Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4405

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
08-12-2020
Datum publicatie
11-12-2020
Zaaknummer
18/302554-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland, locatie Leeuwarden, heeft op 8 december 2020 een verdachte veroordeeld voor overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Verdachte heeft op 21 september 2018 als bestuurder van een auto, gevaar op de weg veroorzaakt door te snel te rijden. Daarbij is hij in aanrijding gekomen met een fietser. De fietser is ten gevolge van deze aanrijding overleden. De rechtbank is van oordeel dat het ongeluk niet te wijten was aan schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 van voornoemde wet.

Aan verdachte werd een geldboete van € 750,00 en een voorwaardelijke rijontzegging voor de duur van twee maanden opgelegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/302554-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 8 december 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1998 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 24 november 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. P. Bonthuis, advocaat te Joure. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. H.J. Mous.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

primair

hij op of omstreeks 21 september 2018, te Kollumerzwaag, in de gemeente Kollumerland Ca

als verkeersdeelnemer, namelijk als bestuurder van een motorrijtuig (personenauto), daarmede rijdende over de weg, de Koarteloane,

zich zodanig heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden door roekeloos, in elk geval zeer, althans aanmerkelijk, onvoorzichtig en/of onoplettend,

met een snelheid van ongeveer 56 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 kilometer per uur en/of met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

niet in staat is geweest het door hem, verdachte, bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover de weg vrij was en waarover hij, verdachte de weg kon overzien

en/of

geen, in elk geval onvoldoende rekening heeft gehouden met een voor hem op de rijbaan van die Koarteloane rijdende fietser

immers is hij, verdachte, toen die voor hem rijdende fietser naar links ging afslaan, in elk geval naar links stuurde,

in plaats van op normale en veilige wijze af te remmen en/of snelheid te minderen en/of achter die fietser te blijven rijden, met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig tegen die fietser is aangereden of opgebotst,

waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) werd gedood, in elk geval waardoor een ander (genaamd [slachtoffer]) zodanig letsel en/of verwondingen heeft opgelopen, dat hij als gevolg van dat letsel en/of die verwonding(en) is overleden;

subsidiair

hij op of omstreeks 21 september 2018, te Kollumerzwaag, in de gemeente Kollumerland Ca,

als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de

Koarteloane,

met een snelheid van ongeveer 56 kilometer per uur, in elk geval met een hogere snelheid dan de ter plaatse toegestane snelheid van 30 kilometer per uur en/of met een te hoge snelheid voor een veilig verkeer ter plaatse,

niet in staat is geweest het door hem, verdachte, bestuurde voertuig tot stilstand te brengen binnen een afstand waarover de weg vrijs was en waarover hij, verdachte de weg kon overzien

en/of

geen, in elk geval onvoldoende rekening heeft gehouden met een voor hem op de rijbaan van die Koarteloane rijdende fietser

immers is hij, verdachte, toen die voor hem rijdende fietser naar links ging afslaan, in elk geval naar links stuurde,

in plaats van op normale en veilige wijze af te remmen en/of snelheid te minderen en/of achter die fietser te blijven rijden, met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig tegen die fietser is aangereden of opgebotst,

door welke gedraging(en) van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt, althans kon worden veroorzaakt, en/of het verkeer op die weg werd gehinderd, althans kon worden gehinderd.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het primair ten laste gelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen verklaard dat sprake is geweest van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onvoorzichtigheid. Het subsidiair ten laste gelegde kan wettig en overtuigend bewezen worden verklaard, aldus de officier van justitie.

