Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4440

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
09-12-2020
Datum publicatie
15-12-2020
Zaaknummer
LEE 20/3328
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Last onder dwangsom Vlinderparadijs Papiliorama

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/3328

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 december 2020 op het verzoek om een voorlopige voorziening in de zaak tussen

Vlinderparadijs Papiliorama, te Havelte, verzoekster,

(gemachtigde: mr. S. Makaal),

en

het dagelijks bestuur Veiligheidsregio Drenthe, verweerder

(gemachtigde: P. Doldersum).

Procesverloop

Bij besluit van 12 november 2020 (het bestreden besluit I) heeft verweerder verzoekster onder oplegging van een preventieve last onder dwangsom gelast om zich per direct te onthouden van het voornemen om de artikelen 2.0 en 2.13 van de Noodverordening van 7 november 2020 te overtreden door middel van het (laten) organiseren van een evenement

en / of het pret- en themapark Vlinderparadijs Papiliorama geopend te hebben voor publiek.

Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit I bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 30 november 2020 (het bestreden besluit II) heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat de dwangsom ineens van € 10.000,-- op 26 november 2020 is verbeurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 december 2020. Verzoekster is verschenen bij [eigenaar] en vertegenwoordigd door mr. A. van Lohuizen, kantoorgenoot van mr. S. Maakal. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, bijgestaan door G. Stuivenberg en R. Dekker.

Overwegingen

1. Bij besluit van 12 november 2020 heeft verweerder aan verzoekster een preventieve last onder dwangsom opgelegd. Hierbij heeft verweerder aangegeven dat zij concrete signalen heeft ontvangen van de toezichthouders dat verzoekster voornemens is om de Noodverordening COVID-19 Veiligheidsregio Drenthe (de Noodverordening) van 7 november 2020 te overtreden. Om dit te voorkomen heeft verweerder aan verzoekster een preventieve last onder dwangsom opgelegd. Deze last houdt in dat verzoekster zich per direct dient te onthouden van het voornemen om de artikelen 2.0 en 2.13 van de Noodverordening te overtreden door middel van het (laten) organiseren van het evenement 'Eigen TafelKerstmarkt’ en/of het pret- en themapark Vlinderparadijs Papiliorama geopend te hebben voor publiek.

2. De voorzieningenrechter ziet de door verzoekster georganiseerde kerstmarkt in de huidige vorm als een evenement zoals dit is gedefinieerd in artikel 1.2 van de Noodverordening van 7 november 2020 en de toelichting daarop. Het begrip evenement ziet in deze verordening op een breed scala aan activiteiten namelijk alle voor het publiek toegankelijke verrichtingen van vermaak. Gelet hierop dient de kerstmarkt die verzoekster wenst te organiseren te worden gekwalificeerd als evenement in de zin van de Noodverordening van 7 november 2020. Verweerder was, naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, derhalve bevoegd om een preventieve last onder dwangsom op te leggen.

3. In de preventieve last onder dwangsom van 12 november 2020 heeft verweerder aan verzoekster een dwangsom van € 10.000,-- ineens opgelegd indien verzoekster niet, niet volledig of niet tijdig voldoet aan de opgelegde last.

3.1

Artikel 5:32b, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat het bedrag van de dwangsom in redelijke verhouding staat tot de zwaarte van het geschonden belang en tot de beoogde werking van de dwangsom. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder – vooralsnog – de hoogte van de dwangsom onvoldoende onderbouwd en is deze onevenredig gelet op de door verzoekster beoogde activiteiten. Hierbij overweegt de voorzieningenrechter dat de preventieve last onder dwangsom is opgelegd in verband met twee separate overtredingen, namelijk het (laten) organiseren van het evenement 'Eigen TafelKerstmarkt’ en het pret- en themapark Vlinderparadijs Papiliorama geopend te hebben voor publiek. Uit de opgelegde preventieve last onder dwangsom blijkt niet dan wel onvoldoende of de genoemde dwangsom betrekking heeft op ieder van deze overtredingen afzonderlijk of op beide overtredingen gezamenlijk. Voorts lijkt de hoogte van de dwangsom, gelet op de beoogde aard van de activiteiten - waar derden hun eigengemaakte kerstartikelen inbrengen (en een deel van de opbrengst krijgen) - onevenredig. Voorts is niet onderbouwd in welke verhouding het bedrag van de dwangsom staat tot (één van) de overtredingen. Het ter zitting gestelde dat in het geval van evenementen altijd een dergelijke dwangsom wordt opgelegd, is daartoe onvoldoende.

