Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4172

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
18/077364-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft verdachte veroordeeld voor zeven gekwalificeerde diefstallen en een poging daartoe. De rechtbank heeft aan verdachte een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van 540 dagen, waarvan 530 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met daaraan gekoppeld bijzondere voorwaarden. Daarnaast heeft de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf opgelegd voor de duur van 240 uren.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 311
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/077364-20,

ter terechtzitting gevoegd parketnummer 18/286624-19,

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 18/830261-18.

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 1 december 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte]

geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

wonende te [straatnaam] , [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 17 november 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. M. Wierts, advocaat te Groningen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. R. van der Heide.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Parketnummer 18/077364-20

1. hij op of omstreeks 22 maart 2020 te Ter Apel, gemeente Westerwolde tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een kantine van een aldaar aan de [straatnaam] gevestigde [benadeelde partij 1] , een doos Dorritos chips, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat weg te nemen goed onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, en/of inklimming;

2. hij op of omstreeks 19 maart 2020 te Schoonoord, gemeente Coevorden tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit de kantine een aldaar aan de [straatnaam] gevestigde [benadeelde partij 2], een TV van het merk Toshiba en een decoder van het merk Humax, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, en/of inklimming;

3. hij op of omstreeks 19 maart 2020 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit de kantine van een aldaar aan de [straatnaam] gevestigde [benadeelde partij 3] genaamd [benadeelde partij 3] , een Tv en/of een computer, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [benadeelde partij 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking en/of inklimming;
4. hij in of omstreeks de periode van 8 maart 2020 tot en met 13 maart 2020 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning gelegen aldaar aan de [straatnaam] , autosleutels, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking,
en/of inklimming;

5. hij in of omstreeks de periode van 8 maart 2020 tot en met 13 maart 2020 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een personenauto van het merk Mercedes type Benz, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen auto onder zijn hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van een valse sleutel (te weten een gestolen sleutel);
6. hij in of omstreeks de periode van 8 maart 2020 tot en met 19 maart 2020 te Wedde, gemeente Westerwolde tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een of meer caravans een hoeveelheid levensmiddelen en/of geluidsinstallatie met boxen en/of een cd en/of gereedschap en/of een of meer tv's in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming;
7. hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2020 tot en met 19 maart 2020 te Wedde, gemeente Westerwolde tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, ter uitvoering van het door verdachte en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf om in/uit een caravan, een tv in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 5] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik te brengen door middel van braak en/of verbreking en/of inklimming, het bovenlicht van de caravan heeft/hebben opengebroken en/of naar binnen is/zijn gegaan en/of een tv heeft/hebben klaargezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

8.
hij in of omstreeks de periode van 5 maart 2020 tot en met 7 maart 2020 te Stadskanaal, meermalen althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in/uit een woning gelegen aldaar aan de [straatnaam] , een tv en/of een houten klok en/of sierraden en/of drie zakhorloges, in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen goed/goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming, en/of een valse sleutel (verkregen door middel van diefstal;
9. hij op of omstreeks 8 maart 2020 te Stadskanaal tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk een scooter, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer 7] , in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededaders, en welk goed verdachte en/of zijn mededaders anders dan door misdrijf onder zich hadden, te weten als potentiele koper(s)/maken van een proefrit, wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

Parketnummer 18/286624-19

hij op of omstreeks 12 augustus 2019, te of bij Musselkanaal, in de gemeente Stadskanaal,
een goed, te weten een scooter (merk Peugeot) heeft verworven, voorhanden gehad, en/of overgedragen, terwijl hij ten tijde van de verwerving of het voorhanden krijgen van dit goed wist, althans redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

Parketnummer 18/077364-20

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd van het onder 9 ten laste gelegde nu er zich in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen bevinden die het oordeel rechtvaardigen dat verdachte de scooter heeft verduisterd.

De officier van justitie heeft op grond van de stukken in het dossier en de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde.

Parketnummer 18/286624-19

De officier van justitie heeft aangevoerd dat er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen van het ten laste gelegde. Verdachte dient om deze reden vrijgesproken te worden.

