Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4424

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
8610303 CV EXPL 20-4211
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Maatstaf opzegging duurovereenkomst / opzegtermijn / corona / redelijkheid en billijkheid.

De gedaagde partij, een groothandel in kappersaccessoires, heeft aan het begin van de corona-crisis een automatische incasso voor reeds bezorgde pakketten zonder enige communicatie daarover gestorneerd en heeft medewerkers onheus bejegend. De eisende partij, een pakketbezorger, heeft daarop – ondanks de alsnog gedane betaling - de duurovereenkomst met (uiteindelijk) een opzegtermijn van twee weken opgezegd. De eisen van redelijkheid en billijkheid brengen in dit geval niet mee dat een langere opzegtermijn dan twee weken had moeten worden gehanteerd. Onder meer is van belang de groothandel drie jaar geleden zelf de duurovereenkomst zonder opzegtermijn heeft opgezegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2021/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rolnummer: 8610303 \ CV EXPL 20-4211

Vonnis van de kantonrechter d.d. 24 november 2020

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GENERAL LOGISTICS SYSTEMS NETHERLANDS B.V.,

gevestigd te Utrecht,

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

gemachtigde: mr. C.J. Diks,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

TOTAL HAIR SERVICE B.V.,

gevestigd te Groningen,

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

gemachtigde: mr. R.G. Varkevisser.

Partijen zullen hierna GLS en THS worden genoemd.

1 Procesgang

1.1.

De bij vonnis van 1 augustus 2020 bepaalde mondelinge behandeling is gehouden op 27 oktober 2020. Namens GLS is [naam teamleider] (teamleider financiële administratie) samen met haar gemachtigde ter zitting verschenen. [naam CEO] (CEO) is namens THS samen met haar gemachtigde ter zitting verschenen. Partijen en hun gemachtigden zijn ter zitting verschenen waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet. Van het verhandelde is door de griffier aantekening gehouden. Nadat partijen er niet in waren geslaagd om een schikking te treffen, is uitspraak bepaald op heden.

1 De vaststaande feiten

1.1

Als gesteld en erkend, dan wel niet (gemotiveerd) weersproken staat het volgende vast.

1.2

GLS drijft een onderneming die onder meer gespecialiseerd is in het verzorgen van pakketzendingen.

1.3

THS drijft een groothandel in kappersaccessoires en aanverwante artikelen.

1.4

Tussen partijen is in 2008 een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan GLS voor THS pakketverzendingen verzorgde.

1.5

Deze overeenkomst is in 2017 door THS opgezegd. [naam CEO] heeft namens THS op 29 maart 2017 de volgende e-mail aan THS verzonden:

"(…) Geen positief bericht voor jou je, want wij gaan van vervoerder veranderen. Na een uitgebreide overweging en test situatie, hebben wij deze beslissing moeten nemen op basis van kwantitatieve aspecten.

Ik wil je bedanken voor de prettige samenwerking. (…)"

1.6

In juni 2017 is er wederom een overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen op grond waarvan GLS weer voor THS pakketverzendingen verzorgde. In de overeenkomst is geen opzeggingsbeding opgenomen. De kosten voor de pakketverzendingen werden door THS via automatische incasso aan GLS voldaan.

1.7

Op 23 maart 2020 moesten de kappers vanwege de door de overheid in het kader van de coronacrisis genomen maatregelen hun deuren sluiten.

1.8

Op woensdag 15 april 2020 heeft THS een automatische incasso van € 5.034,08 actief laten storneren.

1.9

GLS heeft op vrijdag 17 april 2020 aan THS laten weten de overeenkomst op te zeggen. THS heeft diezelfde dag de factuur van € 5.034,08 alsnog betaald.

1.10

Op maandag 20 april 2020 hebben [naam CEO] en mevrouw [medewerker THS] namens THS telefonisch contact gehad met de heer [medewerker GLS] en [medewerker GLS] van GLS.

1.11

GLS heeft op 21 april 2020 een e-mail aan THS verstuurd. In de e-mail staat onder andere het volgende:

"(…) Naar aanleiding van ons telefoongesprek van gisteren bevestig ik u hierbij dat we hebben afgesproken dat onze samenwerking met ingang van 1 mei zal stoppen.

