Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4197

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
03-12-2020
Datum publicatie
10-12-2020
Zaaknummer
AWB LEE - 17 _ 2740
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de bedragen van de premie volksverzekeringen door verweerder juist zijn vastgesteld voor het jaar 2012. Meer specifiek gaat het om de periode 1 juli 2012 tot 31 december 2012.

Omdat eiser vanaf 1 juli 2012 voor een Cypriotische werkgever werkzaam is, moet het op hem toepasselijke socialezekerheidsrecht voor de periode vanaf 1 juli 2012 bepaald worden aan de hand van de aanwijsregels van Vo 883/2004.

Omdat eiser stelt dat - in afwijking van hetgeen uit het Nederlandse wetgeving volgt - de Nederland socialezekerheidswetgeving niet op hem van toepassing is, rust op hem de bewijslast ten aanzien van de feiten en omstandigheden waaruit dat volgt. Eiser moet daarom aannemelijk maken dat hij minder dan 25% van zijn arbeidstijd in Nederland heeft verricht.

Eiser slaagt niet in de op hem rustende bewijslast. Naar het oordeel van de rechtbank maakt eiser met de afschriften van een vaartijdenboek dat ziet op het jaar 2013, en zijn eigen verklaring dat voor 2012 eenzelfde vaarbeeld geldt, niet aannemelijk dat hij in 2012 minder dan 25% van zijn arbeidstijd in Nederland heeft verricht.

De rechtbank oordeelt vervolgens dat er in eisers geval artikel 73 van Vo 987/2009 geen rechtsgrond biedt voor verrekening van op zijn Cypriotische loon ingehouden premies met de Nederlandse premieheffing.

Eiser heeft vervolgens gesteld dat de door zijn Cypriotische werkgever ingehouden premies als voorheffing verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing of dat deze premies in aftrek moeten worden gebracht op grond van artikel 3.16 van de Wet IB.

De rechtbank oordeelt dat alleen Nederlandse premies volksverzekeringen voor verrekening in aanmerking komen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Cypriotische werkgever premies voor de Nederlandse volksverzekeringen heeft ingehouden.

Artikel 3.16 ziet op de bepaling van de fiscale winst. Er is geen grond om dit artikel ook toe te passen ter bepaling van het belastbaar loon. Er is dus geen grond voor verrekening van de door de Cypriotische werkgever ingehouden premies.

De beroepen zijn ongegrond.

Eiser krijgt wel een immateriële schadevergoeding en proceskostenvergoeding omdat de (beroeps)procedure te lang heeft geduurd. De immateriële schadevergoeding bedraagt € 3.500. Dat gemachtigde van eiser in de bezwaarfase meerdere malen uitstel heeft verzocht voor het motiveren van het bezwaarschrift is in dit geval geen reden voor het verlengen van de redelijke termijn. Enkele de instemming van eisers gemachtigde met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar is geen bijzondere omstandigheid op grond waarvan de redelijke termijn wordt verlengd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 10-12-2020
FutD 2020-3707
NTFR 2020/3732
V-N Vandaag 2020/3116
V-N 2021/12.2.1
NLF 2020/2814 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 17/2740

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 3 december 2020 in de zaak tussen

[eiser] , te [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. [gemachtigde van eiser] ),

en

de inspecteur van de Belastingdienst/kantoor Eindhoven, verweerder

(gemachtigde: mr. [gemachtigde van verweerder] ).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de Minister voor Rechtsbescherming (de Minister).

Procesverloop

Verweerder heeft voor het jaar 2012 met dagtekening 2 mei 2015 aan eiser een aanslag opgelegd in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 66.821. Tegelijk met dit besluit heeft verweerder bij beschikking een bedrag van € 415 aan belastingrente in rekening gebracht.

Bij uitspraak op bezwaar van 7 juli 2017 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Eiser en verweerder hebben vóór de zitting nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 september 2020. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.

De rechtbank heeft na afloop van de zitting het onderzoek geschorst.

