Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4087

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
18/136274-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, heeft een 43-jarige vrouw veroordeeld tot een gevangenisstraf van 327 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk, omdat zij tot twee keer toe heeft geprobeerd een schutting in brand te steken nabij de flatwoning waar zij woonachtig was. Daarnaast heeft verdachte een voordeur van een leegstaand appartement vernield door een krant in brand te steken die zij in de brievenbus had gestoken.

Overwegingen rechtbank

Mede dankzij oplettende buurtbewoners is de schade relatief beperkt gebleven en is geen brand uitgebroken. Dit neemt niet weg dat verdachte, bij herhaling, een gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt. Ook heeft verdachte gevoelens van angst, onveiligheid en onrust veroorzaakt in haar voormalige woonomgeving. Die gevoelens zijn versterkt door een aantal vergelijkbare incidenten met vuur die in de nabije omgeving plaatsvonden in de periode waarin verdachte de feiten heeft gepleegd. De rechtbank heeft vastgesteld dat verdachte onder meer kampt met een verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van een alcohol, hetgeen van invloed is geweest op haar denken en handelen. Verdachte bleek niet goed in staat haar emoties en impulsen te controleren. Het in de coronatijd wegvallen van beschermende factoren in de vorm van begeleiding, dagbesteding en een steunend netwerk in combinatie met de stoornissen en kwetsbaarheden van verdachte hebben sterk bijgedragen aan het plegen van de feiten. Verdachte voelde zich eenzaam en wanhopig, dronk veel alcohol en slaagde er niet in om adequaat hulp te vragen voor haar problemen. De rechtbank acht verdachte daarom verminderd toerekeningsvatbaar.

Strafmaat

De rechtbank heeft aan verdachte een deels voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, omdat zij vooral gebaat is bij passende hulp en begeleiding. Inmiddels is verdachte opgenomen in een FPA waar haar behandeling is aangevangen. Verdachte is in deze setting op haar plek en profiteert van de structuur en begeleiding die haar geboden wordt. De rechtbank acht het van belang dat verdachte de behandeling voortzet. Verder zijn aan verdachte onder meer een meldplicht en middelencontroles opgelegd.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 157
Wetboek van Strafrecht 350
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

parketnummer 18/136274-20

vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 november 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1977 te [geboorteplaats] ,

verblijvende in de [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 november 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J. Andonovski, advocaat te Heerenveen.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. I. Kluiter.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

zij op of omstreeks 14 mei 2020 te Drachten, in de gemeente Smallingerland,
opzettelijk brand heeft gesticht aan een schutting, behorende bij een flat(woning), gelegen aan of bij de [straatnaam] , aldaar, immers heeft zij, verdachte, opzettelijk een krant, althans papier, tussen de/een schuttingplank van de/een schutting gestoken en (vervolgens) die krant, althans dat papier, met een aansteker in brand gestoken, in elk geval (telkens) opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die schutting geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (een) ander(e) schutting(en) en/of voor ander(e) goeder(en) in de (dichte) nabijheid van die schutting(en) en/of voor de aldaar aanwezige flatwoning en/of voor een of meer andere flatwoning(en) en/of voor een of meer woning(en) /pand(en) in de directe omgeving van die flat/flatwoning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of
levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die flat/flatwoning aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en) en/of voor bewoner(s)/perso(o)n(en) van de in de directe nabijheid van die flat/flatwoning aanwezige woning(en)/pand(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 14 mei 2020 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een schutting, behorende bij een flat(woning), gelegen aan of bij de [straatnaam] , met dat opzet een krant, althans papier, tussen de/een schuttingplank van de/een schutting heeft gestoken en (vervolgens) die krant, althans dat papier, met een aansteker in brand heeft gestoken, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof,
en daarvan gemeen gevaar voor (een) ander(e) schutting(en) en/of voor ander(e) goeder(en) in de (dichte) nabijheid van die schutting(en) en/of voor de aldaar aanwezige flatwoning en/of voor een of meer andere flatwoning(en) en/of voor een of meer woning(en) /pand(en) in de directe omgeving van die flat/flatwoning in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die flat/flatwoning aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en) en/of voor bewoner(s)/perso(o)n(en) van de in de directe nabijheid van die flat/flatwoning aanwezige woning(en)/pand(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

