Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:421

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
04-02-2020
Datum publicatie
04-02-2020
Zaaknummer
18/237463-19
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens het telen en verwerken van hennep tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/237463-19

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 4 februari 2020 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] 1947 te [geboorteplaats],

wonende te [straatnaam], [woonplaats].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van

21 januari 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.C. van Linde, advocaat te Groningen.

Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. M. Scharenborg.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij in of omstreeks de periode van 26 december 2017 tot en met 6 februari 2018, te Scheemda, in de gemeente Oldambt,

tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,

in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [straatnaam])

een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 7229,5 gram hennep en/of ongeveer 250, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep,

zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,

dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het feit.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het bewijs.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 21 januari 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aantreffen hennepkwekerij d.d. 8 februari 2018, opgenomen op pagina 5 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018031101 van 20 februari 2018, inhoudend het relaas van verbalisanten;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 7 februari 2018, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant.

Op grond van voorgaande bewijsmiddelen is de rechtbank van oordeel dat het ten laste gelegde feit kan worden bewezen, met dien verstande dat de rechtbank niet bewezen acht dat sprake is van medeplegen, nu dit onvoldoende uit het dossier is gebleken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij in de periode van 26 december 2017 tot en met 6 februari 2018, te Scheemda, in de gemeente Oldambt, opzettelijk heeft geteeld en verwerkt (in een pand aan de [straatnaam]) een hoeveelheid van in totaal 7229,5 gram hennep en/of ongeveer 250 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden, met een proeftijd van 3 jaren.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de geëiste straf passend is.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende enkele weken schuldig gemaakt aan het telen en verwerken van hennep in de bedrijfsruimte van zijn woning. De politie heeft ruim 7 kilo hennep aangetroffen die afkomstig was uit zijn eigen hennepkwekerij. Het gebruik van hennep heeft schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid. Daarnaast worden met het kweken van hennep grote illegale winsten behaald en gaat de handel in softdrugs vaak gepaard met andere vormen van criminaliteit.

De rechtbank neemt voorts in aanmerking dat verdachte gezondheidsproblemen heeft en dat hij, mede gelet op zijn leeftijd, onvoldoende in staat is om een taakstraf uit te voeren. Daarnaast houdt de rechtbank ten voordele van verdachte rekening met het tijdsverloop.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden zoals geëist door de officier van justitie passend en geboden is.

In beslag genomen goederen

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat alle in beslag genomen goederen verbeurd verklaard dienen te worden, nu dit voorwerpen zijn die door middel van het strafbare feit zijn verkregen.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de in beslag genomen goederen.

Oordeel van de rechtbank

Uit de beslaglijsten volgt dat er beslag op grond van artikel 94 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is gelegd op een geldbedrag van € 51.050,-- en dat op dit bedrag, en tevens op een tweetal andere goederen, conservatoir beslag rust op grond van artikel 94a Sv.

De rechtbank acht het in beslag genomen geldbedrag van € 51.050,-- niet vatbaar voor verbeurdverklaring. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat dit geldbedrag door middel van het thans bewezen verklaarde strafbare feit is verkregen en evenmin kan worden vastgesteld dat sprake is van een van de andere criteria zoals genoemd in artikel 33a, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Nu op de overige goederen op de beslaglijst conservatoir beslag rust, zal de rechtbank hierover geen beslissing nemen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b en 14c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 3 en 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden.

Bepaalt dat deze gevangenisstraf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.R. Bracht, voorzitter, mr. O.J. Bosker en

mr. M.N. Noorman, rechters, bijgestaan door mr. B.E. Oosterhout, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 4 februari 2020.

Mr. Noorman is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.