De rechtbank heeft eiser bij brief van 25 september 2020 een termijn van vier weken gesteld voor het overleggen van nadere stukken, zijnde naheffingsaanslagen loonheffingen. Op verzoek van eiser heeft de rechtbank bij brief van 22 oktober 2020 de termijn voor het overleggen van de nadere stukken met vier weken verlengd. Eiser heeft vervolgens bij fax van 18 november 2020 de rechtbank later weten dat de naheffingsaanslagen loonheffingen geen betrekking hebben op het jaar 2012.

De rechtbank heeft het onderzoek op 20 november 2020 gesloten.

Overwegingen

Feiten

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

1.1.

Eiser is geboren op [geboortedatum] . Eiser woonde in 2012 in Nederland, en heeft de Nederlandse nationaliteit.

1.2.

Eiser was van 1 januari 2012 tot en met 31 mei 2012 in dienstbetrekking werkzaam bij [naam werkgever 1] , gevestigd te Nederland. Eiser voerde zijn werkzaamheden in deze periode uit op het binnenvaartschip [naam schip 1] .

1.3.

Eiser was van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 in dienstbetrekking werkzaam bij [naam werkgever 2] , gevestigd te Cyprus. Eiser voerde zijn werkzaamheden in deze periode uit op het binnenvaartschip [naam schip 2] . De [naam schip 2] werd ingezet voor het vervoer van goederen in de binnenwateren van de Rijnoeverstaten.

1.4.

In arbeidsovereenkomst tussen eiser en [naam werkgever 2] is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:

Contract of employment

Between [naam werkgever 2] (…) here after referred to as Employer

and

[eiser] , (…) here after referred to as employee:

1. The employement contract concludes the following terms and conditions.

2. The employer provides the employee per 01.07.2012 for an indefinite period, after a probationary period of 3 months, for the profession as a sailor on a river boat.

3. The gross monthly salary is € 4170,48 Euro.

(…)

7. The work is on any river boat only (not on sea trips), which sail solely or mainly in inland- or seaports, which is used by the employer.

(…)

12. The Employee will immediately inform the Employer by registered letter if the Employee carries out more than 25% of his work in his country of residence.

1.5.

Eiser heeft in de bezwaarfase en bij zijn beroepschrift afschriften van een vaartijdenboek dat ziet op het jaar 2013 overgelegd. In dit vaartijdenboek komen onder meer de namen ‘ [achternaam eiser, geen voorletter] ’, ‘ [achternaam eiser, andere voorletter] ’ en ‘ [op eisers achternaam gelijkende achternaam, andere voorletter] ’ voor. De plaatsen die volgens het vaartijdenboek veelvuldig aangedaan worden zijn onder meer Kehl (Duitsland), Mannheim (Duitsland), Hattersheim (Duitsland) en Mainz (Duitsland). Daarnaast worden minder frequent onder meer de volgende plaatsen aangedaan: Straatsburg (Frankrijk), Nijmegen (Nederland), Duisburg (Duitsland), Amsterdam (Nederland), Rotterdam (Nederland) en Utrecht (Nederland).

1.6.

Eiser heeft per e-mail van 23 november 2015 aan zijn gemachtigde een deel van het vaartijdenboek over 2013 gezonden. Daarbij schrijft hij:

Goedendag

Ik zend vanaf het schip een aantal afbeeldingen aan U toe.

Het zijn o.a. afbeeldingen van het vaartijdenboek van de [naam schip 2] .

Echter is dit van de periode in 2013 !!! , het vaartijdenboek van 2012 is weg.

Voor gebruikte vaartijdenboeken geldt een bewaartermijn van 12 maanden

2013 geeft echter wel hetzelfde vaarbeeld als 2012

Bijgaand ook een arbeidsovereenkomst

Tot horens,

[eiser]

1.7.

Door [naam werkgever 2] is aan eiser een ‘EMOLUMENTS CERTIFICATE FOR THE YEAR * 2012’ verstrekt. Op dit document staat een bedrag van € 25.023 vermeld als inkomen en een bedrag van € 1.702 onder ‘DEDUCTIONS OR CONTRIBUTIONS’ bij de post ‘Social Insurance fund’. Uit de door [naam werkgever 2] aan eiser verstrekte loonopgave van december 2012 volgt dat deze inhouding ‘Caisse de pension 6,8%’ betreft (6,8% van € 25.023 = € 1.702).