2.
zij op of omstreeks 19 mei 2020 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk brand heeft gesticht aan een schutting, behorende bij een flat(woning), gelegen aan of bij de [straatnaam] , aldaar, immers heeft zij, verdachte, toen aldaar, opzettelijk een krant, althans papier, tussen de/een schuttingplank van de/een schutting gestoken en (vervolgens) die krant, althans dat papier, met een aansteker in brand gestoken, in elk geval opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan die schutting geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor (een) ander(e) schutting(en) en/of voor ander(e) goeder(en) in de (dichte) nabijheid van die schutting(en) en/of voor de aldaar aanwezige flatwoning en/of voor een of meer andere flatwoning(en) en/of voor een of meer woning(en) /pand(en) in de directe omgeving van die flat/flatwoning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die flat/flatwoning aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en) en/of voor bewoner(s)/perso(o)n(en) van de in de directe nabijheid van die flat/flatwoning aanwezige woning(en)/pand(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 19 mei 2020 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een schutting, behorende bij een flat(woning), gelegen aan of bij de [straatnaam] , met dat opzet een krant, althans papier, tussen de/een schuttingplank van de/een schutting heeft gestoken en (vervolgens) die krant, althans dat papier, met een aansteker in brand heeft gestoken, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof,
en daarvan gemeen gevaar voor (een) ander(e) schutting(en) en/of voor ander(e) goeder(en) in de (dichte) nabijheid van die schutting(en) en/of voor de aldaar aanwezige flatwoning en/of voor een of meer andere flatwoning(en) en/of voor een of meer woning(en) /pand(en) in de directe omgeving van die flat/flatwoning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die flat/flatwoning aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en) en/of voor bewoner(s)/perso(o)n(en) van de in de directe nabijheid van die flat/flatwoning aanwezige woning(en)/pand(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.
zij op of omstreeks 5 mei 2020 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, opzettelijk brand heeft gesticht aan een voordeur van een flatwoning, gelegen aan of bij de [straatnaam] , aldaar, immers heeft zij, verdachte, opzettelijk een brandende krant, althans brandend papier, in de brievenbus van die flatwoning gestoken, in elk geval opzettelijk open vuur in aanraking gebracht met een brandbare stof, ten gevolge waarvan de voordeur van die flatwoning geheel of gedeeltelijk is verbrand, in elk geval brand is ontstaan, en daarvan gemeen gevaar voor die flatwoning en/of voor een of meer andere aanwezige flatwoning(en) en/of voor de in die flatwoning aanwezige goederen en/of voor de in andere flatwoningen aanwezige goederen en/of voor een of meer woning(en) /pand(en) in de directe omgeving van die flat/flatwoning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die flatwoning aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en) en/of voor een of meer in de andere flatwoningen aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en) en/of voor bewoner(s)/perso(o)n(en) van de in de directe nabijheid van die flat/flatwoning aanwezige woning(en)/pand(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was;


subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 5 mei 2020 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een voordeur van een flatwoning en/of aan de flatwoning, gelegen aan of bij de [straatnaam] , aldaar,
met dat opzet een brandende krant, althans brandend papier, in de brievenbus van die flatwoning heeft gestoken, in elk geval met dat opzet open vuur in aanraking heeft gebracht met een brandbare stof, en daarvan gemeen gevaar voor die flatwoning en/of voor een of meer andere aanwezige flatwoning(en) en/of voor de in die flatwoning aanwezige goederen en/of voor de in andere flatwoningen aanwezige goederen en/of voor een of meer woning(en) /pand(en) in de directe omgeving van die flat/flatwoning, in elk geval gemeen gevaar voor goederen en/of levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een of meer in die flatwoning aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en) en/of voor een of meer in de andere flatwoningen aanwezige bewoner(s)/perso(o)n(en) en/of voor bewoner(s)/perso(o)n(en) van de in de directe nabijheid van die flat/flatwoning aanwezige woning(en)/pand(en), in elk geval levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor een ander of anderen te duchten was terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

meer subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:

zij op of omstreeks 5 mei 2020 te Drachten, in de gemeente Smallingerland opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur van een flatwoning, gelegen aan of bij de [straatnaam] , in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een ander, te weten aan Woonfriesland Drachten toebehoorde, heeft vernield, beschadigd, onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt;