Standpunt van de verdediging

Parketnummer 18/077364-20

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het onder 9 ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden nu er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de bewezenverklaring van het onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Parketnummer 18/286624-19

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat verdachte van het ten laste gelegde vrijgesproken dient te worden nu er onvoldoende bewijs voorhanden is om tot een bewezenverklaring te komen.

Oordeel van de rechtbank

Vrijspraak

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/077364-20 onder 9 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat medeverdachte [medeverdachte] bij de politie bekend heeft de scooter verduisterd te hebben door via Marktplaats een afspraak te maken met aangeefster om de scooter te kopen, en er vervolgens met de scooter vandoor te gaan. Verdachte heeft daarna enkel op enig moment achterop de scooter gezeten, hetgeen de rechtbank onvoldoende acht om tot een bewezenverklaring te komen voor het medeplegen aan verduistering.

De rechtbank acht ook het onder parketnummer 18/286624-19 ten laste gelegde niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe dat verdachte heeft bekend de scooter te hebben gestolen. Aangezien niet de diefstal maar de heling is ten laste gelegd, dient verdachte hiervan te worden vrijgesproken, aangezien een dief niet tevens heler kan zijn van een voorwerp dat hij gestolen heeft.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/077364-20 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

Ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 22 maart 2020, opgenomen op pagina 315 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland 2020074298 d.d. 2 juni 2020, inhoudend als verklaring van [naam 1] , namens [benadeelde partij 1] .

Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2020, opgenomen op pagina 249 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 2] , namens [benadeelde partij 2] .

Ten aanzien van het onder 3 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2020, opgenomen op pagina 262 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 3] , namens [benadeelde partij 3] .

Ten aanzien van het onder 4 en 5 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 13 maart 2020, opgenomen op pagina 187 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 4] , namens [slachtoffer 1] .

Ten aanzien van het onder 6 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2020, opgenomen op pagina 276 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 2] ;

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 23 maart 2020, opgenomen op pagina 278 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 3] ;

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 maart 2020, opgenomen op pagina 295 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 4] .

Ten aanzien van het onder 7 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 21 maart 2020, opgenomen op pagina 293 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 5] .

Ten aanzien van het onder 8 ten laste gelegde

1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 17 november 2020;

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 7 maart 2020, opgenomen op pagina 231 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als verklaring van [naam 5] , namens [slachtoffer 6] .

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder parketnummer 18/077364-20 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1. hij op 22 maart 2020 te Ter Apel, gemeente Westerwolde, tezamen en in vereniging met een ander, uit een kantine van een aldaar aan de [straatnaam] gevestigde Voetbalvereniging, een doos Dorritos chips, toebehorende aan [benadeelde partij 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

2. hij op 19 maart 2020 te Schoonoord, gemeente Coevorden, tezamen en in vereniging met een ander, uit de kantine van een aldaar aan de [straatnaam] gevestigde voetbalvereniging, een TV van het merk Toshiba en een decoder van het merk Humax, toebehorende aan [benadeelde partij 2] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

3. hij op 19 maart 2020 te Musselkanaal, gemeente Stadskanaal, tezamen en in vereniging met een ander, uit de kantine van een aldaar aan de [straatnaam] gevestigde voetbalvereniging genaamd [benadeelde partij 3] , een Tv en een computer, toebehorende aan [benadeelde partij 3] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

4.
hij in de periode van 8 maart 2020 tot en met 13 maart 2020 te Stadskanaal, tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning gelegen aldaar aan de [straatnaam] , autosleutels, toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