Geschil

2. Primair is in geschil of het bedrag van de verschuldigde premie volksverzekeringen door verweerder juist is vastgesteld. Meer specifiek gaat het daarbij om de vraag of eiser over de periode 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 verplicht verzekerings- en premieplichtig is voor de Nederlandse volksverzekeringen.

3. Subsidiair in geschil of de op het Cypriotische loon ingehouden premies op grond van artikel 73, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 987/2009 van het Europees parlement en de Raad van 16 september 2009 tot vaststelling van de wijze van toepassing van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (ook wel aangeduid als de toepassingsverordening, hierna: Vo 987/2009) verrekend moeten worden met de Nederlandse premieheffing.

4. Meer subsidiair is in geschil of er sprake is van voorheffingen die in mindering gebracht moeten worden op de aanslag IB/PVV 2012.

5. Meest subsidiair is in geschil of de Cypriotische premies op grond van artikel 3.16, negende lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) in aftrek gebracht moeten worden bij de bepaling van het belastbaar loon.

6. Niet in geschil is dat verweerder eiser voor de periode 1 januari 2012 tot en met 30 juni 2012 terecht in de premieheffing voor de volksverzekeringen heeft betrokken.

Beoordeling

Primaire geschilpunt: premieplicht 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012

7. Eiser stelt dat over de periode 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 ten onrechte premie volksverzekeringen zijn geheven. Daartoe voert hij – kort weergegeven – aan dat hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht, zodat op grond van artikel 13, eerste lid, onderdeel b, van Vo 883/2004 op hem het sociaalzekerheidsrecht Cyprus (vestigingsstaat van de werkgever) van toepassing is. Ter onderbouwing van zijn standpunt wijst eiser op bepaling 12 van zijn arbeidsovereenkomst (zie 1.4.), het vaartijdenboek van de [naam schip 2] (zie 1.5.) en zijn eigen verklaring (zie 1.6.).

8. Verweerder stelt dat uit de meldingsplicht in de arbeidsovereenkomst niet afgeleid kan worden waar eiser feitelijk zijn werkzaamheden heeft verricht. Het door eiser overgelegde vaartijdenboek heeft betrekking op het jaar 2013. Het zegt dus niets over de in deze procedure relevante periode. Het vaartijdenboek vertoont voorts ook verschillende manco’s, en het vermeldt niet de naam van het schip. Eisers eigen verklaring dat in 2012 op eenzelfde manier gevaren werd als in 2013 heeft geen bewijskracht nu het een blote stelling betreft, aldus verweerder.

9. De rechtbank stelt voorop dat, nu eiser van 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 werkzaam was voor een Cypriotische werkgever, ter bepaling van de op hem toepasselijke socialezekerheidswetgeving voor die periode de aanwijsregels van Verordening (EG) nr. 883/2004 betreffende de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels (hierna: Vo 883/2004) van toepassing zijn (zie overweging 4.1.4 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 29 december 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:4469).

10. Artikel 13 van Vo 883/2004 luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

1. Op degene die in twee of meer lidstaten werkzaamheden in loondienst pleegt te verrichten, is van toepassing:

a) de wetgeving van de lidstaat waar hij woont, indien hij aldaar een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht, of

b) indien hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden verricht in de lidstaat waar hij woont:

i) de wetgeving van de lidstaat waar de zetel of het domicilie van de onderneming of de werkgever zich bevindt, indien hij in dienst is van één onderneming of werkgever.“

11. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser in de periode 1 juli 2012 tot 31 december 2012 als werknemer in dienstbetrekking was bij [naam werkgever 2] , te Cyprus, en zijn werkzaamheden voor die werkgever in verschillende lidstaten verrichtte (zie 1.3.). Voor de bepaling van de toepasselijke socialezekerheidswetgeving is dan doorslaggevend of eiser in de periode 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte. Als eiser een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte is op hem ingevolge artikel 13, eerste lid, onderdeel a) van Vo883/2004 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving van toepassing. Als eiser niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland verrichtte is op hem ingevolge artikel 13, eerste lid, onderdeel b, onder i, de Cypriotische sociale zekerheidswetgeving van toepassing.

