borderline trekken en ernstige systeemproblematiek met geheimen en verdeelde loyaliteiten. Dit was ten tijde van de gepleegde feiten niet anders. Verdachte functioneert al jaren op dit niveau en de verharding neemt toe. De gedragsstoornis en gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens beïnvloedde zijn gedragskeuzes en gedragingen ten tijde van de feiten. Verdachte lijkt niet of nauwelijks in staat zich te onttrekken aan vijandige interpretaties. Het is voor hem vechten of vluchten. Het recidiverisico is dan ook hoog.

Het is van groot belang dat verdachte binnen een stabiel pedagogisch klimaat zich

verder kan ontwikkelen, gebruik makend van zijn capaciteiten, zich vakkundig schoolt,

zicht krijgt op en leert omgaan met frustratie en emoties. De hardnekkige gedragspatronen van verdachte vragen om een beveiligde omgeving en een gedwongen behandeling van waaruit verdachte zich niet kan onttrekken. Vanuit deze invalshoek is een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel het meest passend bij de behandelnoodzaak van verdachte in relatie tot de ernst van de problematiek en het hoge recidive risico. Een PIJ-maatregel dient ter bevordering van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van verdachte, het verkleinen van het recidive risico en tevens dient naast behandeling aandacht te zijn voor maatschappelijke integratie.

De psychiater adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren, met betrekking tot feiten op de dagvaarding met parketnummer 18/730162-19. De psycholoog adviseert verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren met betrekking tot alle feiten.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat al het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend. Met de psycholoog is de rechtbank van oordeel dat verdachte ten tijde van alle bewezenverklaarde feiten lijdende was aan de gedragsstoornis en dat deze hem gedurende het plegen van al deze feiten heeft beïnvloed. Alle door verdachte gepleegde feiten kunnen volgens de rechtbank in verband worden gebracht met zijn vijandige interpretatie van de wereld, het constant op zijn hoede zijn en zijn coping mechanisme van vechten of vluchten. Daarbij komt dat de gedragsstoornis van verdachte, blijkens de rapportages van de deskundigen, zijn oorsprong heeft in het begin van zijn kindertijd en aldus aanwezig was op het moment van het plegen van alle bewezenverklaarde feiten.

De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd onder meer ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. Verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk, voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Alles afwegende zal de rechtbank conform de eis van de officier van justitie tevens een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest aan verdachte opleggen. Dit acht de rechtbank vanuit het oogpunt van vergelding passend en geboden, gelet op de ernst van de feiten.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] tot een bedrag van € 10.689,72 ter zake van materiële schade en € 4.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan en proceskosten van € 152,96;
2. [slachtoffer 3] tot een bedrag van € 350,00 ter vergoeding van materiële schade en € 850,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;
3. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 1.320,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 6] , tot een bedrag van € 250,00 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing van de civiele vordering van de benadeelde partij:

  • -

    [slachtoffer 1] tot het volledig gevorderde bedrag van € 14.689,72, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

  • -

    [slachtoffer 3] tot het volledig gevorderde bedrag van € 1.200,00, met toepassing van de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht.

De officier van justitie heeft daarbij gevorderd de vervangende gijzeling telkens op 1 dag te stellen.

Met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] en [slachtoffer 6] heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat deze niet ontvankelijk verklaard moeten worden wegens het ontbreken van een onderbouwing.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] primair verzocht deze niet ontvankelijk te verklaren wegens de bepleite vrijspraak. Daarnaast heeft hij aangevoerd dat de benadeelde partij in zijn aangifte niet heeft gesproken over beschadiging van zijn laptop. Daarnaast is de laptop ter reparatie aangeboden terwijl hij in het ziekenhuis lag. De benadeelde partij dient niet ontvankelijk te worden verklaard met betrekking tot de materiële schade. De raadsman heeft verzocht de immateriële schade te matigen.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft de raadsman verzocht de immateriële schade te matigen.

De vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] dient niet ontvankelijk te worden verklaard wegens onvoldoende onderbouwing.

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft schade aan zijn scooter welk feit verdachte niet wordt verweten. De raadsman heeft verzocht deze vordering af te wijzen.

Oordeel van de rechtbank

Benadeelde partij [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de volgende schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/730162-19 onder 1 primair bewezen verklaarde. Deze schade bestaat uit:

- Kosten hulpmiddelen : € 53,98

- Kosten fysio : € 255,00

- Toekomstige fysio : € 650,00

- Taxivervoer : € 25,50

Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet is betwist, zal daarom worden toegewezen.