5. hij in de periode van 8 maart 2020 tot en met 13 maart 2020 te Stadskanaal, tezamen en in vereniging met anderen, een personenauto van het merk Mercedes type Benz, toebehorende aan [slachtoffer 1] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders die weg te nemen auto onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen sleutel.
6. hij in de periode van 8 maart 2020 tot en met 19 maart 2020 te Wedde, gemeente Westerwolde tezamen en in vereniging met een ander, uit caravans een hoeveelheid levensmiddelen, een geluidsinstallatie met boxen, een cd, gereedschap en een of meer tv’s toebehorende aan [slachtoffer 2] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 4] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak en/of inklimming.
7. hij in de periode van 17 maart 2020 tot en met 19 maart 2020 te Wedde, gemeente Westerwolde tezamen en in vereniging met een ander, ter uitvoering van het door verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om uit een caravan, een tv, toebehorende aan [slachtoffer 5] , weg te nemen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen en zich de toegang tot de plaats van het misdrijf te verschaffen door middel van braak en inklimming, het bovenlicht van de caravan hebben opengebroken en naar binnen zijn gegaan en een tv hebben klaargezet, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.

8.
hij in de periode van 5 maart 2020 tot en met 7 maart 2020 te Stadskanaal, tezamen en in vereniging met anderen, uit een woning gelegen aldaar aan de [straatnaam] , een tv en een houten klok en sierraden en drie zakhorloges, toebehorende aan [slachtoffer 6] , heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van verbreking en een valse sleutel (verkregen door middel van diefstal).

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

2. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

3. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

4. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

5. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel;

6. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en/of inklimming, meermalen gepleegd;

7. poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming;

8. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van verbreking en een valse sleutel.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt berecht volgens het volwassenenstrafrecht en dat hij ter zake van de door haar bewezen geachte feiten wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen (met aftrek van voorarrest), waarvan 530 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren. Aan het voorwaardelijke deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden zoals geadviseerd door de reclassering gekoppeld te worden. Daarnaast dient aan verdachte een onvoorwaardelijke taakstraf opgelegd te worden voor de duur van 180 uren. De officier van justitie heeft bij haar strafeis rekening gehouden met de jeugdige leeftijd van verdachte, zijn strafblad en het feit dat bij oplegging van een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf de positieve ontwikkeling die verdachte doorgaat, doorbroken zal worden.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat, onder toepassing van het jeugdstrafrecht, kan worden volstaan met een deels voorwaardelijke jeugddetentie, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest en met een voorwaardelijk deel van 4 maanden. Aan het voorwaardelijke deel van de straf dienen de bijzondere voorwaarden gekoppeld te worden die door de reclassering zijn geadviseerd, met uitzondering van de bijzondere voorwaarde die ziet op het begeleid wonen, nu verdachte hier niet positief tegenover staat. Indien de rechtbank toch de noodzaak ziet om deze voorwaarde op te leggen, dan dient hierbij opgemerkt te worden dat de begeleid wonen voorziening bij voorkeur in Musselkanaal gezocht dient te worden omdat verdachte anders door praktische problemen waarschijnlijk zijn werk kwijt raakt. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om een onvoorwaardelijke taakstraf op te leggen voor de duur van 140 uren. De raadsvrouw heeft verder aangevoerd dat er rekening gehouden dient te worden met het feit dat verdachte een belaste jeugd heeft gehad en het feit dat hij ten tijde van het plegen van de delicten in een negatieve sleur zat. Sinds de schorsing van de voorlopige hechtenis gaat het echter goed met verdachte; hij heeft een betaalde baan en krijgt veel steun vanuit zijn netwerk.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting en de rapportages van de reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Voorts heeft de rechtbank rekening gehouden met de twee door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, die hiermee zijn afgedaan.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. Verdachte heeft zich samen met zijn mededaders in een tijdsbestek van twee en een halve week schuldig gemaakt aan zes inbraken en een poging daartoe in verschillende woningen, caravans en sportkantines. Daarnaast heeft verdachte een auto gestolen met behulp van een bij een inbraak buit gemaakte autosleutel. Door de aanwezigheid van een sleutelkastje bij een van de betreffende woningen wisten de verdachte en zijn mededaders dat er sprake was van een kwetsbaar slachtoffer dat op de hulp van anderen is aangewezen. De verdachte en zijn mededaders hebben hiervan misbruik gemaakt en door hun handelswijze ernstig inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer en het gevoel van veiligheid van de slachtoffers. Inbraken zijn bovendien nare feiten. Zij veroorzaken niet alleen de nodige materiële en emotionele schade, maar maken ook een forse inbreuk op de privacy van de slachtoffers. Dat verdachte nog steeds niet lijkt te beseffen hoeveel overlast, ergernis en frustratie het inbreken en daarbij schade aanrichten oplevert bij degenen die proberen om sportverenigingen draaiende te houden is vrij zorgelijk. Het handelen van verdachte en zijn mededaders draagt dan ook bij aan het toenemen van de gevoelens van onveiligheid in de samenleving.