12. In artikel 14, achtste lid, van Vo 987/2009 is over het begrip ‘substantieel gedeelte van de werkzaamheden’ het volgende bepaald:

Voor de toepassing van artikel 13, leden 1 en 2, van de basisverordening betekent een „substantieel gedeelte van de werkzaamheden die in loondienst of anders dan in loondienst” in een lidstaat worden verricht dat een kwantitatief substantieel deel van alle werkzaamheden in loondienst of anders dan in loondienst daar wordt verricht, zonder dat het hierbij noodzakelijkerwijs om het grootste deel van deze werkzaamheden hoeft te gaan.

De beoordeling of een substantieel gedeelte van de werkzaamheden in een lidstaat wordt verricht, gebeurt mede op grond van de volgende indicatieve criteria:

a. a) in geval van een werkzaamheid in loondienst, de arbeidstijden/of de bezoldiging, en

b) in geval van een werkzaamheid anders dan in loondienst, de omzet, de arbeidstijd, het aantal verleende diensten en/of het inkomen.

In het kader van een algemene beoordeling geldt een aandeel van minder dan 25 % voor de bovengenoemde criteria als indicatie dat een substantieel gedeelte van de werkzaamheden niet in de betrokken lidstaat wordt verricht.

13. De rechtbank overweegt ten aanzien van de bewijslastverdeling als volgt. Omdat eiser stelt dat hij – in afwijking van de hoofdregel in de Nederlandse wetgeving dat een Nederlandse ingezetene in Nederland verzekerd is – niet in Nederland verzekerd is voor de volksverzekeringen, rust op hem de last om de daarvoor van belang zijnde feiten te stellen en – bij betwisting door verweerder – aannemelijk te maken (zie in deze zin Gerechtshof Den Haag 27 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3400, rechtsoverweging 5.12 en Gerechtshof Den Haag 26 november 2019, ECLI:NL:GHDHA:2019:3767, rechtsoverweging 5.1.2).

14. Gelet op deze verdeling van de bewijslast zal de rechtbank beoordelen of eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk maakt dat hij niet een substantieel gedeelte van zijn werkzaamheden in Nederland heeft verricht. De rechtbank neemt daarbij als uitgangspunt hetgeen is bepaald in artikel 14, achtste lid, van Vo 987/2009 (zie 12.). Nu eiser blijkens zijn arbeidsovereenkomst een vast maandelijks salaris ontvangt, kan voor de substantiële werkzaamheden-toets naar het oordeel van de rechtbank aansluiting gezocht worden bij zijn arbeidstijden. De vraag die de rechtbank dan moet beantwoorden is of eiser met hetgeen hij heeft aangevoerd aannemelijk maakt dat hij minder dan 25% van zijn arbeidstijd in Nederland heeft verricht.

15. De rechtbank is van oordeel dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij minder dan 25% van zijn arbeidstijd in Nederland heeft verricht. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.

16. Eiser heeft afschriften uit een vaartijdenboek overgelegd dat ziet op 2013. Op deze afschriften staat niet vermeld dat dit het vaartijdenboek van de [naam schip 2] betreft. Nu dit door verweerder als zodanig niet is betwist, zal de rechtbank er van uitgaan dat dit vaartijdenboek betrekking heeft op de [naam schip 2] . Met het vaartijdenboek over 2013 maakt eiser echter niet aannemelijk dat hij in de periode 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 minder dan 25% van zijn arbeidstijd in Nederland heeft verricht. Het vaartijdenboek ziet immers niet op die periode. De omstandigheid dat geen afschriften van het vaartijdenboek 2012 overgelegd kunnen worden, omdat dit boek weg is, komt daarbij voor rekening en risico van eiser. Eisers mededeling dat het vaarbeeld in 2013 hetzelfde is als in 2012 (zie 1.6) acht de rechtbank, gezien de betwisting door verweerder, onvoldoende om te concluderen dat voor de vaartijden in 2012 uitgegaan kan worden van de vaartijden in 2013. Ook de omstandigheid dat eiser geen melding aan zijn werkgever zou hebben gedaan ingevolge onderdeel 12 van zijn arbeidsovereenkomst (zie 1.4) is naar het oordeel van de rechtbank van onvoldoende gewicht om aannemelijk te achten dat eiser minder dan 25% van zijn arbeidstijd in Nederland heeft verricht.