Ten aanzien van de schadepost, herstel scherm laptop € 119,00, vindt de rechtbank onvoldoende onderbouwd dat deze is ontstaan door het door verdachte gepleegde feit, nu in de aangifte geen melding is gemaakt van een kapotte laptop. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij dit alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank acht dit deel van de vordering daarom niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De opgevoerde kosten verlies van inkomen € 9.586,24 acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd ten aanzien van de dagen die de benadeelde partij had kunnen werken bij Walrus Maritiem B.V. Nader onderzoek naar de omvang van dit deel van de vordering zou een uitgebreide nadere behandeling vereisen en daarmee een onevenredige belasting van het strafproces opleveren en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Verder is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank acht een bedrag van € 2.500,00 als vergoeding van de immateriële schade redelijk en billijk. Bij de vaststelling van de hoogte van het bedrag heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de tweede categorie van de Letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de volgende bedragen toegewezen kunnen worden: € 53,98 (kosten hulpmiddelen) + € 255,00 (kosten fysio) + € 650,00 (kosten toekomstige fysio) + € 25,50 (kosten taxivervoer) + € 2.500,- (immateriële schade), = € 3.484,48. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag wordt toegewezen en wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, te weten 28 juli 2019.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, te weten € 152,96, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om de gijzeling bij niet betaling op 0 dagen te bepalen.

Benadeelde partij [slachtoffer 3]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/730116-19 onder 1 primair bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen tot een bedrag van € 350,00.

Verder is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde. De rechtbank acht een bedrag van € 250,00 als vergoeding van de immateriële schade redelijk en billijk. De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de volgende bedragen toegewezen kunnen worden: € 350,00 (gepinde bedrag) + € 250,00 (immateriële schade) = € 600,00. De rechtbank zal bepalen dat dit bedrag wordt toegewezen en wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf het ontstaan van de schade, te weten 26 mei 2019.

Nu vast staat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed. De rechtbank ziet aanleiding om de gijzeling bij niet betaling op 0 dagen te bepalen.

Benadeelde partij [slachtoffer 4]

Hoewel voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij schade heeft geleden die het rechtstreeks gevolg is van het onder parketnummer 18/730116-19 onder 2 primair bewezen verklaarde, beschikt de rechtbank niet over onderbouwende stukken om de hoogte daarvan te kunnen beoordelen. Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij de hoogte van de schade alsnog te laten aantonen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Benadeelde partij [slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] heeft vergoeding van schade gevorderd waarvoor hij verwezen heeft naar zijn aangifte. Hij heeft hier geen nadere toelichting op gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank valt uit de aangifte op te maken dat de benadeelde partij stelt schade te hebben geleden als gevolg van het handelen van verdachte, te weten schade aan zijn scooter. Aan verdachte is onder parketnummer 18/066984-20 echter geen vernieling dan wel beschadiging van de scooter ten laste gelegd.

De vordering tot vergoeding van schade wordt dan ook afgewezen.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 26 juni 2018 van de kinderrechter in de rechtbank Noord-Nederland te Leeuwarden, is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een taakstraf van 20 uren voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 10 juli 2018. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij schriftelijke vordering van 9 januari 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Ter terechtzitting heeft de officier van justitie verzocht de vordering af te wijzen gelet op de gevorderde op te leggen PIJ-maatregel.

Hoewel gebleken is dat verdachte zich voor het einde van voornoemde proeftijd aan meerdere strafbare feiten heeft schuldig gemaakt, zoals naar voren komt uit de verdere inhoud van dit vonnis, acht de rechtbank gelet op de thans aan de orde zijnde oplegging van PIJ-maatregel tenuitvoerlegging van deze voorwaardelijk opgelegde straf thans niet opportuun. De rechtbank zal daarom de vordering afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 57, 77c, 77s, 266, 267, 285, 300, 302, 310, 317, 350 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18/066984-20 onder 3 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het

- onder parketnummer 18/730162-19 onder 1 primair, 2 en 3;

- onder parketnummer 18/730116-19 onder 1 primair, 2 primair;

- onder parketnummer 18/172221-20;

- onder parketnummer 18/066984-20 onder 1, 2 en 4,

ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een jeugddetentie voor de duur van 411 dagen.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

Vorderingen benadeelde partijen:

Ten aanzien van 18/730162-19, feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 3.484,48 (zegge: drieduizend vierhonderd vierentachtig euro en achtenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2019.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overig aan materiële schade gevorderde niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 152,96.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige aan immateriële schade gevorderde af.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 3.484,48 (zegge: drieduizend vierhonderd vierentachtig euro en achtenveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2019, waarbij de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast wordt bepaald op 0 dagen. Dit bedrag bestaat uit € 984,48 aan materiële schade en € 2.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/730116-19, feit 1 primair:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 600,00 (zegge: zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2019.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] voor het overige af.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 600,00 (zegge: zeshonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 mei 2019, waarbij de duur waarvoor gijzeling kan worden toegepast wordt bepaald op 0 dagen. Dit bedrag bestaat uit € 350,00 aan materiële schade en € 250,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van parketnummer 18/730116-19 feit 2 primair

Bepaalt dat de benadeelde partij [slachtoffer 4] in zijn vordering niet ontvankelijk is en dat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van parketnummer 18/066984-20, feit 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 6] af.

Bepaalt dat deze benadeelde partij de eigen kosten draagt.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/082121-18:

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden van 26 juni 2018.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter tevens kinderrechter, mr. R.B. Maring en A. Nieuwenhuis, rechters, bijgestaan door W. van Goor, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 11 december 2020.

mr. A. Nieuwenhuis is buiten staat het vonnis mede te ondertekenen.