Standpunt van de verdediging

Met de officier van justitie is de raadsman van oordeel dat verdachte moet worden vrijgesproken van het primair ten laste gelegde. Ten aanzien van het subsidiair ten laste gelegde heeft de raadsman zich gerefereerd.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 september 2020, proces-verbaalnr. 2018249699-6, opgenomen in het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2018249699-1 d.d. 16 december 2018, inhoudend als verklaring van verdachte:

Ik reed vandaag in de auto van mijn vader, een bruine Opel Astra station. Omstreeks 12.54 ben ik thuis aan de [straatnaam] te Kollummerzwaag in de auto gestapt. Ik reed over de Koarteloane. Ik zag toen dat een auto mij tegemoet kwam rijden. Ik zag voor mij een fietser op de rijbaan; deze reed in dezelfde richting als ik. Ik was op dat moment aan het afremmen. Toen de tegemoetkomende auto voorbij reed, accelereerde ik met mijn auto om de fietser aan de linkerzijde voorbij te rijden. Hoeveel gas ik erbij gaf, weet ik niet maar ik wilde er wel snel voorbij in verband met mogelijk tegemoetkomend verkeer. Plots zag ik dat de fietsende man een stuurbeweging naar links maakte zonder dat hij dit op enige wijze kenbaar maakte, net op het moment dat ik aan het versnellen was met de auto. Ik hoorde toen een enorme knal tegen het voorruit. Ik heb gelijk op de rem getrapt en een stuurbeweging naar links gemaakt om in een uiterste poging hem zoveel mogelijk te ontzien. Ik zag dat hij met zijn hoofd op dezelfde hoogte als mijn hoofd tegen het voorruit kwam.

Ik weet zo niet precies wat de snelheid daar is 30 km/uur of 50 km/uur. Ik heb niet op de teller gekeken.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal verkeersongevalsanalyse nummer 210918.3125.2543, d.d. 23 november 2018, opgenomen in voornoemd dossier, inhoudend als relaas van verbalisant [verbalisant]:

Op 21 september 2018 heb ik naar de toedracht van het verkeersongeval dat eerder die dag, omstreeks 13.00 uur had plaatsgevonden op de Koartloane te Kollummerzwaag, in de gemeente Kollummerland Ca., ter plaatse een onderzoek ingesteld.

Vraagstelling

A. Duidelijkheid verschaffen omtrent de mogelijke toedracht en het verloop van het ongeval.

B. Het vaststellen van de gereden snelheid van de personenauto.

C. Het voertuigtechnisch onderzoek van de betrokken voertuigen.

Conclusie

A. Het ongeval is waarschijnlijk te wijten aan een combinatie van factoren. Hoewel niet kon worden bewezen, is het mogelijk dat de fietser vrij abrupt naar links wilde afslaan en mogelijk daartoe geen richting had aangegeven. Anderzijds reed de automobilist te snel en hield onvoldoende rekening met de aanwezigheid van de fietser toen hij voornemens was deze te passeren. De automobilist had, indien hij zich had gehouden aan de maximum toegestane snelheid, het ongeval kunnen voorkomen.

B. De naderingssnelheid van de betrokken personenauto was zeer waarschijnlijk ongeveer 56 km/h. De ter plaatse toegestane maximumsnelheid van 30 km/h. werd daardoor overschreden.

C. De betrokken voertuigen verkeerden, voor zover kon worden vastgesteld, rijtechnisch in een voldoende staat van onderhoud en vertoonden geen gebreken of afwijkingen welke van invloed waren of konden zijn geweest op het ontstaan van dit ongeval.

Vermijdbaarheid-Analyse

Het ongeval had plaats gevonden in een 30 km/u. zone. De gereden snelheid van betrokken automobilist was in ieder geval ongeveer 56 km/u.

Op basis van deze gegevens werd onderzocht of de automobilist, indien hij 30 km/u. had gereden, het ongeval had kunnen voorkomen. Om tot een vermijdbaarheid-analyse te komen zal, buiten de snelheid, ook de reactietijd moeten worden bepaald en zal de botsplaats moeten worden meegenomen.

Hiertoe is gekozen voor de bestuurder van de auto zo “gunstig” mogelijk scenario. Immers als hij in het voor hem zo gunstig mogelijk scenario het ongeval had kunnen voorkomen, kan het in de andere (minder gunstige combinatie van rekenparameters), ook kunnen voorkomen.

Een voor de automobilist gunstige parameters zijn: Zo laag mogelijke snelheid (56 km/u), een zo korte maar reële reactietijd (0,8 sec.) en een zo kort mogelijke afstand tot botsen (aanvang remblokkeerspoor).