17. Eiser heeft in dit verband nog aangevoerd dat als hij zich voorafgaand aan zijn werkzaamheden had gemeld bij de SVB om een A1-verklaring, hij als bewijs de vaartijden van voorgaande jaren had moeten aanleveren om een indicatie te geven van de vaartijden in nog komende tijdvakken. Naar de rechtbank begrijpt leidt eiser hieruit af dat voor een bepaalde periode bewijskracht kan worden ontleend aan een vaartijdenboek dat betrekking heeft op een andere periode. Naar het oordeel van de rechtbank betekent de door eiser geschetste bewijspositie met betrekking tot een A-1 verklaring echter niet dat deze bewijspositie overeenkomt met die in de situatie zoals hier aan de orde, waarin eiser in het kader van een aanslag IB/PVV desgevraagd achteraf aannemelijk moet maken in welke lidstaten hij zijn arbeidstijd heeft verricht. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.

18. Gelet op het voorgaande heeft verweerder eiser voor de periode 1 juli tot en met 31 december 2012 terecht in de Nederlandse premieheffing betrokken. De rechtbank zal daarom hierna de (meer) subsidiaire geschilpunten beoordelen.

Subsidiaire geschilpunt: verrekening van Cypriotische premies

19. Eiser stelt dat uit rechtsoverweging 4.3.9 van het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020, zaaknummer 19/04564 (ECLI:NL:HR:2020:1150) volgt dat de belastingrechter kan vaststellen of er een rechtsgrond is die verweerder verplicht tot verrekening in geval in meerdere lidstaten premieheffing plaatsvindt. Anders dan in dit arrest is in het onderhavige geval niet de Rijnvarendenovereenkomst van toepassing zodat artikel 73, tweede lid, van Vo 987/2009 hier wel een rechtsgrond voor verrekening biedt, aldus eiser.

20. Verweerder stelt dat voor de verrekening die eiser voorstaat er sprake moet zijn van voorlopig betaalde premies als bedoeld in artikel 6 van Vo 987/2009. Er moet dan sprake zijn van een situatie waarin tussen de (autoriteiten van) lidstaten een verschil van mening bestaat over de vaststelling van het toepasselijke recht. Een dergelijk verschil van mening is er niet in eisers geval. Verweerder wijst verder op overweging 8.7 van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 augustus 2019 (ECLI:NL:CRVB:2019:2817). Volgens de Centrale Raad is het aan de SVB om dubbele premieheffing te herstellen, en niet aan de Belastingdienst of de belastingrechter. Verweerder stelt verder onder verwijzing naar onderdelen 1.16 en 6.7 van de conclusie van A-G Wattel met ECLI:NL:PHR:2020:499 dat eiser aannemelijk moet maken wat voor soort premies zijn ingehouden op zijn Cypriotische loon, en dat hij alle mogelijkheden om de ten onrechte geheven premies terug te vorderen heeft uitgeput. Verweerder betwist dat de Cypriotische premies volksverzekeringen betreffen.

21. De rechtbank overweegt dat uit het arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020, zaaknummer 19/04564 (ECLI:NL:HR:2020:1150) volgt dat de belastingrechter dient te onderzoeken of er in een voorkomend geval een rechtsgrond is die verweerder verplicht tot verrekening van in een andere lidstaat geheven premies met de door verweerder geheven premies.

22. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het door de Centrale Raad van Beroep geformuleerde uitgangspunt waarnaar verweerder verwijst enkel betrekking op de situatie waarin door de SVB een A1-verklaring wordt afgegeven. Bij het afgeven van een A1-verklaring dient de SVB – zo leest de rechtbank de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 28 augustus 2019 – de procedurevoorschriften van artikel 73 van Vo 987/2009 in acht te nemen. In eisers geval is voor de periode 1 juli 2012 tot en met 31 december 2012 echter geen A1-verklaring afgegeven. Het bij 20. vermelde oordeel van de Centrale Raad van Beroep is daardoor in het geval van eiser niet van toepassing. De rechtbank zal daarom ingevolge het hiervoor vermelde arrest van de Hoge Raad van 10 juli 2020 dienen na te gaan of er een rechtsgrond is die verweerder verplicht tot verrekening in het geval van dubbele premieheffing.

