Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4119

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
01-12-2020
Datum publicatie
01-12-2020
Zaaknummer
C/18/196356 / FA RK 19-3425
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Alimentatie. Man verzoekt als niet-verzorgende ouder een door de vrouw als verzorgende ouder te betalen bijdrage. Geen onderbouwing voor het verzoek; uit niets blijkt dat de kosten die de man maakt de zorgkorting waar hij recht op heeft overstijgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0301
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/196356 / FA RK 19-3425

Alimentatiebeschikking van 1 december 2020 in de zaak van

[de man] ,

die woont in [woonplaats 1] ,

en die hierna "de man" wordt genoemd,

advocaat: eerst mr. J. Borsch, nu mr. K.S. Lindeman, die kantoor houdt in Tolbert,

en

[de vrouw] ,

die woont in [woonplaats 2] ,

en die hierna "de vrouw" wordt genoemd,

advocaat: mr. M. Arnold, die kantoor houdt in Leek.

Het procesverloop

Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de man, dat de rechtbank op 30 december 2019 heeft ontvangen. Daarin verzoekt de man, verkort weergegeven, te bepalen dat de door hem te betalen kinderalimentatie met ingang van 4 februari 2019 op nihil wordt vastgesteld met veroordeling van de vrouw om wat hij wel heeft betaald aan hem terug te betalen.

Op 3 januari 2020 heeft de rechtbank van de man een digitale brief ontvangen.

Op 21 februari 2020 heeft de rechtbank van de vrouw een verweerschrift ontvangen. Daarin concludeert de vrouw tot niet-ontvankelijkheid van de man, althans tot afwijzing van zijn wijzigingsverzoek.

Op 13 november 2020 heeft de rechtbank van de vrouw een brief met bijlagen ontvangen.

Op 13 november 2020 heeft de rechtbank van de man een digitale brief ontvangen.

Op 19 november 2020 heeft de rechter een akte ontvangen waarin de man zijn verzoek wijzigt.

Hij verzoekt de rechter om de beschikking van 13 augustus 2019 te wijzigen door te bepalen dat de vrouw aan de man een bijdrage moet betalen van € 35,00 per kind per maand.

Op 23 november 2020 is de zaak mondeling behandeld. De rechter heeft toen gesproken met partijen en hun advocaten.

Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.

De feiten

De rechter kan bij de beoordeling van de verzoeken uitgaan van de volgende feiten.

Uit een inmiddels verbroken affectieve relatie van partijen is op [geboortedatum 1] in [geboorteplaats 1] de nu twaalfjarige [minderjarige 1] geboren en op [geboortedatum 2] in [geboorteplaats 2] de nu elfjarige [minderjarige 2]

De man heeft beide kinderen erkend en partijen hebben geregeld dat zij samen het gezag over hun kinderen uitoefenen.

Beide kinderen hebben bij de vrouw hun hoofdverblijfplaats en partijen hebben in onderling overleg afspraken gemaakt over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.

De verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding is door deze rechtbank vastgesteld. Dat heeft de rechtbank gedaan met een op 13 augustus 2019 gegeven beschikking. Op grond van die beschikking moet de man met ingang van 4 februari 2019 € 25,00 per kind per maand aan de vrouw betalen.

De beoordeling

Waar gaat het in deze zaak om?

De man heeft aanvankelijk verzocht om met terugwerkende kracht de door hem aan de vrouw te betalen bijdrage vast te stellen op nihil. De man heeft daartoe aangevoerd dat hij vindt dat er een wijziging van omstandigheden is. Hij baseert zijn verzoek op schulden die de man heeft en die met zich brengen dat hij vindt dat hij geen bijdrage kan betalen. Na wijziging van zijn verzoek verzoekt de man de rechtbank om te bepalen dat de vrouw aan hem een bijdrage moet betalen. Dat verzoekt baseert de man op een door hem niet nader onderbouwde inkomensstijging van de vrouw en het gegeven dat hij bij zijn huidige partner ook een kindje heeft gekregen en dat zijn huidige partner opnieuw in verwachting is. De vrouw heeft daartegen verweer gevoerd en geconcludeerd tot niet-ontvankelijkheid van de man, althans tot afwijzing van zijn (gewijzigd) verzoek

Wat staat er in de wet over een wijzigingsverzoek en wat blijkt uit relevante rechtspraak?

Artikel 1:401 van het Burgerlijk Wetboek (hierna "BW") geeft een regeling voor het wijzigen van een door de rechter vastgestelde of overeengekomen alimentatie. Uit dat artikel blijkt dat voor een dergelijke wijziging sprake moet zijn van een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarbij partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan.