Feitelijk beperkt bovenstaande vermijdbaarheid zich tot de vraag of de automobilist binnen de afstand waarin hij had gereageerd, bij 30 km/u. wel tot stilstand had kunnen komen. In dit scenario is de gedraging en snelheid van de fietser van geen belang (statische vermijdbaarheid).

De automobilist had, met een reactietijd van 0,8 seconden, bij 56 km/u. 12,4 afgelegd. Dit is de afstand tussen het moment van reageren (perceptiepunt), tot aanvang rem/blokkeerspoor. Indien hij had gereden met een snelheid van 30 km/u. zou hij vanaf bovengenoemd perceptiepunt, met deze reactietijd én het maken van een noodstop, 11 meter hebben afgelegd.

Conclusie:

Dit betekent dat de automobilist bij de snelheid van 30 km/u., met gelijke reactietijd en remming, rekening houdend met de voorover bouw van het voertuig, een ongeval had kunnen voorkomen.

Eindconclusie

Vermoedelijke toedracht

De automobilist naderde de fietser van achteren. Gelet op de berekende snelheid naderde hij de fietser met een te hoge snelheid. Gelet op het sporenonderzoek is het zeer aannemelijk dat de fietser, op enig moment en waarschijnlijk kort voor of ter hoogte van perceel 47, een stuurbeweging naar links heeft gemaakt. Deze beweging van de fietser was voor de automobilist kennelijk gevaar zettend immers hij zette een noodremming in. Kort voor het feitelijk blokkeren van de voorwielen, had de bestuurder naar links gestuurd. Hierdoor bewoog het voertuig, tijdens de blokkeerfase, vanaf de rechterzijde van de rijbaan naar de linkerzijde. Of de fietser, kort voor of tijdens zijn manoeuvre naar links, richting had aangegeven met de linkerarm/hand, kon niet worden vastgesteld. Hoewel de beweging van de fietser mogelijk abrupt kan zijn geweest en ondanks dat de fietser mogelijk geen richting had aangegeven moet de oorzaak van het ongeval toch mede aan de gedraging van de automobilist worden toegeschreven. Hij reed met een te hoge snelheid en hield, ondanks zijn voornemen om de fietser in te halen, onvoldoende rekening met zijn snelheid en positie, in relatie tot die van de fietser. De automobilist had het ongeval kunnen voorkomen.

3. Een schouwverslag, op 21 september 2018 opgemaakt en ondertekend door mevr. A.E. Brinker, forensisch arts i.o. bij de GGD Fryslân, voor zover inhoudend, als haar verklaring:

Cliënt [slachtoffer]

Geboren op [geboortedatum]-1948

Datum/tijd schouw 21-09-2018 14:30 uur

Reden aanvraag aanwijzing voor niet natuurlijke dood

Overlijdensdatum 21-09-2018 13.40 uur

Evaluatie

Rijdende op de fiets aangereden door auto. Gereanimeerd door ambulance en MMT, maar uiteindelijk overleden. Er lijkt sprake te zijn geweest van schedelhersentrauma, uitwendige en inwendige bloedingen, welke hebben geleid tot het overlijden. Letsels zitten met name aan de linkerzijde van het lichaam en kunnen passen bij het aangereden worden door een auto. Geen aanwijzingen voor een onwelwording of misdrijf.

Conclusie

Niet-natuurlijk overlijden: ongeval

Overwegingen ten aanzien van vrijspraak en bewijs

Op 21 september 2018 heeft op de Koarteloane in Kollumerzwaag een verkeersongeval plaatsgevonden. Verdachte is met zijn auto tegen het slachtoffer [slachtoffer] gebotst die over de Koarteloane fietste. Het slachtoffer is door dit verkeersongeval overleden.