Tevens afgesproken dat beide partijen zich tot het einde van de samenwerking zullen houden aan alle aangegane verplichtingen.

Wij betreuren dat de samenwerking op deze wijze zal eindigen, maar willen u bedanken voor de relatie van de afgelopen jaren, en willen u en uw bedrijf succes wensen in deze rare tijden. (…)"

1.12

[naam CEO] heeft namens THS een e-mail d.d. 21 pril 2020 teruggestuurd aan THS. In de e-mail staat het volgende:

"(…) Dank voor de mail zie 1 mei staan neem aan 4 mei, hoor het wel. (…)"

1.13

GLS heeft bevestigd dat op 4 mei de laatste pakketten zullen worden afgehaald. In reactie daarop heeft, CEO [naam CEO] van, THS in een mail van 21 april 2020 aangegeven: "Ben goed wakker he."

1.14

THS heeft vervolgens met DPD een overeenkomst gesloten om de pakketverzendingen te verzorgen.

1.15

THS heeft de factuur voor de pakketverzendingen van 20 april tot en met 4 mei 2020 ten bedrage van € 5.109,63 onbetaald gelaten.

2 De vorderingen en het verweer

in conventie:

2.1.

GLS vordert in conventie voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad om THS te veroordelen tot betaling van € 5.109,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover te rekenen vanaf de vervaldatum van de onderliggen facturen, alsook te veroordelen tot betaling van € 630,48 aan buitengerechtelijke incassokosten. Tevens vordert GLS dat THS wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten, waaronder de nakosten en kosten voor beslagen indien THS niet binnen de wettelijk termijn van twee dagen betaalt, dan wel door de kantonrechter te bepalen redelijk geachte termijn, en na betekening van dit vonnis heeft voldaan.

2.2.

GLS heeft aan haar vordering ten grondslag gelegd dat - samengevat weergegeven - zij op basis van de tussen partijen bestaande overeenkomst voor THS pakketzendingen heeft verricht en waarvoor THS dient te betalen. De factuur van € 5.109,63 ziet op de laatste pakketzendingen tot en met 4 mei 2020. GLS heeft verder gesteld dat THS niet tijdig is overgegaan tot betaling en dat zij daarom rente is verschuldigd. Tevens zijn buitengerechtelijke werkzaamheden verricht waardoor THS buitengerechtelijke kosten van € 630,48 aan GLS verschuldigd is.

2.3.

THS voert aan dat zij ook een vordering heeft op GLS en dat zij haar vordering kan verrekenen met de vordering van GLS op haar. THS voert verweer tegen de door GLS gevorderde buitengerechtelijke incassokosten omdat niet is gebleken dat deze zijn gemaakt, zijn aan te merken als normale kosten ter voorbereiding van een procedure en de dubbele redelijkheidstoets van artikel 6:96 lid 2 sub c BW niet kan doorstaan.

2.4.

Op de standpunten van partijen wordt hierna bij de beoordeling - voor zover van belang - nader ingegaan.

in reconventie:

2.5.

THS vordert in reconventie - voor zover mogelijk - uitvoerbaar bij voorraad om voor recht te verklaren dat GLS aansprakelijk is voor de door THS geleden schade als gevolg van het onrechtmatig handelen van GLS door de opzegging van de overeenkomst met THS. Tevens vordert THS dat GLS wordt veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 6.330,37 (na verrekening van het door GLS in conventie gevorderde) dan wel tot betaling van € 11.440,00, dan wel enig ander bedrag door de kantonrechter te bepalen, althans op te maken bij staat en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 28 juli 2020 danwel vanaf de datum van dit vonnis.

2.6.