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor het onder 1. primair tenlastegelegde en voor het onder feit 3. primair en subsidiair tenlastegelegde. De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het onder 1. subsidiair, 2. primair en 3. meer subsidiair tenlastegelegde. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. Uit het dossier kan niet worden afgeleid dat er op 14 mei 2020 daadwerkelijk sprake is geweest van een brand nu onduidelijk is of de schutting vlam heeft gevat. Verdachte heeft wel geprobeerd een brand te veroorzaken waarmee zij zich schuldig heeft gemaakt aan poging tot brandstichting waardoor gemeen gevaar voor goederen te duchten was. Van levensgevaar voor personen was geen sprake, voor dit deel van de tenlastelegging dient vrijspraak te volgen. Op 19 mei 2020 is sprake geweest van een voltooide brandstichting. De politie heeft ter plaatse geconstateerd dat de schutting smeulde en dat er roetvlekken zichtbaar waren op de schutting. Door deze brand was gemeen gevaar voor goederen te duchten, maar van levensgevaar voor personen is geen sprake geweest. Met betrekking tot het incident op 5 mei 2020 heeft het forensisch onderzoek uitgewezen dat de brandende krant in de brievenbus onvoldoende hitte kon generen om een brand te veroorzaken. Derhalve is er enkel sprake geweest van een vernieling.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1. primair en 2. primair tenlastegelegde. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat er geen sprake is geweest van voltooide misdrijven, maar van twee pogingen tot brandstichting. Niet is gebleken dat er op 14 en 19 mei 2020 brand heeft gewoed. De raadsvrouw heeft partiële vrijspraak bepleit met betrekking tot het onder 1. subsidiair en 2. subsidiair tenlastegelegde, in die zin dat er geen levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen te duchten was. De raadsvrouw heeft tevens vrijspraak bepleit met betrekking tot het onder 3. primair en subsidiair tenlastegelegde: voor deze feiten bevat het dossier onvoldoende bewijs. Voor het onder 3. meer subsidiair tenlastegelegde kan een veroordeling volgen.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht de feiten zoals deze onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 3. subsidiair ten laste zijn gelegd, niet wettig en overtuigend bewezen, zodat verdachte hiervan zal worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt hiertoe het volgende.

Feit 1. primair

Voor een voltooide brandstichting moet naar het oordeel van de rechtbank in ieder geval vast komen te staan dat de schutting vlam heeft gevat en aldus heeft gebrand. Verdachte heeft bekend dat zij op 14 mei 2020 een krant tussen de planken van een schutting heeft gestoken en de krant in aanraking heeft gebracht met vuur. Op basis van het dossier kan echter niet worden vastgesteld dat de schutting vlam heeft gevat. Daarbij is in aanmerking genomen dat er geen nader (forensisch) onderzoek heeft plaatsgevonden op de plaats delict die aanleiding zou hebben kunnen geven voor een andersluidende conclusie. Ook anderszins zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die wijzen op een brand. Derhalve is geen sprake geweest van brandstichting. De rechtbank zal verdachte vrijspreken van het onder 1. primair tenlastegelegde.

Feit 2. primair

Verdachte heeft verklaard dat zij op 19 mei 2020 wederom een krant tussen een aantal schuttingplanken heeft gestoken en vervolgens die krant in aanraking heeft gebracht met vuur. De rechtbank overweegt, net als hiervoor, dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat het vuur is overgeslagen naar de schutting en dat er daadwerkelijk brand heeft gewoed. Dit kan ook niet worden afgeleid uit de getuigenverklaring van [getuige 2] of de bevindingen van de verbalisanten: zij hebben geen brand waargenomen. Nu niet is komen vast te staan dat het door verdachte beoogde gevolg is ingetreden, is geen sprake van een voltooide brandstichting. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het onder feit 2. primair tenlastegelegde.

Feit 3. primair en feit 3. subsidiair

Verdachte heeft verklaard dat zij op 5 mei 2020 een krant in de brievenbus van een leegstaande woning aan de [straatnaam]-5 heeft gestoken en deze in aanraking heeft gebracht met vuur. Vervolgens heeft zij de brandende krant weer uit de brievenbus getrokken omdat zij zich realiseerde dat bewoners in bovengelegen etages gevaar zouden kunnen lopen. Volgens forensisch onderzoek kon de brandende krant zeer waarschijnlijk niet voldoende warmte en vuur kon genereren om de leegstaande woning vlam te laten vatten. Aldus is niet vast komen te staan dat door het handelen van verdachte een brand is of kon ontstaan. De rechtbank is op grond hiervan van oordeel dat van een brandstichting of een poging daartoe geen sprake is geweest. Daarom zal verdachte van deze feiten worden vrijgesproken.