23. Volgens de jaaropgave 2012 en loonstrook van december 2012 (zie 1.7.) is er op eisers Cypriotische loon een bedrag van € 1.702 ingehouden wegens ‘Caisse de pensioen 6,8%’. De rechtbank acht aannemelijk dat het hier om een regeling voor ouderdomspensioen gaat, en gaat er voor het vervolg veronderstellenderwijs vanuit dat het gaat om premies volksverzekeringen zoals door eiser is aangevoerd. De rechtbank zal vervolgens beoordelen of er, zoals door eiser gesteld, ingevolge artikel 73, tweede lid van Vo 987/2009 een rechtsgrond bestaat voor verrekening van deze premies met de Nederlandse premieheffing.

24. De rechtbank overweegt als volgt. De procedureregels van artikel 73 van Vo 987/2009 zien op de situatie waarin voorlopige premies zijn geheven. Dat wil zeggen dat toepassing gegeven is aan artikel 6 van Vo 987/2009. Op grond van dat artikel worden – wanneer er tussen de organen van twee of meer lidstaten een verschil van mening is ontstaan over de vaststelling van de toepasselijke wetgeving – door één van de lidstaten voorlopige premies geheven. Gesteld noch gebleken is dat in het onderhavige toepassing aan artikel 6 van Vo 987/2009 gegeven is. De omstandigheid dat er geen A1-verklaringen zijn afgegeven wijst eerder op het tegendeel. Gelet daarop biedt artikel 73 van Vo 987/2009 naar het oordeel van de rechtbank geen rechtsgrond voor verrekening van op het Cypriotisch loon ingehouden premies met de Nederlandse premieheffing.

Meer subsidiaire geschilpunt: verrekening voorheffingen

25. Eiser stelt dat er voorheffingen zijn die nog in mindering gebracht moeten worden op de aanslag. Eiser wijst daarbij op de op zijn Cypriotische loon ingehouden premies. Eiser heeft bij fax van 18 november 2020 zijn stelling die zag op verrekening van voorheffingen wegens naheffingsaanslagen loonheffingen bij [naam werkgever 2] ingetrokken.

26. Verweerder stelt ten aanzien van de op het Cypriotisch loon ingehouden premies dat dit geen voorheffingen ten bate van de Nederlandse staat zijn geweest. Artikel 9.2 van de Wet Inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB) – op grond waarvan voorheffingen verrekend worden – gaat dan niet op.

27. De rechtbank overweegt als volgt. Op grond van artikel 15 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen dienen in de belastingwet aangewezen voorheffingen verrekend te worden met de aanslag. Op grond van artikel 9.2, eerste lid, onderdeel a, van de Wet IB behoren tot de voorheffingen van de inkomstenbelasting de geheven loonbelasting met uitzondering van de als eindheffing geheven loonbelasting. Als op grond van artikel 9.1, derde lid, van de Wet IB de inkomstenbelasting en premie voor de volksverzekeringen door middel van één aanslag geheven worden, behoren op grond van artikel 9.2, zesde lid, van de Wet IB de bij wijze van inhouding geheven premies voor de volksverzekeringen ook tot de voorheffingen.

28. Met het in de hiervoor genoemde bepalingen gebruikte begrip ‘premie voor de volksverkeringen’ wordt naar het oordeel van de rechtbank enkel gedoeld op de Nederlandse volksverzekeringen. Immers, slechts premies voor de Nederlandse volksverzekeringen kunnen met de heffing van inkomstenbelasting door middel van één belastingaanslag geheven worden. Deze opvatting is eveneens af te leiden uit bijvoorbeeld artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB. In onderdeel a van dat artikellid wordt het begrip ‘premie voor de volksverzekeringen’ gebruikt. In onderdeel b wordt vervolgens genoemd ‘premies voor buitenlandse verzekeringen die naar aard en strekking overeenkomen met de volksverzekeringen’.

29. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen enkel Nederlandse premies volksverzekeringen als voorheffing in aanmerking worden genomen. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn Cypriotische werkgever dergelijke premies heeft ingehouden. Reeds daarom faalt eisers beroepsgrond.

