Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4341

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
02-12-2020
Datum publicatie
08-12-2020
Zaaknummer
17163903
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

RvdK adviseert uitgekleed gezag. De rechtbank acht daarvoor geen wettelijke basis aanwezig en verzoekt om aanvullend advies RvdK op dit punt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2021/43.24
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Leeuwarden

zaak-/rekestnummer: C/17/163903 / FA RK 18-1329

beschikking van de enkelvoudige kamer d.d. 2 december 2020

inzake

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de vrouw,

advocaat mr. H.W. de Jong, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna ook te noemen de man,

advocaat mr. J.G. Miedema, kantoorhoudende te Heerenveen.

1 Het procesverloop

1.1.

Bij beschikking van 24 juli 2019, waarvan de inhoud als herhaald en ingelast dient te worden beschouwd, heeft de rechtbank de zaak voor wat betreft het gezag, de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken en de kinderalimentatie aangehouden in afwachting van een hulpverleningstraject bij het Kenniscentrum Kind & Echtscheiding (het KKE).

1.2.

Na 24 juli 2019 heeft de rechtbank kennis genomen van:

- de afsluitbrief van het KKE van 15 april 2020,

- de brief met bijlage van de vrouw van 25 mei 2020,

- de brief van de man van 25 mei 2020,

- het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de RvdK) van 15 oktober 2020,

- de brief van de vrouw van 2 november 2020,

- de brief van de man van 2 november 2020.

2 De verdere beoordeling

afsluitbrief KKE

2.1.

In de afsluitbrief valt te lezen dat de ouders er niet in zijn geslaagd tot een vorm van communicatie te komen zonder strijd en onderlinge verwijten. Het is partijen niet gelukt om in het belang van de kinderen op één lijn te komen en afspraken te maken in het belang van de kinderen. Los van individuele adviezen aan de ouders geeft het KKE de ouders mee om de kinderen centraal te zetten en hun te bevrijden uit hun loyaliteitsgevoel en het gevoel te moeten kiezen tussen hun ouders. De kinderen houden van beide ouders evenveel. Het KKE adviseert de RvdK te laten onderzoeken welke factoren van invloed zijn op het contactverlies en wie daar welk aandeel in heeft. Vervolgens is het dan de vraag hoe daarnaar gehandeld moet en kan worden, zo besluit het KKE.

advies RvdK

2.2.

In het onderzoek van de RvdK hebben de kinderen aangegeven dat zij getuige zijn geweest van huiselijk geweld van hun vader jegens hun moeder en jegens de kinderen, iets wat door de man wordt ontkend en in een ander perspectief wordt geplaatst. Het gezamenlijk verleden van de ouders werkt belemmerend in de communicatie en hun samenwerking. De man is bepalend en de vrouw is afhankelijk van zijn toestemming om samen met de kinderen op vakantie naar [land] te gaan. De kinderen wordt geconfronteerd met de onenigheid tussen hun ouders. Mede door hun eigen ervaringen met hun vader stellen zij zich loyaal op ten opzichte van hun moeder. Zij nemen het hun vader voorts kwalijk dat hij financieel niets bijdraagt in hun opvoeding. Hoewel de RvdK begrijpt dat de vrouw het gezamenlijk gezag wil beëindigen omdat ze nu afhankelijk is van de toestemming van de man en zich belemmerd voelt, is dit voor de RvdK onvoldoende reden om het gezamenlijk gezag te beëindigen. De RvdK ziet een oplossing voor dit probleem in de vorm van uitgekleed gezag. Dit betekent in de praktijk dat de man de bevoegdheden die betrekking hebben op medische zorg, gezinsvakanties in [land] , inschrijvingen op een andere school (van toepassing op [kind 3] ) en de dagelijkse verzorging en opvoeding van de kinderen voor de duur van de minderjarigheid alvast aan de verzorgende moeder delegeert. De RvdK verwacht dat de spanningen tussen de ouders hierdoor zullen verminderen, waardoor de kinderen meer rust ervaren en minder aangesproken zullen worden op hun loyaliteit ten opzichte van de verzorgende ouder. De RvdK adviseert de rechtbank daarom het gezamenlijk gezag in stand te laten en de hiervoor aangegeven bevoegdheden op te nemen in een beschikking.