Blijkens het verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 21 oktober 2020 is hij eerder voor vermogensdelicten onherroepelijk veroordeeld. Bovendien liep verdachte ten tijde van de bewezenverklaarde feiten in een proeftijd, hetgeen hem er niet van heeft weerhouden opnieuw tot het plegen van nieuwe strafbare feiten over te gaan. Dat betrof een reeks inbraken. Gezien de feiten waarvoor hij thans wordt veroordeeld heeft die eerdere veroordeling weinig invloed gehad op het gedrag van verdachte.

De reclassering adviseert in haar rapportage van 16 juni 2020 het volwassenenstrafrecht toe te passen, op basis van verdachte zijn forse strafblad, het hoge risico op recidive tezamen met het feit dat verdachte niet ontvankelijk is voor de reeds ingezette interventies binnen het jeugdstrafrecht. Gelet op dit advies en gelet op het ontbreken van contra-indicaties hiervoor, zal de rechtbank verdachte volgens het volwassenenstrafrecht berechten.

De reclassering adviseert verder om aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen, met daaraan gekoppeld als bijzondere voorwaarden een meldplicht, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, een locatiegebod en het meewerken aan middelencontrole.

Gelet op de aard, ernst en hoeveelheid van de bewezen verklaarde feiten als ook verdachtes strafrechtelijk verleden, acht de rechtbank in beginsel oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur passend en geboden. Om verdachte evenwel de kans te bieden om de positief ingeslagen weg voort te zetten en de behandeling die hij thans ondergaat te kunnen vervolgen, zal de rechtbank deze straf deels in voorwaardelijke vorm opleggen, met daaraan gekoppeld de door de reclassering geadviseerde bijzondere voorwaarden. De rechtbank zal ook de bijzonder voorwaarde met betrekking tot het begeleid wonen opnemen. De oorspronkelijk inschatting van de reclassering, dat wonen bij moeder onvoldoende stabiliteit zou geven, is helaas juist gebleken. Verdacht is inmiddels al weer meerdere keren van verblijfplaats gewisseld. Hoe stabiel zijn huidige verblijfplaats is moet nog blijken en een vangnet lijkt noodzakelijk. Een langere onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de goede weg die verdachte heeft ingeslagen doorkruisen, wat voor zowel verdachte als de maatschappij onwenselijk is. Daarnaast zal de rechtbank, gezien de hoeveelheid strafbare feiten en de ernst daarvan, de maximale werkstraf opleggen. Deze werkstraf is zwaarder dan de door de officier van justitie geëiste werkstraf, omdat die eis naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende recht doet aan de ernst en de hoeveelheid van de feiten.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [benadeelde partij 2] , tot een bedrag van € 635,28 ter zake van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
2. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 7.500,- ter vergoeding van materiële schade en € 500 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.
3. [slachtoffer 4] , tot een bedrag van € 3.150 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

4. [slachtoffer 3] , tot een bedrag van € 375,99 ter vergoeding van materiële schade en € 129 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

5. [slachtoffer 5] , tot een bedrag van € 870,97 ter vergoeding van materiële schade en € 300 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

6. [slachtoffer 7] , tot een bedrag van € 80,- ter vergoeding van materiële schade en € 200 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