Meest subsidiaire geschilpunt: toepassing artikel 3.16 Wet IB

30. Eiser stelt dat op grond van artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB de in Cyprus betaalde premies in aftrek moeten worden gebracht bij de bepaling van het belastbaar loon. Het is op geen enkele wijze te verdedigen dat in het kader van het bepalen van de belastbare winst de in Cyprus betaalde verzekeringspremies wel in aftrek worden genomen, maar dit niet het geval zou zijn bij bepaling van het belastbaar loon, aldus eiser.

31. Verweerder stelt dat artikel 3.16 van de Wet IB alleen ziet op de bepaling van de fiscale winst, en niet op de bepaling van het belastbaar loon.

32. De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 3.16 van de Wet IB ziet enkel op de bepaling van de fiscale winst. De Wet IB bevat geen schakelbepaling op grond waarvan artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB ook van toepassing is bij de bepaling van het belastbaar loon. Gelet daarop biedt artikel 3.16, negende lid, van de Wet IB geen grond voor verrekening van de in Cyprus betaalde premies en slaagt eisers beroepsgrond niet.

Belastingrente

33. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Eiser heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de beschikking belastingrente. Hierbij wijst de rechtbank eiser erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie

34. Het beroep is ongegrond.

Immateriële schadevergoeding

35. Eiser heeft verzocht om een immateriële schadevergoeding (ISV) wegens overschrijding van de redelijke termijn.

36. Volgens vaste jurisprudentie geldt voor een uitspraak in eerste aanleg dat deze niet binnen een redelijke termijn is geschied als de rechtbank niet binnen twee jaar nadat die termijn is aangevangen uitspraak doet, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. In die termijn is de duur van de bezwaarfase begrepen. De termijn vangt aan op de dag van ontvangst van het bezwaarschrift en eindigt op de dag van de uitspraak in het beroep. Als de redelijke termijn is overschreden, dan moet de rechtbank beoordelen in hoeverre die overschrijding is toe te rekenen aan verweerder en in hoeverre aan de rechtbank. Daarbij heeft te gelden dat de bezwaarfase niet langer dan een half jaar mag duren en de beroepsfase niet langer dan anderhalf jaar. De ISV bedraagt forfaitair € 500 per half jaar (of deel daarvan) van overschrijding (zie Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

37. De rechtbank ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de redelijke termijn te verlengen met afgerond achttien maanden. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

38. Eisers voormalig gemachtigde heeft bij het indienen van het bezwaarschrift verzocht om een termijnstelling voor het indienen van de gronden voor het bezwaar. Verweerder heeft daarop eiser in de gelegenheid gesteld om vóór 20 juli 2015 de bezwaargronden in te dienen. Nadat de huidige gemachtigde de procedure heeft overgenomen heeft hij nogmaals verzocht om uitstel, hetgeen door verweerder verleend is tot 8 augustus 2015. Omdat de bezwaargronden op 10 augustus 2015 nog niet door verweerder ontvangen waren heeft verweerder eiser nogmaals uitstel gegeven, ditmaal tot 24 augustus 2015. Op 20 augustus 2015 heeft verweerder de bezwaargronden ontvangen. Gelet op de totale duur van de bezwaarperiode – circa 25 maanden – en het tussentijds wisselen van gemachtigde door eiser, ziet de rechtbank in dit geval geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen vanwege het tweemaal verzoeken om een extra termijn voor het indienen van de bezwaargronden.

39. Met de ondertekening op 5 november 2015 van verweerders brief van 3 november 2015 is eisers gemachtigde akkoord gegaan met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar. Gelet op de tekst van de brief is gemachtigde akkoord gegaan met uitstel vanaf 1 februari 2016 tot de datum waarop uitspraak gedaan zal worden. Verweerder heeft ter zitting verwezen naar de conclusies van A-G Wattel van 7 mei 2020 (ECLI:NL:PHR:2020:237, ECLI:NL:PHR:2020:238, ECLI:NL:PHR:2020:239 en ECLI:NL:PHR:2020:511) en de corresponderende arresten van de Hoge Raad van 10 juli 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1244, ECLI:NL:HR:2020:1236, ECLI:NL:HR:2020:1238 en ECLI:NL:HR:2020: 1237). Hieruit volgt volgens verweerder dat wanneer akkoord gegaan wordt met uitstel voor het doen van de uitspraak op bezwaar, de termijn van het uitstel niet meetelt bij de bepaling van de overschrijding van de redelijke termijn.

40. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 (ECLI:NL:HR:2020:1574) volgt dat de enkele instemming met uitstel, zonder dat een bijzondere omstandigheid daarvoor een rechtvaardiging biedt, de redelijke termijn niet verlengt. Verweerder heeft (naast eisers instemming met het uitstel) geen bijzondere omstandigheden gesteld op grond waarvan in eisers geval de redelijke termijn verlengd moet worden. Gelet daarop is er naar het oordeel van de rechtbank in eisers geval geen aanleiding om de redelijke termijn te verlengen.

41. Verweerder heeft het bezwaarschrift ten aanzien van de IB/PVV 2012 op 12 juni 2015 ontvangen. Tot aan de datum van deze uitspraak zijn er afgerond 5 jaren en 6 maanden verstreken, zodat de redelijke termijn voor geschilbeslechting met (afgerond) 42 maanden is overschreden. Dit leidt tot een ISV van € 3.500 (7 maal een half jaar à € 500).

42. Voor wat betreft de toerekening van de ISV aan verweerder en de rechtbank overweegt de rechtbank als volgt. De uitspraak op bezwaar is op 7 juli 2017 gedagtekend. Tussen de ontvangst van het bezwaarschrift en de uitspraak op bezwaar zijn afgerond 25 maanden verstreken, terwijl de beslistermijn voor verweerder 6 maanden bedroeg. Gelet daarop is de overschrijding voor 19/42 aan verweerder toe te rekenen en voor 23/42 aan de rechtbank. Verweerder zal gelet daarop veroordeeld worden tot een vergoeding van afgerond € 1.583, en de Minister tot een vergoeding van € 1.917.

43. Omdat het bedrag van de ISV minder dan € 5.000 beloopt, behoeft de Minister, gelet op de beleidsregel van 8 juli 2014, nr. 436935, Stcrt. 2014, nr. 20210, alsmede de regeling van 27 oktober 2017, Stcrt. 2017, nr. 62751, niet in de gelegenheid te worden gesteld hierop schriftelijk of mondeling verweer te voeren.

Proceskosten en griffierecht

44. De rechtbank ziet aanleiding tot toekenning aan eiser van een vergoeding voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand in de beroepsprocedure. Reden daarvoor is de aan eiser toegekende ISV (zie 41.). Voor een vergoeding van de in bezwaar gemaakte proceskosten bestaat geen aanleiding, aangezien de uitspraak op bezwaar volledig in stand is gebleven. Gelet daarop stelt de rechtbank de proceskostenvergoeding in de beroepsfase op grond van het Bpb vast op € 525 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 0,5). Wat betreft de in bezwaar gemaakte proceskosten en de wegingsfactor verwijst de rechtbank naar respectievelijk overweging 2.3.1 en 2.3.2 van het arrest van de Hoge Raad van 20 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:660.

45. Ook het griffierecht van € 46 moet, gelet op hetgeen bij 41. is overwogen, aan eiser vergoed worden.

46. Nu zowel verweerder als de Minister worden veroordeeld tot het betalen van een deel van de ISV moeten het griffierecht en de proceskostenvergoeding door ieder voor de helft worden vergoed (zie overwegingen 3.14.1 en 3.14.2 van het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252). Dit betekent dat verweerder en de Minister aan proceskostenvergoeding elk € 262,50 verschuldigd zijn. Aan griffierecht zijn verweerder en de Minister elk € 23 verschuldigd.

Beslissing

De rechtbank:

  • -

    verklaart het beroep ongegrond.

  • -

    veroordeelt verweerder tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.583;

  • -

    veroordeelt de Minister tot het betalen van een immateriële schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.917;

  • -

    veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50;

  • -

    veroordeelt de Minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 262,50;

  • -

    draagt verweerder op € 23 aan eiser te vergoeden voor het betaalde griffierecht en

  • -

    draagt de Minister op € 23 aan eiser te vergoeden voor het betaalde griffierecht.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van den Bosch, rechter, in aanwezigheid van mr. J.P. Raateland, griffier, op 3 december 2020. De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

w.g. griffier w.g. rechter

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.