2.3.

Ten aanzien van de zorgregeling tussen de man en [kind 1] , [kind 2] en [kind 3] merkt de RvdK op dat met name [kind 1] en [kind 2] in toenemende mate afstand nemen van hun vader. De RvdK sluit niet uit dat hun eigen negatieve ervaringen met hun vader en hun loyaliteit richting hun moeder maken dat zij stellig aangeven geen enkel contact met hun vader te willen. [kind 3] gaat eens per twee weken een weekend naar zijn vader, maar ziet tegelijkertijd dat zijn oudere broers geen contact met hun vader willen. Ook [kind 3] geeft nu aan dat hij het minder leuk vindt om naar zijn vader toe te gaan. De man heeft geen tijd voor hem en is onvoorspelbaar in het nakomen van de omgangsafspraken, zo geeft hij aan. De RvdK acht het niet in het belang van [kind 1] en [kind 2] dat zij geen contact hebben met hun vader, maar mede door hun leeftijd (17 en 14 jaar) vindt de RvdK het niet wenselijk ze te dwingen het contact met hun vader aan te gaan. Wel hebben beide een verantwoordelijkheid op dit vlak. De vrouw dient de kinderen te blijven stimuleren en ze emotioneel toestemming te verlenen om naar hun vader te (blijven) gaan. De man dient de gemaakte afspraken met [kind 3] strikt na te komen, en fysiek en emotioneel beschikbaar te zijn tijdens de omgang. De man heeft daarnaast de taak om ook in het contact met [kind 1] en [kind 2] te blijven investeren door betrokkenheid te tonen bij relevante gebeurtenissen in het leven van de kinderen, zodat het vertrouwen van de kinderen in hun vader kan herstellen. Concreet adviseert de RvdK de rechtbank voor [kind 3] een zorgregeling vast te stellen waarbij hij eens per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij zijn vader verblijft. De kleine schoolvakanties en feestdagen worden door de helft gedeeld. Tijdens de zomervakantie mag [kind 3] met zijn moeder naar familie in [land] . De RvdK adviseert om voor [kind 1] en [kind 2] geen zorgregeling vast te stellen, gelet op hun verstoorde band met hun vader en hun leeftijd.

reacties partijen

2.4.

De man stemt in met het advies van de RvdK. Hij verzoekt dienovereenkomstig te beslissen, waarbij hij persisteert bij zijn verzoek tot afwijzing van de nog niet afgedane verzoeken van de vrouw.

2.5.

De vrouw kan zich niet vinden in het advies met betrekking tot het gezag over de kinderen. Uit het rapport van de RvdK blijkt naar de mening van de vrouw duidelijk dat er op geen enkel vlak communicatie en samenwerking is tussen partijen. Het door de RvdK geadviseerde uitgeklede gezag zal de spanningen tussen partijen niet verminderen en kinderen zullen hier alsnog het een en ander van mee krijgen. Daarbij wordt het uitgekleed gezag niet ingeschreven in het gezagsregister, zodat externe partijen (zorgprofessionals, de douane) daar geen kennis van kunnen nemen. Voor een vakantie naar het buitenland heeft de vrouw bijvoorbeeld nog steeds een ingevuld toestemmingsformulier van de man nodig. De vrouw verwijst naar een uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 25 maart 2020 waarbij reeds is aangegeven dat er geen wettelijke basis is voor uitgekleed gezag. De vrouw verzoekt het advies ten aanzien van het gezag niet te volgen en het verzoek van de vrouw om het gezamenlijk gezag te beëindigen en haar te belasten met het eenhoofdig gezag, toe te wijzen.

De vrouw kan instemmen met het advies van de RvdK voor zover dat ziet op de zorgregeling tussen de man en de kinderen.

de beoordeling

2.6.