THS legt - verkort weergegeven - aan haar vordering ten grondslag dat GLS bij de opzegging van de overeenkomst een te korte opzegtermijn in acht heeft genomen. Vanwege het niet in acht nemen van een redelijk opzegtermijn heeft GLS onrechtmatig jegens THS gehandeld en is GLS aansprakelijk voor de door THS geleden schade. THS moest voor haar pakketzendingen snel met een ander bedrijf in zee gaan, in dit geval DPD. De tarieven van DPD zijn hoger dan die van GLS. Als een redelijke opzegtermijn van een jaar in acht zou worden genomen, dat zou dat THS gedurende dat jaar € 0,52 per leverantie hebben gescheeld. Gelet op het feit dat GLS voor THS gemiddeld 22.000 leveranties op jaarbasis verzorgt dient GLS haar een schadevergoeding te betalen van € 11.440,00. Conform artikel 6:127 BW kan GLS dit bedrag met de vordering van THS verrekenen.

2.7.

GLS voert verweer tegen de vordering en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van THS in haar vorderingen dan wel tot afwijzing daarvan. Hiertoe voert zij - verkort weergegeven - aan dat er sprake is van beëindiging van de overeenkomst met wederzijds goedvinden. Voor zover dit niet aan de orde is, voert GLS aan dat zij niet onrechtmatig jegens THS heeft gehandeld en een redelijke opzegtermijn in acht heeft genomen. Zij heeft de overeenkomst opgezegd omdat THS een automatische incasso actief heeft gestorneerd en twee medewerkers van GLS onheus heeft bejegend. GLS is dan ook geen schadevergoeding aan THS verschuldigd. Voor zover zal worden geoordeeld dat GLS wel onrechtmatig jegens THS heeft gehandeld, dan betwist GLS de door THS gestelde schade. Volgens GLS blijkt uit de website van THS dat zij de kosten voor transport doorberekent aan haar klanten. Tevens voert zij aan dat DHD geen rekening houdt met het gewicht van het pakket terwijl GLS dat wel doet. Ook betwist GLS dat THS 22.000 pakketten per jaar zou verzenden. Bovendien kan GLS op grond van de toepasselijke algemene voorwaarden niet aansprakelijk worden gehouden voor gevolgschade en is verrekening evenmin mogelijk.

2.8.

Op de standpunten van partijen wordt hierna bij de beoordeling - voor zover van belang - nader ingegaan.

3 Beoordeling

3.1.

Gelet op de onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden beoordeeld.

3.2.

De kantonrechter stelt voorop dat niet is betwist dat GLS de leveringen voor THS heeft verricht waarvoor zij de thans onbetaald gelaten factuur van € 5.109,63 heeft verstuurd. Om die reden is THS gehouden om over te gaan tot betaling van de factuur.

3.3.

THS stelt echter dat zij door het onrechtmatig handelen van GLS, bestaande uit het niet in acht nemen van een redelijke opzegtermijn, schade heeft geleden en dat zij deze schade kan verrekenen met de vordering van GLS. In verband met de door haar gestelde schade, waarvoor zij in reconventie een vergoeding vordert, beroept zij zich op opschorting.

3.4.

Overwogen wordt als volgt. GLS heeft als eerste verweer gesteld dat geen sprake is geweest van een opzegging van haar kant maar dat de overeenkomst in overleg is beëindigd. Partijen hebben op dit onderdeel bewijs aangeboden van hun wederzijdse stellingen.

3.5.

De kantonrechter ziet aanleiding om eerst het subsidiaire verweer van GLS te beoordelen. Daarbij zal er dan veronderstellenderwijs, GLS ontkent dat dit het geval is, van worden uitgegaan dat GLS een duurovereenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan heeft opgezegd en daarbij een opzegtermijn van twee weken heeft gehanteerd. De vraag is dan of GLS aldus handelend, jegens THS onrechtmatig heeft gehandeld.

3.6.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 28 oktober 2011 blijkt ten aanzien van het opzeggen van duurovereenkomsten het volgende. (ECLI:NL:HR:2011:BQ9854) Of en, zo ja, onder welke voorwaarden zo'n overeenkomst opzegbaar is, wordt bepaald door de inhoud daarvan en door de toepassing zijnde wettelijke bepalingen. Indien, zoals in onderhavig geval, wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat (HR 3 december 1999, LJN AA3821, NJ 2000/120). Uit diezelfde eisen kan, eveneens in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval, voortvloeien dat een bepaalde opzegtermijn in acht moet worden genomen of dat de opzegging gepaard moet gaan met het aanbod tot betaling van een (schade)vergoeding.

3.7.

