Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4184

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
18/137717-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

rechtbank veroordeelt verdachte voor dealen en bezit van cocaïne tot een gevangenisstraf van 769 dagen, met aftrek, waarvan 730 dgn vw pt 3 jaren met bijzondere voorwaarden. Voorts een taakstraf van 240 uren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Assen

parketnummer 18/137717-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 december 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1987 te [geboorteplaats] ,

wonende [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M.A.E. Dekens, advocaat te Odoorn.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. J. Houwink.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

1
verdachte in of omstreeks de periode van augustus 2017 tot en met 22 mei 2020, te Beilen, (althans) in de gemeente Midden-Drenthe, in elk geval in het arrondissement Noord-Nederland, meermalen, in elk geval eenmaal opzettelijk heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne (telkens) een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

2
hij op of omstreeks 23 mei 2020, te Beilen, (althans) in de gemeente Midden-Drenthe, opzettelijk aanwezig heeft gehad een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

3
verdachte op of omstreeks 23 mei 2020, te Beilen, (althans) in de gemeente Midden-Drenthe, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor de feiten 1, 2 en 3.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat een bewezenverklaring kan volgen voor de ten laste gelegde feiten nu verdachte deze feiten heeft bekend.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. De bekennende verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 januari 2020, opgenomen op pagina 120 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020181398 d.d. 7 juli 2020, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2020, opgenomen op pagina 141 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 3] ;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 mei 2020, opgenomen op pagina 179 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] ;

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 12 juni 2020, opgenomen op pagina 230 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant 4] en [verbalisant 5] ;

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 23 mei 2020, opgenomen op pagina 219 van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant 6] ;

Bewezenverklaring

De rechtbank acht de feiten 1, 2 en 3 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.
verdachte in de periode van augustus 2017 tot en met 22 mei 2020, te Beilen, in de gemeente Midden-Drenthe, meermalen, opzettelijk heeft verwerkt en verkocht en afgeleverd en vervoerd, een hoeveelheid of hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

2.
verdachte op 23 mei 2020, te Beilen, in de gemeente Midden-Drenthe, opzettelijk aanwezig heeft gehad hoeveelheden van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I;

3.
verdachte op 23 mei 2020, te Beilen, in de gemeente Midden-Drenthe, een wapen van categorie II, onder 5 van de Wet wapens en munitie, te weten een stroomstootwapen, zijnde een voorwerp waarmee door een elektrische stroomstoot personen weerloos konden worden gemaakt of pijn kon worden toegebracht, voorhanden heeft gehad;

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven

verbod, meermalen gepleegd.

2. Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven

verbod.

3. Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan

met betrekking tot een wapen van categorie II.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1, 2 en 3 wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf van 769 dagen met aftrek van voorarrest, waarvan 730 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. Voorts een taakstraf van 240 uren subsidiair 120 dagen hechtenis.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de eis van de officier van justitie kan worden gevolgd.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportage van Reclassering Nederland van 6 november 2020, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat verdachte bijna drie jaren heeft gedeald in cocaïne. Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte is een hoeveelheid cocaïne aangetroffen en een stroomstootwapen.

Uit het dossier komt naar voren dat de klantenkring van verdachte bestond uit 20 tot 30 personen terwijl verdachte dagelijks cocaïne verkocht.

De verkoop van de cocaïne was deels gericht op het genereren van inkomsten om in eigen gebruik te kunnen voorzien.

Het is een feit van algemene bekendheid dat verdovende middelen een gevaar voor de volksgezondheid vormen en verdachte heeft er door zijn handelwijze mede toe bijgedragen het drugscircuit in stand te houden. De verkoop van verdovende middelen moet als een ernstig feit worden beschouwd.

Met betrekking tot de op te leggen straf geven de oriëntatiepunten voor de straftoemeting aan dat bij feiten als de bewezenverklaarde, in beginsel een forse onvoorwaardelijke gevangenisstraf op zijn plaats is. Op grond van deze oriëntatiepunten zou aan verdachte een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele jaren moeten worden opgelegd.

De rechtbank zal daartoe niet overgaan.

Uit het reclasseringsrapport komt naar voren dat verdachte sinds de schorsing van zijn voorlopige hechtenis zijn leven een positieve wending heeft gegeven. Verdachte heeft kort na zijn invrijheidstelling op 2 juli 2020 werk gevonden en heeft dat werk nog steeds. Verdachte heeft zelfs uitzicht op een vast dienstverband. Verdachte lijkt daarmee zijn leven weer enigszins op de rails te hebben.

Ook speelt een rol dat verdachte volledig openheid van zaken heeft gegeven en daarmee volledig heeft meegewerkt aan het politieonderzoek. Voorts weegt de rechtbank mee dat verdachte geen documentatie heeft met betrekking tot overtreding van de Opiumwet.

De rechtbank volgt de officier van justitie in zijn standpunt dat bij een nieuwe detentie verdachte opnieuw in de problemen kan geraken doordat hij zijn baan zal verliezen en mogelijk weer in oude gewoonten vervalt na de detentieperiode; de maatschappij is daar niet bij gebaat.

Alles overwegende komt de rechtbank tot het oordeel dat de eis van de officier van justitie een juiste eis is en de rechtbank zal die eis dan ook volgen.

Inbeslaggenomen goederen

De rechtbank acht de inbeslaggenomen voorwerpen, te weten een geldbedrag ad € 3.358,95 en een personenauto van het merk Citroën, type C3, vatbaar voor verbeurdverklaring nu deze voorwerpen met betrekking tot het onder 1 bewezen verklaarde zijn verkregen respectievelijk zijn begaan en toebehoren aan verdachte.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 769 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 730 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op 3 jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich op uitnodiging meldt bij Reclassering Nederland. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt en houdt zich aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft. Gedurende zijn toezicht bespreekt de veroordeelde met de reclassering hoe het met hem gaat, waar hij tegen aan loopt; zowel positieve als negatieve kanten;

2. dat de veroordeelde meewerkt aan een intake en indien nader geïndiceerd, zich laat behandelen door de VNN of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

3. dat de veroordeelde meewerkt aan controle op het gebruik van alcohol en drugs om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt wanneer en hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen geldbedrag ad € 3.358,95 en de personenauto van het merk Citroën, type C3, kleur wit, kenteken [kenteken] .

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.L.J.M.A. Janssens, voorzitter, mr. R. Depping en mr. C. Brouwer, rechters, bijgestaan door D.C. Witvoet, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2020.

Mrs. Janssens en Brouwer zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.