7. [benadeelde partij 4] tot een bedrag van € 287,87 ter vergoeding van materiële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft de officier van justitie gevorderd dat de post "Vervangen defect glas" toegewezen dient te worden. Ook de post "Philips TV" dient toegewezen te worden, echter dient het bedrag op een lager bedrag vastgesteld te worden, nu blijkens de vordering de nieuwwaarde van de tv wordt gevorderd. [benadeelde partij 2] dient voor het overige deel niet ontvankelijk verklaard te worden, nu onvoldoende vast staat dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de officier van justitie aangevoerd dat de materiële post "Mercedes [kenteken] gestolen en botsing mee gehad", ondanks het feit dat deze niet is onderbouwd, toegewezen dient te worden, nu vast staat de benadeelde partij schade heeft geleden als gevolg van het strafbare feit. De rechtbank kan die post zelf begroten. Ook de immateriële schade dient toegewezen te worden. Wat betreft de overige materiële posten dient [slachtoffer 1] niet ontvankelijk te worden verklaard.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze geheel toegewezen dient te worden, onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze geheel toegewezen dient te worden toegewezen, onder toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [slachtoffer 4] , [slachtoffer 3] en [slachtoffer 7] heeft de officier van justitie gevorderd dat deze niet ontvankelijk verklaard dienen te worden, nu hun vorderingen onvoldoende zijn onderbouwd.

Standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft de raadsvrouw zich aangesloten bij het standpunt van de officier van justitie. Ten aanzien van de post "Philips TV" heeft de raadsvrouw daarbij nog aangevoerd dat er een tv gestolen is van 40 inch, terwijl er een nieuwe tv is aangeschaft van 58 inch. Gelet hierop, en rekening houdend met afschrijving, acht zij een bedrag van € 100,- voor de deze post redelijk.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] heeft de raadsvrouw bepleit dat deze geheel niet ontvankelijk verklaard dient te worden. De raadsvrouw heeft daartoe ten aanzien van het materiële deel aangevoerd dat verdachte niet aansprakelijk gesteld kan worden voor de schade aan de Mercedes, nu hij er niet bij was toen de schade werd toegebracht. Ook het deel van de vordering dat ziet op de Mustang en het contactslot dient niet ontvankelijk verklaard te worden, nu het de medeverdachte is die hier de schade aan heeft toegebracht. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de raadsvrouw aangevoerd dat deze niet ontvankelijk verklaard dient te worden, dan wel dat deze gematigd dient te worden, gelet op het feit dat de benadeelde partij benoemt dat hij een relatie had met de medeverdachte en niet met verdachte.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de post "TV + afstandsbediening" toegewezen kan worden tot een bedrag van € 100,-. De vordering dient voor het overige deel niet ontvankelijk verklaard te worden gelet op het feit dat deze onvoldoende is onderbouwd.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de post "TV" kan worden toegewezen tot een bedrag van € 50,-, gelet op het feit dat de tv al tien jaar oud was. De post "Nagelknipper" dient afgewezen te worden, gelet op het feit dat de nagelknipper reeds is afgeschreven. De vordering dient voor het overige deel niet ontvankelijk verklaard te worden gelet op het feit dat deze onvoldoende is onderbouwd.

Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de post "Vervanging laminaat" niet ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op het feit dat deze schade geen rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit. Ten aanzien van de post "Herstel dakraam" heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er slechts een offerte is overgelegd, zodat niet duidelijk is welke kosten daadwerkelijk gemaakt zijn. Blijkens internet is een bedrag tussen de € 100,- en € 350,- redelijk voor het vervangen van een dakraam. De overige materiele posten dienen niet ontvankelijk verklaard te worden. Ten aanzien van het immateriële deel van de vordering heeft de raadsvrouw zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 7] heeft de raadsvrouw gevorderd dat deze, gelet op de bepleite vrijspraak, niet ontvankelijk verklaard dient te worden.

Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] heeft de raadsvrouw primair aangevoerd dat deze niet ontvankelijk verklaard dient te worden, gelet op het feit dat zowel de machtiging als het uittreksel van de Kamer van Koophandel ontbreekt. Subsidiair heeft de raadsvrouw aangevoerd dat het bedrag ten aanzien van de post "Tv en tv beugel" gematigd dient te worden.

Oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 2] :

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de post "Vervangen defect glas" à €101,34 voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. Dit deel van de vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 maart 2020.

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de post "Philips TV" ook voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2 bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op €100,-. De rechtbank zal deze post tot dit bedrag toewijzen en voor het overige deel afwijzen.

De materiële schadeposten "A-Z Service totaalpakket" en "NewStar Plasma" acht de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, op dit moment onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te onderbouwen, zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. Het deel van de vordering dat ziet op deze twee schadeposten zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1] :

Naar het oordeel van de rechtbank is de vordering, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, op dit moment onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te onderbouwen, zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. De benadeelde partij zal daarom in zijn vordering niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 4] :

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de post "TV + afstandsbediening" voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op € 100,-. De rechtbank zal deze schadepost tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 maart 2020, en deze schadepost voor het overige deel afwijzen.

De schadeposten "Stacaravan beneden de prijs verkocht", "Raamsluiter" en "Schoonmaken en opruimen rommel" acht de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, op dit moment onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te onderbouwen, zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. Het deel van de vordering dat ziet op deze drie schadeposten zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] :

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de post "TV" voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezen verklaarde. Gebruikmakend van haar schattingsbevoegdheid ex artikel 6:97 van het Burgerlijk Wetboek schat de rechtbank de hoogte van de schade op € 50,-. De rechtbank zal deze schadepost tot dit bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020, en deze schadepost voor het overige deel afwijzen.

Ten aanzien van de schadepost "Nagelknipper" is de rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 6 bewezen verklaarde. De vordering zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 maart 2020.

De immateriële schade acht de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, op dit moment onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te onderbouwen, zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. Het deel van de vordering dat ziet op deze drie schadeposten zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 5] :

Naar het oordeel van de rechtbank is ten aanzien van de materiële schadepost "Herstel dakraam" à € 605,- voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 7 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte onvoldoende door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 maart 2020.

De materiële schadeposten "Vervanging laminaat" en "Reiskosten" acht de rechtbank, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan, op dit moment onvoldoende onderbouwd. Aanhouding van de zaak om de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen zijn vordering nader te onderbouwen, zal een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren en daartoe zal dan ook niet worden overgegaan. Het deel van de vordering dat ziet op deze twee schadeposten zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard en kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Ten aanzien van de immateriële schade à € 300,- is rechtbank van oordeel dat voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 7 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 maart 2020.

De rechtbank stelt vast dat verdachte het strafbare feit samen met een ander heeft gepleegd en dat zij naar civielrechtelijke maatstaven hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de schade. De rechtbank zal daarom bepalen dat verdachte de schadevergoeding niet meer aan de benadeelde partij hoeft te betalen indien zijn medeverdachte deze al heeft betaald, en andersom.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 7] :

De rechtbank acht het feit niet bewezen waaruit de schade zou zijn ontstaan. De benadeelde partij zal daarom niet ontvankelijk worden verklaard in de vordering.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [benadeelde partij 4] :

De rechtbank constateert dat een uittreksel van de Kamer van Koophandel ontbreekt. De rechtbank zal daarom bepalen dat deze benadeelde partij in zijn vordering niet-ontvankelijk is, zodat deze slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat aanhouding van de zaak een onevenredige belasting van het strafproces ten gevolge zou hebben.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 4 april 2019 van de meervoudige strafkamer van de rechtbank Noord-Nederland te Groningen is verdachte veroordeeld tot -onder meer- een jeugddetentie van 360 dagen, waarvan 200 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 19 april 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 23 december 2019 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu veroordeelde de onder parketnummer 18-077364-20 bewezenverklaarde feiten 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op hetgeen ter terechtzitting is behandeld, ziet de rechtbank aanleiding om te volstaan met verlenging van de proeftijd voor de duur van één jaar.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45, 57 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.


Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder parketnummer 18-077364-20 onder 9 en het onder parketnummer 18/286624-19 is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder parketnummer 18-077364-20 onder 1, 2, 3, 4, 5, 6, 7 en 8 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 540 dagen.