Niet elke wijziging van omstandigheden is voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage. Alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde of overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn in dit opzicht rechtens relevant. Als de onderhoudsbijdrage voor het kind bewust en in het belang van de man en vrouw is vastgesteld op een hoger bedrag dan nodig is voor het kind omdat daarin een component voor het levensonderhoud van de vrouw is begrepen, kan een verzoek tot wijziging van die bijdrage niet worden gegrond op de stelling dat de onderhoudsbijdrage voor het kind van aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft voldaan (HR 26 maart 1999, NJ 1999/430).

De rechter is vrij te beoordelen aan welke omstandigheden hij bij zijn beslissing betekenis wil toekennen en tevens welke betekenis hij daaraan wil toekennen (HR 27 maart 1998, NJ 1998, 551). Als een vastgestelde of overeengekomen alimentatie voor wijziging vatbaar is, moet de nieuwe uitkering worden bepaald aan de hand van alle op dat moment bestaande omstandigheden (HR 7 december 1990, NJ 1991/201 en HR 4 februari 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4724 en HR 24 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM7672). Een wijzigingsverzoek kan niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan, ook niet als in eerste aanleg geen verweer is gevoerd (HR 12 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL0009).

Wat vindt de rechter van het wijzigingsverzoek van de man?

De rechter kan op grond van wat de man stelt niet vaststellen dat zich een relevante wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan die een hernieuwde beoordeling van de eerder vastgestelde alimentatieregeling rechtvaardigt. De man doet een beroep op het bestaan van schulden, maar uit wat hij stelt blijkt dat het om schulden gaat die al bestonden toen de rechter eerder de door hem te betalen bijdrage heeft vastgesteld. Van een relevante wijziging van omstandigheden is daarom geen sprake. Na wijziging van zijn verzoek voert de man een nieuw feitencomplex aan. Hij stelt in zijn akte van 19 november 2020 dat uit zijn nieuwe relatie een kind is geboren en uit die relatie een tweede kind op komst is. De rechter ziet hierin evenmin een relevante wijziging van omstandigheden. De draagkracht van de man is door de genoemde omstandigheden immers niet relevant gewijzigd, in die zin dat wat eerder is vastgesteld niet meer beantwoordt aan de wettelijke maatstaven.

Ware dat al anders geweest, dan had de rechter de eerder vastgestelde bijdrage ook niet gewijzigd. Daarvoor is redengevend dat de rechter de verdeling van de kosten van verzorging en opvoeding vaststelt aan de hand van rekenregels die alle rechtbanken en hoven gebruiken. Die rekenregels worden wel de "Tremanormen" genoemd en worden gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. In die rekenregels worden aanbevelingen gedaan die de rechter als uitgangspunt neemt, omdat daardoor alimentatiezaken op dezelfde wijze worden beoordeeld.

Eén van die in de rekenregels opgenomen aanbevelingen is toepasselijk op de situatie van de man. Aanbevolen wordt altijd ervan uit te gaan dat de niet-verzorgende ouder over een minimale draagkracht beschikt van 25 euro per maand bij één kind of 50 euro per maand bij twee of meer kinderen. Er zijn door de man geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld die aanleiding kunnen geven om van die aanbeveling af te wijken. Met dat laatste doelt de rechter in het bijzonder op de zogeheten aanvaardbaarheidstoets, waar de man geen beroep op heeft gedaan.

Tot slot neemt de rechter in overweging dat uitgangspunt is dat de ouder waar het kind de hoofdverblijfplaats heeft, alle verblijfsoverstijgende kosten van het kind betaalt en dat de andere ouder de kosten die samenhangen met het verblijf bij die ouder, de zogenoemde zorgkosten, voor zijn rekening neemt. De rechter neemt hierbij in overweging dat door de man geen feiten of omstandigheden zijn aangevoerd en dat door hem evenmin is besproken, of er aanleiding bestaat om te onderzoeken of de ouder waar de kinderen verblijven, in staat is een bijdrage te betalen in de zorgkosten van de andere ouder die daar niet zelf volledig in kan voorzien. Daarbij is een gezichtspunt dat de man beperkt contact heeft met de kinderen en geen kosten voor de contactmomenten maakt die zijn zorgkorting overstijgen.

Een en ander brengt met zich dat het (gewijzigde) verzoek van de man moet worden afgewezen.

De beoordeling

De rechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 1 december 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden.

fn: GLHB