De rechtbank overweegt als volgt. De vorm van uitgekleed gezag zoals die door de RvdK wordt geadviseerd, is in de rechtspraak ontwikkeld om een tussenvorm tussen gezamenlijk en eenhoofdig gezag te vinden in een poging een van de ouders een bepaalde rechtspositie te geven, als de daadwerkelijke gezamenlijke gezagsuitoefening niet haalbaar is, omdat het kind dan klem komt te zitten tussen de ouders. Voor zover deze mogelijkheid al een oplossing zou kunnen bieden in een situatie als de onderhavige; de wet kent geen civielrechtelijke ‘uitgekleed' gezag. Zoals terecht door de vrouw is opgemerkt, kunnen als gevolg daarvan dergelijke beslissingen dan ook niet als een aparte categorie in het Centraal Gezagsregister worden geregistreerd. Het is naar het oordeel van de rechtbank vanwege de functie van het Centraal Gezagsregister onwenselijk dat het raadplegen van dit register daardoor niet de juiste informatie oplevert met als gevolg dat er naar de buitenwereld onduidelijkheid kan ontstaan over de daadwerkelijke juridische positie van de ouders. De rechtbank zal het advies van de RvdK op dit onderdeel dan ook niet volgen. De rechtbank zal de RvdK opdragen aanvullend onderzoek te verrichten en de rechtbank nader te adviseren over de noodzaak van beëindiging van het gezamenlijk gezag, zoals dat door de vrouw is verzocht, rekening houdend met de omstandigheid dat uitgekleed gezag geen optie is. Partijen zullen vervolgens in de gelegenheid worden gesteld te reageren op het aanvullende advies van de RvdK.

2.7.

Ten aanzien van de zorgregeling constateert de rechtbank dat beide partijen het eens zijn met het advies van de RvdK, waarbij de man zijn verzoek in die zin heeft aangepast. De rechtbank zal het advies van de RvdK overnemen, waarbij de rechtbank met de RvdK van oordeel is dat beide ouders hun verantwoordelijkheid dienen te nemen in het contact tussen de man en de drie kinderen.

2.8.

De rechtbank dient voorts nog een beslissing te nemen op de door de vrouw verzochte kinderalimentatie van € 175,- per kind per maand. De rechtbank zal partijen opdragen de meest recente financiële stukken in te dienen, op basis waarvan de kinderalimentatie vastgesteld kan worden. In ieder geval dienen partijen een actuele draagkrachtberekening (opgemaakt met inachtneming van de Tremanormen en met alle daaraan ten grondslag liggende bescheiden, voor zover nog niet ingediend) over te leggen. De rechtbank merkt daarbij op dat de berekening die in het kader van het treffen van voorlopige voorzieningen is gemaakt, zoals opgenomen in de beschikking van 11 juli 2019, in beginsel als uitgangspunt zal dienen, met dien verstande dat in het kader van deze procedure van de meest recente financiële gegevens dient te worden uitgegaan.

3 De beslissing

De rechtbank:

3.1.

bepaalt voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt:

- [kind 3] verblijft eens per twee weken van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur bij zijn vader. De kleine schoolvakanties en feestdagen worden door de helft gedeeld;

3.2.

verwijst de zaak voor het gezag en de kinderalimentatie naar de zitting van maandag 15 maart 2021, voor een pro forma behandeling;

3.3.

stelt de stukken in handen van de Raad voor de Kinderbescherming, locatie Leeuwarden, met de opdracht om:

a. aanvullend onderzoek te doen naar het gezag over de kinderen, onder verwijzing naar overweging 2.6.; en

b. de rechtbank uiterlijk op maandag 1 maart 2021 te rapporteren en te adviseren, althans te berichten over de voortgang van het onderzoek;

3.4.

bepaalt dat partijen uiterlijk maandag 15 maart 2021 schriftelijk dienen te berichten omtrent hun actuele standpunten ten aanzien van het gezag over de kinderen;

3.5.

draagt partijen op uiterlijk maandag 15 maart 2021 de meest recente stukken in te dienen ten aanzien van de kinderalimentatie, waaronder in ieder geval een actuele draagkrachtberekening (opgemaakt met inachtneming van de Tremanormen en met alle daaraan ten grondslag liggende bescheiden, voor zover nog niet ingediend);

3.6.

bepaalt voorts dat de zaak vervolgens in beginsel op de stukken zal worden afgedaan;

3.7.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven te Leeuwarden door mr. C.W. Couperus-van Kooten, lid van de kamer, tevens kinderrechter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op woensdag 2 december 2020 in tegenwoordigheid van de griffier.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat. worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

fn: 631