In het onderhavig geval is niet in geschil of er een voldoende zwaarwegende grond aanwezig was voor GLS om over te gaan tot opzegging van de overeenkomst. Beoordeeld moet worden of de eisen van redelijkheid en billijkheid in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval met zich brengen dat GLS een langere opzegtermijn dan de gegeven twee weken in acht had moeten nemen.

3.8.

De kantonrechter is van oordeel dat de eisen van redelijkheid en billijkheid dit in het onderhavige geval niet meebrengen. Hiervoor is het volgende redengevend.

3.9.

THS stelt dat er sprake is geweest van een overeenkomst voor de duur van twaalf jaar. Tussen partijen staat vast dat een eerdere overeenkomst in 2017 door, [naam CEO] van, THS is opgezegd, waarna drie maanden tussen partijen later een nieuwe overeenkomst met andere voorwaarden is overeengekomen. De kantonrechter ziet, gelet op die relevante duur van de onderbreking, geen reden om tot het oordeel te komen dat er tussen partijen een overeenkomst voor de duur van twaalf jaar heeft bestaan. Voor de beoordeling wordt dan ook uitgegaan van een overeenkomst met een duur van drie jaar.

3.10.

Tevens is in aanmerking genomen dat THS in 2017 de overeenkomst heeft opgezegd, zonder zelf een opzegtermijn in acht te nemen. In die periode was wel sprake van een op 9 april 2015 door partijen ondertekende schriftelijke overeenkomst met een bepaling omtrent opzegging. Die overeenkomst bevatte een door partijen in acht te nemen opzegtermijn van twee maanden tegen het einde van de maand. THS voert aan dat aan die opzegging destijds diverse gesprekken vooraf zijn gegaan en dat de omstandigheden anders waren. Het laat zich op basis van die toelichting echter niet inzien dat GLS op haar beurt zonder meer wel een (langere) opzegtermijn zou moeten hanteren.

3.11.

Uit de stellingen van THS blijkt voorts dat zij uitgaande van een opzegging op 21 april 2020 tegen 4 mei 2020, in staat is geweest om een nieuwe vervoerder, DPD, haar bestellingen aansluitend te laten overnemen. Zij stelt dat zij door de opzegging vervolgens voor hogere bestelkosten werd gesteld dan haar door GLS in rekening werden gebracht. THS heeft echter niet gesteld dat zij met het oog op de overeenkomst met GLS investeringen in haar bedrijf heeft moeten doen die zij nog moet terugverdienen. Evenmin is gesteld of gebleken dat zij, mede gelet op de eigen eerdere opzegging, in het geheel geen rekening heeft gehouden of kunnen houden met eventuele hogere kosten bij het zich richten op een andere vervoerder voor het geval zich een opzegging zou voordoen.

3.12.

THS heeft als reden voor de actieve stornering van de automatische incasso aangevoerd dat zij dit heeft gedaan in paniek vanwege de coronacrisis en dat door de overheid genomen maatregelen de kappers - aan wie zij haar producten verkoopt - hun deuren moesten sluiten en er bij THS geen besef was voor normale communicatie. Hoewel er sprake is van ongewone en heftige tijden voor onder andere ondernemers, betekent dit niet dat THS zomaar zonder communicatie over mocht en kon gaan tot automatische stornering van de automatische incasso. GLS heeft er terecht op gewezen dat iedereen door de coronacrisis wordt geraakt en dat ook zij in de problemen zou komen als klanten zonder enige reden en communicatie automatische incasso's voor reeds geleverde diensten gaan storneren. THS heeft voorts, mede gelet op het verhandelde ter zitting, onvoldoende (gemotiveerd) betwist dat [naam CEO] als CEO van THS, GLS-medewerkers onheus heeft bejegend. THS heeft met haar handelswijze en eigen opstelling GLS dan ook zelf reden gegeven om de overeenkomst op korte termijn te beëindigen.

3.13.

Indien en voor zover GLS de overeenkomst met THS op 21 april 2020 heeft opgezegd tegen 4 mei 2020 valt uit de e-mails van 21 april 2020 van THS, als weergegeven onder de feiten, bovendien niet af te leiden dat THS het niet eens was met die opzegging tegen die datum. Zij heeft daartegen in het geheel geen bezwaren aangevoerd en komt waar het gaat om de einddatum slechts met een correctie van 1 mei naar 4 mei.