Voor een bewezenverklaring van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 moet vastgesteld worden dat verdachte zich zodanig in het verkeer heeft gedragen dat een aan zijn schuld te wijten verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Uit vaste jurisprudentie volgt dat het bij de beoordeling van de vraag of er sprake is van schuld gaat om het geheel van gedragingen van verdachte, de aard en ernst daarvan en de overige omstandigheden van het geval. Daarbij geldt dat in zijn algemeenheid niet valt aan te geven of één verkeersovertreding voldoende kan zijn voor bewezenverklaring van schuld. Ook geldt dat niet enkel uit de ernst van de gevolgen van het verkeersgedrag kan worden afgeleid dat sprake is van schuld. Van schuld in de zin van artikel 6 Wegenverkeerswet 1994 is pas sprake in het geval van een aanmerkelijke mate van verwijtbare onoplettendheid en/of onvoorzichtigheid.

De rechtbank hecht geen waarde aan de verklaring van verdachte dat hij met een snelheid van tussen de 30 en 40 kilometer per uur heeft gereden. Deze verklaring ziet niet op de snelheid kort voor het moment van de botsing, maar op de snelheid voorafgaand aan het moment waarop verdachte afremde vanwege de tegemoetkomende auto. De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte heeft verklaard dat hij niet wist wat de toegestane snelheid ter plaatse was en dat hij niet op de teller heeft gekeken. Uit de verkeersongevallenanalyse blijkt dat verdachte bijna twee keer de toegestane snelheid van 30 kilometer per uur heeft gereden, namelijk minstens 56 kilometer per uur en onvoldoende rekening hield met zijn snelheid en positie, in relatie tot die van de fietser. Dit is een ernstige verkeersfout. Van andere relevante verwijtbare gedragingen van de zijde van de verdachte is de rechtbank niet gebleken. De genoemde overtreding maakt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op de overige omstandigheden ter plaatse waaronder het onverwachts links afslaan van het slachtoffer, niet dat sprake was van roekeloos, dan wel (zeer) aanmerkelijk onvoorzichtig en/of onoplettend rijgedrag van verdachte. De rechtbank is daarom van oordeel dat het ongeluk dat plaatsvond op 21 september 2018 niet is te wijten aan schuld van de verdachte als bedoeld in artikel 6 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van het primair ten laste gelegde.

Voor de beantwoording van de vraag of het handelen van de verdachte een overtreding van artikel 5 WVW 1994 oplevert, overweegt de rechtbank als volgt. Uit het hiervoor overwogene volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte te hard heeft gereden en daardoor gevaar heeft veroorzaakt in de zin van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994. De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde, zoals hierna onder de bewezenverklaring aangegeven, dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het subsidiair ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

subsidiair

hij op 21 september 2018, te Kollumerzwaag, in de gemeente Kollumerland Ca, als bestuurder van een voertuig (personenauto), daarmee rijdende op de weg, de Koarteloane,

met een snelheid van ongeveer 56 kilometer per uur, onvoldoende rekening heeft gehouden met een voor hem op de rijbaan van die Koarteloane rijdende fietser, immers is hij, verdachte, toen die voor hem rijdende fietser naar links ging afslaan, met dat door hem, verdachte bestuurde motorrijtuig tegen die fietser opgebotst, door welke gedraging van verdachte gevaar op die weg werd veroorzaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

subsidiair

Overtreding van artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake het subsidiaire feit wordt veroordeeld tot een geldboete van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, alsmede tot een voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van twee maanden met een proeftijd van één jaar.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor toepassing van het jeugdstrafrecht. Hij heeft daartoe aangevoerd dat uit de rapportage van Reclassering Nederland blijkt dat verdachte ten tijde van het feit bij zijn vader woonde, pedagogisch beïnvloedbaar was, geen justitiële documentatie had en dat er geen mislukte maatregelen van toepassing waren. De eis van de officier van justitie is een passende eis, aldus de raadsman.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportage van de Reclassering Nederland d.d. 4 november 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft op 21 september 2018 als bestuurder van een auto, gevaar op de weg veroorzaakt door te snel te rijden. Daarbij is hij in aanrijding gekomen met een fietser. De fietser is ten gevolge van deze aanrijding overleden. De rechtbank is zich ervan bewust dat ter zake van verkeersongevallen waarbij een dode is te betreuren het aan de verdachte te maken verwijt en een daarbij passende straf in geen enkele verhouding staat tot het leed en het verdriet van de nabestaanden. Geen enkele rechtvaardige straf zal dat leed en verdriet ook maar bij benadering kunnen verzachten.

