Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4423

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
18/830017-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, veroordeelt een man uit Albanië tot een gevangenisstraf van 24 maanden wegens brandstichting in een AZC. De rechtbank acht bewezen dat daarbij sprake was van gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830017-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 14 december 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats],

niet als ingezetene ingeschreven in de basisregistratie personen en zonder

bekende feitelijke woon- of verblijfplaats,

thans gedetineerd te [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 5 en 30 november 2020.

Verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. M. Helmantel, advocaat te Sappemeer.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting telkens vertegenwoordigd door mr. L.G. de Graaf.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 17 januari 2020 te Ter Apel, gemeente Westerwolde, opzettelijk in een kamer (in woonunit 521) in Asielzoekerscentrum aan Ter Apelervenen brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met matras(sen), papier, doeken en/of andere goederen, althans met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die/dat matras(sen), papier, doeken, en/of andere goederen geheel of gedeeltelijk is/zijn verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van die woonunit/kamer en/of

belendende woonunits/kamer(s) en/of het Asielzoekerscentrum, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar voor in belendende woonunits/kamer(s) en/of in dat

Asielzoekerscentrum aanwezige personen, in elk geval levensgevaar voor een ander of anderen en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in belendende woonunits/kamer(s)

en/of in dat Asielzoekerscentrum aanwezige personen, in elk geval gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

althans, indien ter zake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij op of omstreeks 17 januari 2020 te Ter Apel, gemeente Westerwolde, opzettelijk en wederrechtelijk een/zijn kamer (woonunit 521 in Asielzoekerscentrum aan Ter Apelervenen) en/of een of meer matrassen/bedden, althans inventaris, vloer, en/of wanden van die kamer, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan COA, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de primair ten laste gelegde brandstichting met gevaar voor goederen en levensgevaar voor personen. Zij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte heeft bekend dat hij brand heeft gesticht op zijn kamer in het AZC en dat zowel uit zijn verklaring als uit de verklaring van getuige [getuige] blijkt dat er op het moment van de brand andere personen aanwezig waren in de betreffende woonunit van het AZC. Gelet hierop kan bewezen worden dat niet alleen sprake was van gevaar voor goederen, maar ook van gevaar voor personen.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 5 november 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb op 17 januari 2020 brand gesticht op mijn kamer in unit 521 in het AZC in Ter Apel. Dat deed ik door twee matrassen in brand te steken. Er was een aantal Georgiërs in die unit.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2020, opgenomen op pagina 17 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020016793 d.d. 7 februari 2020, inhoudend als relaas van verbalisant(en):

Proces-verbaal forensisch onderzoek woning ter Apelervenen 5 Ter Apel.

Het betrof een geschakeld gebouw met meerdere units hoek woonunit op de begane grond.

Boven en rechts naast deze unit bevonden zich op dezelfde wijze, ingerichte en bewoonde

units. Achter de voordeur bevond zich een gezamenlijk gang die toegang gaf tot een 4 tal

kamers, een douche, toilet en keuken.

Ik zag dat de gang licht beroet was. Ik rook een brandlucht in de gehele unit. Vanaf de voordeur bevond zich de toegangsdeur naar kamer 01. Ik zag in deze kamer dat er een beginnende brand had gewoed. De kamer was in zijn geheel zwaar beroet. Dit betrof de kamer van de verdachte [verdachte]. Achter de toegangsdeur van deze kamer stonden een

tweetal metalen kasten. Links van de toegangsdeur stonden twee eenpersoons bedden.

Op de bedden lagen matrassen. Ik zag dat in beide matrassen een brand had gewoed, er was een deel van de matrassen verbrand. Op beide matrassen zag ik deels verbrande stukken papier, - plastic en - stukken stof van theedoeken. Gezien het brandbeeld en de aangetroffen situatie concludeer ik dat er hier sprake is geweest van brandstichting. Er is gemeen gevaar voor goederen en personen geweest. Indien de brand niet tijdig was ontdekt zou deze zich hebben kunnen uitbreiden naar andere kamers en units.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 17 januari 2020 te Ter Apel, gemeente Westerwolde, opzettelijk in een kamer in woonunit 521 in Asielzoekerscentrum aan Ter Apelervenen brand heeft gesticht door open vuur in aanraking te brengen met matrassen, papier en doeken, ten gevolge waarvan die matrassen, papier, doeken zijn verbrand en daarvan gemeen gevaar voor de inventaris van die woonunit en belendende kamers en het Asielzoekerscentrum, en levensgevaar voor in belendende kamers en in dat Asielzoekerscentrum aanwezige personen, en gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor in belendende kamers en in dat Asielzoekerscentrum aanwezige personen te duchten was.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk brand stichten terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen en levensgevaar voor een ander te duchten is.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd de zaak aan te houden teneinde verdachte in het Pieter Baan Centrum (hierna: PBC) te laten observeren. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat zowel de psycholoog als de psychiater van het NIFP hebben gerapporteerd dat er sprake zou kunnen zijn van een paranoïde psychotisch toestandsbeeld bij verdachte. Door de gebrekkige medewerking van verdachte aan het door hen verrichtte onderzoek is hier onvoldoende zicht op, terwijl het recidiverisico door de reclassering hoog wordt ingeschat.