3.14.

Het voorgaande betekent dat GLS gemeten naar de eisen van redelijkheid en billijkheid, mocht overgaan tot opzegging van de overeenkomst met een opzegtermijn van veertien dagen. Dat zij desondanks gehouden was om een aanbod tot vergoeding van de schade te doen, valt dan ook niet in te zien. De enkele reden dat THS in tijden van corona een minder gunstige onderhandelingspositie had ten opzichte van DPD, maakt dat niet anders.

3.15.

Indien en voor zover al sprake is geweest van een opzegging door GLS en geen beëindiging in overleg, is de kantonrechter op grond van vorenstaande overwegingen van oordeel dat GLS mocht overgaan tot opzegging van de overeenkomst zoals zij heeft gedaan. Daarmee hoeft de vraag of partijen met wederzijds goedvinden de overeenkomst hebben beëindigd dan ook niet meer te worden beantwoord. Ook aan de beantwoording van de vraag of GLS aansprakelijkheid voor gevolgschade en verrekening middels de al dan niet toepasselijke algemene voorwaarden heeft uitgesloten, komt de kantonrechter niet toe.

3.16.

Nu de conclusie van het bovenstaande is dat GLS jegens THS niet onrechtmatig heeft gehandeld, zal de vordering in reconventie van THS tot betaling van de door haar gestelde schadevergoeding als gevolg van dat gestelde onrechtmatig handelen worden afgewezen. De vordering van GLS ad € 5.109,63 in conventie zal worden toegewezen. De hierover gevorderde en niet weersproken handelsrente zal eveneens worden toegewezen.

3.17.

GLS heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. De gevorderde buitengerechtelijke kosten zullen worden toegewezen tot ten hoogste het bedrag van de wettelijke staffel zoals vermeld in artikel 2 van het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten, zijnde een bedrag van € 630,48. Het verweer van THS dat er geen buitengerechtelijke werkzaamheden zijn verricht, de kosten enkel zien op kosten ter voorbereiding van de procedure en de dubbele redelijkheidstoets niet kunnen doorstaan, wordt gepasseerd. GLS heeft aangevoerd, en dat is ook gebleken, dat bij de dagvaarding correspondentie tussen de raadslieden zit om te proberen om tot een minnelijke regeling te komen. De kantonrechter is van oordeel dat hieruit blijkt dat er kosten zijn gemaakt en werkzaamheden zijn uitgevoerd anders dan ter voorbereiding van de procedure. Ook de dubbele redelijkheidstoets kan de vordering doorstaan omdat het gevorderde bedrag conform het Besluit staffel buitengerechtelijke incassokosten is en de bedragen in het besluit worden geacht redelijk te zijn.

3.18.

THS zal zowel in conventie als in reconventie als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De gevorderde nakosten zijn eveneens toewijsbaar tot een bedrag van € 120,00.

Beslissing

De kantonrechter:

in conventie:

I. veroordeelt THS tot betaling van een bedrag van een bedrag van € 5.109,63, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente hierover te rekenen vanaf de vervaldatum van de onderliggen facturen;

II. veroordeelt THS tot betaling van een bedrag van € 630,48 aan buitengerechtelijke incassokosten;

III. veroordeelt THS tevens tot betaling van de proceskosten welke aan de zijde van GLS tot aan deze uitspraak zijn vastgesteld op € 499,00 aan griffierecht, € 600,00 aan salaris van de gemachtigde en € 83,38 aan explootkosten, te vermeerderen met de nakosten van € 120,00 indien THS niet binnen twee dagen na betekening van dit vonnis is overgegaan tot betaling.

in reconventie:

IV. wijst de vorderingen af;

V. veroordeelt THS tot betaling van een bedrag van € 600,00 aan salaris van de gemachtigde.

in conventie en in reconventie

VI. verklaart dit vonnis voor wat betreft de veroordelingen onder I, II, III en V uitvoerbaar bij voorraad.

Aldus gewezen door mr. B. van den Bosch, kantonrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 november 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

c 412