4. Op 30 november 2020 heeft verweerder aan verzoekster medegedeeld dat op 26 november 2020 een dwangsom van € 10.000,-- ineens is verbeurd nu de toezichthouders op laatstgenoemde datum hebben geconstateerd dat verzoekster een evenement heeft georganiseerd dan wel heeft laten organiseren. Hierbij is aangegeven dat verzoekster de dwangsom van € 10.000,-- uiterlijk op 31 december 2020 moet hebben betaald.

4.1

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan de verbeurd verklaring (en een eventueel daarop volgende invordering), zoals deze aan verzoekster is medegedeeld op 30 november 2020, geen stand houden. Hiertoe overweegt de voorzieningenrechter dat op het moment van het constateren van de overtreding (op 26 november 2020), de Noodverordening van 7 november 2020 - waarop de last was gebaseerd - inmiddels was ingetrokken en vervangen door de Noodverordening van 18 november 2020. Vanaf laatstgenoemde datum was derhalve de Noodverordening van 18 november 2020 van kracht. De gedurende de werking van deze Noodverordening eventueel te constateren overtredingen dienen derhalve onder (de bepalingen van) deze Noodverordening te worden gebracht (bijvoorbeeld door het opleggen van een nieuwe last onder dwangsom). Weliswaar is in artikel 5.3 van de Noodverordening van 18 november 2020 overgangsrecht opgenomen, inhoudende dat besluiten op basis van de Noodverordening van 7 november 2020 geacht worden te berusten op deze noodverordening (van 18 november 2020), maar een redelijke uitleg hiervan dient - mede gelet op de rechtszekerheid - naar het voorlopig oordeel te luiden dat overtredingen die gedurende de looptijd van die betreffende Noodverordening zijn geconstateerd, ten uitvoer gelegd kunnen worden (bijvoorbeeld een eventuele verbeurdverklaring en invordering) op basis van de bepalingen van die betreffende Noodverordening (ook als inmiddels een nieuwe Noodverordening van kracht is geworden). Een controle die - zoals in dit geval - heeft plaatsgevonden op 26 november 2020 had derhalve getoetst moeten worden aan de bepalingen van de Noodverordening die op dat moment vigerend was. Dit betekent dat de onderhavige verbeurdverklaring (en een eventueel nog te volgen invordering) niet (meer) gekoppeld kon worden aan een last onder dwangsom die zijn grondslag vindt in de Noodverordening van 7 november 2020, welke op dat moment was ingetrokken.

5. Bovenstaande overwegingen maken dat de voorzieningenrechter in dit uitzonderlijke geval spoedeisendheid aanneemt. Gelet op al het bovenstaande schorst de voorzieningenrechter de in het besluit van 12 november 2020 aan verzoekster opgelegde preventieve last onder dwangsom en het besluit van 30 november 2020 waarin verweerder aan verzoekster heeft medegedeeld dat de dwangsom is verbeurd, tot 6 weken nadat verweerder op het bezwaarschrift van verzoekster heeft beslist.

6. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst, bepaalt de voorzieningenrechter dat verweerder aan verzoekster het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

6.1

De voorzieningenrechter veroordeelt verweerder in de door verzoekster gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050,-- (één punt voor het indienen van het verzoekschrift, één punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 525,-- en wegingsfactor 1).

Beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst het bestreden besluit I van 12 november 2020 tot zes weken na bekendmaking

van de beslissing op bezwaar;

- schorst het bestreden besluit II van 30 november 2020, waarbij de dwangsom van

€ 10.000,-- is verbeurd, tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 354,-- aan verzoekster te

vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van

€ 1.050,--.

Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M. Visser, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. S.I. Havinga, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2020.

griffier voorzieningenrechter

(de griffier is buiten staat deze (de voorzieningenrechter is buiten

uitspraak te ondertekenen) staat deze uitspraak te ondertekenen)

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.