Bepaalt dat van deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 530 dagen, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op drie jaren, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

1. dat de veroordeelde zich binnen vijf dagen na het ingaan van de bijzondere voorwaarden meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord Nederland op het adres [straatnaam] te Groningen. Veroordeelde blijft zich melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt.

2. dat de veroordeelde zich laat behandelen door de forensische polikliniek van de Verslavingszorg Noord Nederland of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling is reeds gestart. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling.

3. dat de veroordeelde, wanneer de reclassering dat gedurende de proeftijd noodzakelijk acht, verblijft in een instelling voor beschermd wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld.

4. dat de veroordeelde gedurende maximaal twaalf maanden vanaf het ingaan van de voorwaardelijke veroordeling op vooraf vastgestelde tijdstippen aanwezig is op het verblijfadres, zolang de reclassering dat nodig vindt. De reclassering stelt de precieze tijdstippen vast, in overleg met veroordeelde en afhankelijk van de dagbesteding. Op doordeweekse dagen met dagbesteding heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van maximaal 14 uur of korter dat hij niet op het verblijfadres hoeft te zijn. Zonder dagbesteding is dat maximaal 4 uur of korter. In de weekenden heeft veroordeelde een aaneengesloten blok van maximaal 17 uur of korter per dag vrij te besteden. De reclassering kan de genoemde bloktijden veranderen.

5. dat de veroordeelde meewerkt aan elektronische controle op dit locatiegebod. Veroordeelde gaat niet naar het buitenland zonder toestemming van de reclassering, omdat het voor de elektronische controle nodig is dat veroordeelde in Nederland blijft. Het huidige verblijfadres is van [straatnaam] te [woonplaats] . Een ander adres voor het locatiegebod is alleen mogelijk als de reclassering daarvoor toestemming geeft.

6. dat de veroordeelde meewerkt aan controle van het gebruik van verdovende middelen om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controle. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht, daaronder begrepen.

een taakstraf voor de duur van 240 uren.

Beveelt dat voor het geval de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen zal worden toegepast.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis (met ingang van heden).

Ten aanzien van feit 2

Wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 201,34 (zegge: tweehonderd en een euro en drieënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] te betalen een bedrag van € 201,34 (zegge: tweehonderd en een euro en drieënveertig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 4 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte – al dan niet samen met zijn mededader – aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 4 en 5

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van feit 6

Wijst het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 50,99 (zegge: vijftig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020. Wijst het overige deel van de gevorderde materiële schade af.

Verklaart het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 3] niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] te betalen een bedrag van € 50,99 (zegge: vijftig euro en negenennegentig eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 1 dag word toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte, – al dan niet samen met zijn mededader – aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020. Wijst het materiële deel van de vordering voor het overige af.

Verklaart het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 4] niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] te betalen een bedrag van € 100,- (zegge: honderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 2 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 4] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte, – al dan niet samen met zijn mededader – aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 7

Wijst het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 605,- (zegge: zeshonderd en vijf euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020.

Verklaart het overige deel van het materiële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Wijst het immateriële deel van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 5] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 300,- (zegge: driehonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] te betalen een bedrag van € 905,- (zegge: negenhonderdenvijf euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 19 maart 2020, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 19 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 605,- materiële schade en € 300,- immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 5] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte, – al dan niet samen met zijn mededader – aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van feit 9

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 7] niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Ten aanzien van het tweede ad informandum gevoegde feit

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet ontvankelijk. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Bepaalt dat deze benadeelde partij en verdachte de eigen kosten dragen.

Beslissing op de vordering na voorwaardelijke veroordeling onder parketnummer

18/830261-18:

Verlengt de in het vonnis van de meervoudige kamer van de Rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 4 april 2019 vastgestelde proeftijd met één jaar.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Zwarts, voorzitter, mr. J.V. Nolta en mr. T.M.L. Veen, rechters, bijgestaan door mr. S. Fokkert, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 1 december 2020.

Mr. S. Zwarts is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.