Subsidiair heeft de officier van justitie gevorderd dat verdachte ter zake van het primair ten laste gelegde wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft naar voren gebracht dat verdachte meent dat hij geen psychische stoornis heeft. De brandstichting moet worden gezien als een schreeuw om hulp. Verdachte is wel bereid om mee te werken aan een PBC opname. De raadsvrouw heeft geen strafmaatverweer gevoerd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en het psychiatrische onderzoek d.d. 22 juli 2020, het psychologisch onderzoek d.d. 28 oktober 2020, het trajectconsult d.d. 26 februari 2020, het reclasseringsrapport van Leger des Heils d.d. 23 oktober 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 14 oktober 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een brandstichting op zijn kamer in het AZC waar hij verbleef. Op dat moment waren er andere personen aanwezig in de belendende kamers en in de betreffende unit.

Verdachte’s asielaanvraag is afgewezen en de rechtbank maakt uit zijn verklaringen op dat het stichten van de brand een bewuste keus is geweest, kort gezegd ingegeven door zijn onvrede over hoe er met hem, en naar de rechtbank begrijpt met name ten aanzien van zijn asielaanvraag, wordt omgegaan. Verdachte heeft voorafgaand aan de brandstichting tegenover een medewerkster van het AZC gesproken over een protestactie met mogelijke gewelddadige gevolgen.

Verdachte heeft door zijn handelen gemeen gevaar voor goederen veroorzaakt en de levens van de aanwezige medebewoners in gevaar gebracht. Een brandstichting veroorzaakt bovendien gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving.

Dit is een ernstig strafbaar feit.

Verdachte is niet eerder onherroepelijk veroordeeld voor soortgelijke strafbare feiten.

Uit de over verdachte opgemaakte psychiatrische en psychologische rapportages in combinatie met het trajectconsult volgt dat er twijfels zijn omtrent de psychische toestand van verdachte. De deskundigen benoemen dat een (paranoïde) psychotisch beeld aan de orde zou kunnen zijn. Verdachte heeft echter niet meegewerkt aan het onderzoek, waardoor er geen (volledig) zicht op zijn psychische toestand is.

De rechtbank gaat er op basis van de genoemde rapportages in combinatie met de indruk die verdachte ter terechtzitting maakte, vanuit dat bij verdachte sprake is van een psychiatrisch toestandbeeld dat zijn handelen in enige mate beïnvloedt, ook ten tijde van het strafbare handelen. De rechtbank acht verdachte om deze reden verminderd toerekeningsvatbaar voor het bewezenverklaarde.

Nu de rechtbank op grond van het voorgaande al uitgaat van een verminderde toerekeningsvatbaarheid, evenals de officier van justitie bij het formuleren van haar eis, ziet de rechtbank geen aanleiding om verdachte te laten observeren in het PBC. Temeer nu mogelijke adviezen omtrent de afdoening van de zaak qua uitvoerbaarheid naar alle waarschijnlijkheid zullen afspringen op de vreemdelingenrechtelijke positie van verdachte. Mogelijkheden tot klinische behandeling zijn er, gezien de berichtgeving van de reclassering in ieder geval niet

Alles overwegend is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden passend en geboden is.

Benadeelde partij

Het COA is als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de niet-ontvankelijkheid van de benadeelde partij gevorderd. Er is een offerte toegevoegd aan het schadevergoedingsformulier, maar zonder nadere toelichting is onvoldoende duidelijk of deze offerte op de door verdachte veroorzaakte schade ziet.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat de benadeelde partij niet ontvankelijk in de vordering dient te worden verklaard. [naam] heeft een schadevergoedingsformulier ingediend namens het COA, maar er is geen uittreksel van de Kamer van Koophandel meegezonden waaruit volgt dat zij bevoegd is om het COA te vertegenwoordigen. Voorts constateert de rechtbank dat er geen bedrag is ingevuld op het schadevergoedingsformulier. Er is wel een offerte bijgevoegd, maar hierop worden diverse bedragen genoemd. Het is zonder toelichting dan ook niet duidelijk welk bedrag wordt gevorderd. Bovendien is er in het geheel geen onderbouwing gegeven van de diverse in de offerte genoemde bedragen.

Schorsing van het onderzoek om de benadeelde partij alsnog in de gelegenheid te stellen om de geconstateerde gebreken te herstellen, zal leiden tot een onevenredige belasting van het strafgeding en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De rechtbank zal de vordering daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 157 van het Wetboek van Strafrecht.

Dit voorschrift is toegepast, zoals deze ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens gold dan wel ten tijde van deze uitspraak geldt.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het primair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [naam] (COA) niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.M.L. Veen, voorzitter, mr. J. van Bruggen en mr. J. Edgar, rechters, bijgestaan door W. Brandsma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 14 december 2020.

Mr. Edgar is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.