Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4420

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
14-12-2020
Datum publicatie
14-12-2020
Zaaknummer
18/730079-19 ontneming
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, veroordeelt een vrouw uit Drachten tot een gevangenisstraf van twee jaren, waarvan een jaar voorwaardelijk.

De rechtbank acht bewezen dat de vrouw zich samen met haar man schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel gepleegd ten opzichte van een licht verstandelijk beperkte jongeman. Verdachte heeft het slachtoffer, die niet langer bij zijn moeder kon wonen, in huis genomen. Het slachtoffer deed - naast zijn fulltime baan - veel in het huishouden van verdachte, liet de honden uit en liep de krantenwijken van de kinderen. Hiervoor kreeg hij niets betaald, terwijl verdachte en zijn vrouw de bankrekening en bankpas van het slachtoffer beheerden en het salaris van het slachtoffer voor zichzelf en hun gezin benutten. Tevens werden contracten voor de huur van (huishoudelijke) apparaten, contracten bij Ziggo, abonnementen voor mobiele telefoons voor het hele gezin en kentekens van auto’s op naam van verdachte gezet en werden de daaruit voortvloeiende kosten van de rekening van verdachte betaald. Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan het medeplegen van witwassen van de verdiensten van de mensenhandel. Verdachte wordt tevens veroordeeld tot terugbetaling van een bedrag van € 20.667,30 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Zie ook: ECLI:NL:RBNNE:2020:4413.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/730079-19

beslissing van de meervoudige kamer d.d. 14 december 2020 op een vordering van de officier van justitie tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel

in de zaak tegen

[veroordeelde] ,

veroordeelde,

geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] , [straatnaam] .

Procesverloop

De officier van justitie heeft d.d. 4 maart 2020 schriftelijk gevorderd dat de rechtbank het bedrag vast zal stellen waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, vijfde lid, van het Wetboek van Strafrecht, wordt geschat en dat de rechtbank aan voornoemde veroordeelde de verplichting zal opleggen tot betaling aan de staat van een bedrag van € 39.097,07 ter ontneming van het uit het in de zaak met parketnummer 18/730079-19

voortvloeiende, wederrechtelijk verkregen voordeel.

De behandeling heeft plaatsgevonden ter terechtzitting van 30 november 2020.

De raadsman heeft aangevoerd dat het bedrag van € 18.430,77 (dat zou zijn betaald door [benadeelde partij] ) niet kan worden ontnomen, nu dit bedrag niet ziet op feiten waarvoor veroordeelde is veroordeeld. Het deel van de vordering dat ziet op betalingen gedaan van de rekening van [slachtoffer] , dient eveneens buiten beschouwing te worden gelaten, nu de betalingen ook (deels) rechtmatig zijn geweest, gelet op het feit dat [slachtoffer] bij veroordeelde in huis woonde.
De raadsman heeft verzocht om de gijzeling achterwege te laten, nu veroordeelde schulden heeft en reeds onder bewind staat.

Beoordeling

De rechtbank heeft veroordeelde bij vonnis van 14 december 2020 in de zaak met parketnummer 18/730079-19 veroordeeld ter zake van mensenhandel in vereniging gepleegd en het medeplegen van witwassen.

Op grond van de inhoud van wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan dat de veroordeelde voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van die door haar gepleegde strafbare feiten.

De rechtbank neemt als uitgangspunt voor de berekening van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel door middel van voormelde strafbare feiten wordt geschat, het rapport berekening schadevergoeding d.d. 11 maart 20191.

Dit levert de volgende berekening op:

Bankrekeningen [slachtoffer] € 17.848,35

Centraal Justitieel Incassobureau € 2.014,00

Openstaand saldo [bedrijf] € 474,04

Openstaand saldo Ziggo € 330,91

----------------------------------------------------------------------------------

Totale schadebedrag € 20.667,30

De rechtbank is met de raadsman van oordeel dat de eveneens in het rapport opgenomen post genaamd “bankrekeningen [benadeelde partij] ” niet in de berekening dient te worden betrokken. Veroordeelden zijn niet veroordeeld (noch vervolgd) voor enig feit waarvan [benadeelde partij] als slachtoffer heeft te gelden. Ook ziet de rechtbank in het rapport en in de rest van het dossier onvoldoende onderbouwing om aan te nemen dat het (volledige) bedrag door enig ander misdrijf is verkregen door veroordeelden.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de post “bankrekeningen [slachtoffer] ” eveneens te schrappen of matigen. De rechtbank overweegt in dit verband dat het merendeel van de betalingen van de rekening van [slachtoffer] ziet op maandelijks terugkerende afschrijvingen voor onder andere telefoonabonnementen, de huur van een garagebox, alsmede Ziggo en [bedrijf] , dit alles ten behoeve van veroordeelde en haar gezin. Tevens zijn er veelvuldig bedragen afgeschreven in hengelsportwinkels, garages en auto(banden)zaken en bij tankstations. Dit terwijl [slachtoffer] niet aan vissen doet (en medeveroordeelde [medeveroordeelde] wel) en [slachtoffer] geen rijbewijs heeft.

Voorts constateert de rechtbank dat in de berekening enkel de bankrekeninggegevens van [slachtoffer] vanaf juni 2017 zijn verwerkt, terwijl het bewezenverklaarde ziet op een veel langere periode. Het berekenen van het schadebedrag over de volledige pleegperiode zal naar alle waarschijnlijkheid dan ook een (veel) hoger bedrag opleveren, te meer nu veroordeelde niet heeft aangevoerd dat er voor 2017 sprake was van een andere (voor [slachtoffer] minder nadelige) situatie.

De rechtbank komt aldus tot het oordeel dat de veroordeelde, samen met haar medeveroordeelde, € 20.667,30 voordeel heeft genoten.

Uit de in de strafzaak gebezigde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat veroordeelde samen met de medeveroordeelde [medeveroordeelde] van strafbare feiten heeft geprofiteerd en dat zij beiden de beschikking hebben gehad over het wederrechtelijk verkregen voordeel. De rechtbank zal daarom het wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel voor het geheel toerekenen aan zowel veroordeelde als de medeveroordeelde en bepalen dat de ontnemingsmaatregel hoofdelijk wordt opgelegd.

De rechtbank ziet geen aanleiding het betoog van de raadsman met betrekking tot het niet opleggen van de gijzeling te volgen, nu op dit moment niet aannemelijk is geworden dat sprake is van een situatie waarin al vast staat dat veroordeelde nu en in de toekomst in het geheel niet in staat zal zijn terug te betalen

Toepassing van de wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

Beslissing

Stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 20.667,30.

Legt [veroordeelde] voornoemd de verplichting op tot betaling van een geldbedrag van € 20.667,30 (zegge: twintigduizendzeshonderdzevenenzestig euro en dertig eurocent) aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel, in dier voege, dat indien dit bedrag door medeveroordeelde [medeveroordeelde] geheel of gedeeltelijk is of wordt betaald, veroordeelde in zoverre is of zal zijn bevrijd..

Bepaalt de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd 135 dagen.

Deze uitspraak is gegeven door mr. O.J. Bosker, voorzitter, mr. A.H.M. Dölle en mr. M.B. de Wit, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 december 2020.

Mrs. Bosker en Van der Woude zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.

1 Opgenomen op pagina 530 e.v. van het dossier met nummer PL0100-2018126576, gesloten op 15 april 2019.