De rechtbank weegt voor verdachte in positieve zin mee dat hij verantwoordelijkheid heeft genomen voor de gevolgen van zijn handelen door contact te zoeken met de echtgenote van het slachtoffer.

Bij het bepalen van de straf heeft de rechtbank verder in aanmerking genomen dat verdachte geen strafblad heeft. Ook houdt de rechtbank rekening met het tijdsverloop van de zaak, nu het feit dateert van ruim twee jaar geleden.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of in het kader van het zogenoemde adolescentenstrafrecht (hierna: ASR) toepassing van het jeugdstrafrecht aan de orde is. Ten tijde van de feiten was verdachte 20 jaar oud, zodat in beginsel het commune (volwassenen) strafrecht dient te worden toegepast. Op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht kan de rechter adolescenten van 18 tot 23 jaar berechten op grond van het jeugdstrafrecht, indien hij daartoe grond vindt in de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

De rechtbank heeft acht geslagen op het rapport van de reclassering waaruit volgt dat de reclassering met de beschikbare informatie niet kan adviseren of toepassing van het jeugdstrafrecht wenselijk danwel noodzakelijk is. De reclassering geeft hierbij aan dat aan de ene kant er geen specifieke trainingen op verdachte van toepassing zijn die enkel onder het jeugdstrafrecht mogelijk zijn. Verdachte heeft zich in de twee jaar na het ongeluk verder ontwikkeld als adolescent zijnde. Ten tijde van het ongeluk woonde hij bij zijn vader, was er sprake van pedagogische beïnvloeding en was, en is er nog steeds, geen sprake van een pro-criminele houding. Ook is hij nooit eerder in beeld geweest bij politie en justitie en zijn er geen mislukte maatregelen van toepassing. Dit alles indiceert toepassing van jeugdstrafrecht. Aan de andere kant is er bij verdachte geen sprake van een verstandelijke beperking en is hij (steeds meer) in staat zijn leven zelfstandig te leiden.

De rechtbank ziet in het bovenstaande geen aanknopingspunten die zouden kunnen leiden tot toepassing van het jeugdstrafrecht.

Voorts blijkt uit voornoemd rapport dat verdachte nog steeds bij zijn vader woont en over een steunend sociaal netwerk beschikt. Verdachte heeft normaal gesproken een dagbesteding. Hij heeft geen schulden en er is geen sprake van middelenmisbruik. Daarnaast is er bij verdachte geen sprake van een sprake van een pro-criminele houding en neemt hij zijn verantwoordelijkheid.

Alles afwegende, acht de rechtbank oplegging van een geldboete van € 750,00, subsidiair 15 dagen hechtenis, passend en geboden. Daarnaast zal de rechtbank als bijkomende straf een voorwaardelijke ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van twee maanden met een proeftijd van één jaar aan verdachte opleggen. De rechtbank volgt hiermee de eis van de officier van justitie.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 5, 177 en 179 van de Wegenverkeerswet 1994.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

betaling van een geldboete ten bedrage van € 750,00 (zegge: zevenhonderdvijftig euro), bij gebreke van betaling en van verhaal te vervangen door 15 dagen hechtenis.

Ten aanzien van het subsidiaire feit voorts:

ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen -bromfietsen daaronder begrepen- voor de tijd van twee maanden.

Bepaalt dat deze bijkomende straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op één jaar, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd gedurende welke het rijbewijs van de veroordeelde vóór het tijdstip waarop de uitspraak voor wat betreft de bijkomende straf voor tenuitvoerlegging vatbaar is geworden, ingevorderd of ingehouden is geweest, op de duur van die bijkomende straf geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.B. de Wit, voorzitter, mr. J.Y.B. Jansen en mr. J.H.S. Kroeze, rechters, bijgestaan door D.P. Postma-Westerhof, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 8 december 2020.

Mr. Jansen en de griffier zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.