Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4132

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-09-2020
Datum publicatie
27-11-2020
Zaaknummer
C18/200853 PR RK 20-260
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Rekestprocedure
Wraking
Inhoudsindicatie

Wraking wegens het niet opleggen van mediation.

Verzoek is kennelijk niet-ontvankelijk

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Locatie Groningen

Meervoudige wrakingskamer

Zaaknummer / rekestnummer: C18/200853 / PR RK 20-260

Beslissing van 11 september 2020

van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek ingevolge artikel 36 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) van

[naam] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: verzoekster,

strekkende tot wraking van

mr. A.A.J. Smelt,

rechter in deze rechtbank,

hierna te noemen: de rechter.

1 De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het proces-verbaal van 2 september 2020 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld.

2
2. Het wrakingsverzoek

2.1.

Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met nummer C/17/167770 / HA ZA 19-133.

2.2.

Verzoekster heeft, blijkens het proces-verbaal van het mondelinge verzoek, aan haar verzoek ten grondslag gelegd dat zij de rechter heeft verzocht in een procedure tussen haar en NVM dwingende mediation op te leggen, dat zij meent dat dit ook mogelijk is en dat de rechter niet gezegd heeft dat dit mogelijk is en dat hij ook geen dwingende mediation heeft opgelegd.

3
3. Beoordeling

3.1.

Ingevolge artikel 36 Rv kan op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.

3.2.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter in de zin van artikel 6, eerste lid, van het EVRM, geldt als uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren dat een rechter ten aanzien van een partij een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die partij bestaande vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij kan rekening worden gehouden met de uiterlijke schijn. Het enkele subjectieve oordeel van de verzoekster is niet doorslaggevend. Aan de hand van deze maatstaf zal de rechtbank het verzoek beoordelen.

3.3

De rechtbank stelt vast dat door verzoekster geen concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd waaruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter. Verzoekster heeft immers uitsluitend aangevoerd dat na haar verzoek om mediation dwingend op te leggen "de rechter niet gezegd heeft dat dit mogelijk is en dat hij ook geen dwingende mediation heeft opgelegd". Van enige beslissing of weigering te beslissen daaromtrent is evenwel niet gebleken. Gelet hierop kan niet gezegd worden dat zich omstandigheden hebben voorgedaan die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor vooringenomenheid. Het verzoek dient daarom kennelijk niet-ontvankelijk te worden verklaard. Een mondelinge behandeling van het wrakingsverzoek kan daarom achterwege blijven.

4
4. Beslissing

De rechtbank:

4.1.

verklaart het wrakingsverzoek van verzoekster kennelijk niet-ontvankelijk;

4.2.

bepaalt dat de procedure met registratienummer C/17/167770 / HA ZA 19-133 wordt voortgezet in de stand waarin deze zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek tot wraking;

4.3.

beveelt de onverwijlde mededeling van deze beslissing aan verzoekster en mr. A.A.J. Smelt.

Deze beslissing is gegeven door mr. B.R. Tromp, voorzitter, en mrs. E.M. Visser en

M. Sanna, in tegenwoordigheid van mr. C.A.C. Thiadens, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 11 september 2020.

De griffier is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.