Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4329

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
16-03-2020
Datum publicatie
07-12-2020
Zaaknummer
C/18/197043 PR RK 20-33
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Wraking wegens een procedurele beslissingen,

Verzoek is afgewezen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

zaaknummer: C/18/197043 PR RK 20-33

beslissing van de meervoudige kamer van 16 maart 2020

op het verzoek tot wraking ingevolge artikel 36 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker,

advocaat: mr. E. Gürcan, gevestigd te Arnhem.

1 Procesverloop

1.1.

Ter zitting van 4 februari 2020 heeft verzoekster een verzoek ingediend tot wraking van de rechter in de procedures met nummers C/18/195121 / FA RK 19-2821, C/18/195324 /

FA RK 19-2915 en C/18/195503 / JE RK 19-818 (aanhangig bij deze rechtbank, afdeling Privaatrecht, locatie Groningen) waarbij verzoeker als vader als partij is betrokken.

1.2.

De betreffende rechter, mr. F. Brekelmans, heeft bij brieven van 10 februari 2020 en 13 februari 2020 gemotiveerd aangegeven dat zij niet berust in het wrakingsverzoek.

1.3.

Op 10 maart 2020 is het wrakingsverzoek behandeld ter zitting van de wrakingskamer van de rechtbank. Op deze zitting waren aanwezig verzoeker, bijgestaan door zijn advocaat. Tevens was als toehoorder aanwezig mr. F. Gosselaar namens de moeder die als partij is betrokken bij de onder 1.1. genoemde procedures. Mr. Brekelmans was met kennisgeving afwezig.

1.4.

Ter zitting hebben verzoeker en zijn advocaat het standpunt van verzoeker met betrekking tot het wrakingsverzoek toegelicht.

1.5.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 Overwegingen

2.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

2.2.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad dient bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden en artikel 14 lid 1 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten voorop te staan dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van verzoeker is niet doorslaggevend.

2.3.

Uit het van de zitting van 4 februari 2020 opgemaakte proces-verbaal, in combinatie met de ter zitting van de wrakingskamer op 10 maart 2020 gegeven toelichting, blijkt dat het wrakingsverzoek, samengevat, is gestoeld op de volgende gronden. In een eerdere procedure heeft mr. Brekelmans een beslissing genomen waarmee verzoeker het niet eens is, omdat deze beslissing mede is gebaseerd op een rapport van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: het rapport) waartegen verzoeker een klacht heeft ingediend. Mr. Brekelmans was van de klacht op de hoogte, doch heeft het rapport desondanks bij haar beoordeling betrokken. Ter zitting van 4 februari 2020 heeft verzoeker, zo stelt hij, mr. Brekelmans in de gelegenheid gesteld, hiervoor haar excuses aan te bieden. Tevens heeft hij haar verzocht in de drie zaken die op die zitting zouden worden behandeld het rapport buiten beschouwing te laten. Omdat mr. Brekelmans geen excuses aanbood en geen uitsluitsel wilde geven over de vraag of zij het rapport al dan niet buiten beschouwing zou laten, heeft verzoeker besloten om mr. Brekelmans te wraken, aldus verzoeker. Door de handelwijze van mr. Brekelmans heeft zij volgens verzoeker blijk gegeven van vooringenomenheid.

2.4.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.5.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413), blijkt het volgende:

“3.3. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen in strafzaken brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing als zodanig nimmer grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Het gerecht dat over het wrakingsverzoek moet oordelen (de wrakingskamer) komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing noch over het verzuim te beslissen. Dat oordeel is voorbehouden aan de rechter die in geval van de aanwending van een rechtsmiddel belast is met de behandeling van de zaak.”

2.6.

Ook in civiele zaken als de onderhavige kan naar het oordeel van de rechtbank een rechterlijke (tussen)beslissing, evenals de weigering om die beslissing te nemen, als zodanig nimmer grond vormen voor wraking.

2.7.

Voor zover verzoeker het niet eens is met de beslissing die mr. Brekelmans in de eerdere procedure heeft genomen, dient hij daartegen hoger beroep in te stellen. Dat heeft hij inmiddels ook gedaan en de procedure in hoger beroep loopt nog, zo heeft zijn advocaat ter zitting van de wrakingskamer meegedeeld. Die beslissing van mr. Brekelmans kan derhalve geen grond vormen voor wraking.

2.8.

De gestelde weigering van mr. Brekelmans om ter zitting van 4 februari 2020 reeds te beslissen of zij het rapport al dan niet zal betrekken bij haar beoordeling van de drie zaken die op die zitting zouden worden behandeld, kan evenmin een grond vormen voor wraking. Wraking is immers geen verkapt rechtsmiddel om (de weigering van) een (tussen)beslissing aan te vechten.

2.9.

Gelet op het vorenstaande is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van uitzonderlijke omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat mr. Brekelmans jegens verzoeker een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij verzoeker dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is, waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen leiden.

2.10.

Het onderhavige wrakingsverzoek wordt daarom afgewezen.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    wijst het verzoek af;

  • -

    bepaalt dat de procedures in de hoofdzaken (met zaaknummers C/18/195121 / FA RK

19-2821, C/18/195324 / FA RK 19-2915 en C/18/195503 / JE RK 19-818) worden voortgezet in de stand waarin deze zich bevonden ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

- beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan mr. Gürcan, mr. Brekelmans, mr. Gosselaar, de Raad voor de Kinderbescherming, de pleegouders en de William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering.

Deze beslissing is gegeven door mrs. M. Sanna, voorzitter, Th.A. Wiersma en A. Jongsma, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier en in het openbaar uitgesproken op 16 maart 2020.

typ: 692