De rechtbank acht de feiten onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. meer subsidiair wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte deze feiten duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering. Ieder bewijsmiddel is -ook in onderdelen- slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft. Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 10 november 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte met bijlagen van 20 mei 2020, opgenomen op pagina 66 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer 2020139271 d.d. 29 mei 2020, inhoudend de verklaring van [getuige 1] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor getuige van 20 mei 2020, opgenomen op pagina 53 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 2] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van forensisch onderzoek woning ([straatnaam], Drachten) van 14 mei 2020, los bijgevoegd bij voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [getuige 3] .

Bewijsoverweging

De rechtbank is met de officier van justitie en de raadsvrouw van oordeel dat er met de pogingen tot brandstichting op 14 en 19 mei 2020 enkel gemeen gevaar voor goederen is ontstaan. Dat er ook sprake is geweest van te duchten levensgevaar en/of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel voor personen volgt niet uit het dossier. Zo heeft ter plaatse geen nader (forensisch) onderzoek plaatsgevonden en de situatie ter plekke is in het dossier onvoldoende inzichtelijk gemaakt om dit te kunnen beoordelen. Ook anderszins zijn geen omstandigheden aannemelijk geworden die duiden op gevaar voor personen. Daarom zal verdachte voor dit deel van de tenlastelegging worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feiten 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. meer subsidiair wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

zij op 14 mei 2020 te Drachten ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een schutting behorende bij een flatwoning, gelegen aan de [straatnaam] , met dat opzet een krant tussen een schuttingplank van een schutting heeft gestoken en vervolgens die krant met een aansteker in brand heeft gestoken en daarvan gemeen gevaar voor een schutting en voor andere goederen in de (dichte) nabijheid van die schutting te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

zij op 19 mei 2020 te Drachten ter uitvoering van het door haar voorgenomen misdrijf om opzettelijk brand te stichten aan een schutting behorende bij een flatwoning gelegen aan de [straatnaam] , met dat opzet een krant tussen een schuttingplank van een schutting heeft gestoken en vervolgens die krant met een aansteker in brand heeft gestoken en daarvan gemeen gevaar voor een schutting en voor andere goederen in de (dichte) nabijheid van die schutting te duchten was, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

en

zij op 5 mei 2020 te Drachten opzettelijk en wederrechtelijk een voordeur van een flatwoning gelegen aan de [straatnaam] dat aan een ander, te weten aan Woonfriesland Drachten toebehoorde, heeft vernield.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. subsidiair poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

2. subsidiair poging tot opzettelijk brand stichten, terwijl daarvan gemeen gevaar voor goederen te duchten is.

3. meer subsidiair opzettelijk en wederrechtelijk een goed dat aan een ander toebehoort, vernielen.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

Ten aanzien van de strafbaarheid van verdachte heeft de rechtbank gelet op de psychiatrische onderzoeksrapportage van 1 november 2020, opgemaakt door T.W.D.P. van Os, psychiater, en de psychologische onderzoeksrapportage van 27 oktober 2020, opgemaakt door F.A.M. de Reeper, psycholoog. De conclusies van deze rapporten luiden, zakelijk weergegeven, dat er bij verdachte sprake is van een licht verstandelijke ontwikkelingsstoornis, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol, een ongespecificeerde trauma of stressor gerelateerde stoornis. Volgens de psycholoog is voorts sprake van een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende trekken. De psychiater ziet ook vermijdende kenmerken, maar niet in die mate dat sprake is van een persoonlijkheidsstoornis.
De stoornissen waren aanwezig tijdens het tenlastegelegde en waren van invloed op het denken en handelen van verdachte. Haar coping van moeilijkheden, stress en negatieve emoties zijn beperkt en onderhevig aan de toestand van het moment. Als gevolg van de beperking en stoornissen denkt zij negatief over zichzelf en bij ongunstige omstandigheden raakt ze in zichzelf gekeerd en heeft ze last van herinneringen aan vroegere trauma's. Het lukt haar onder dergelijke omstandigheden onvoldoende om negatieve emoties, frustraties en stress te reguleren en haar gedrag te sturen. Dit speelde ook tijdens het plegen van de feiten. Door de uitbraak van het coronavirus vielen diverse steunpilaren voor verdachte weg, zoals haar dagbesteding en vrijwilligerswerk. Verdachte raakte depressief en viel terug in alcoholmisbruik hetgeen ontremmend werkte voor haar impulsen. Daarnaast was verdachte onvoldoende in staat om op adequate wijze hulp te zoeken. Haar alcoholgebruik heeft haar verder ontremd in het willen laten afvloeien van onlust en stress en door de aanhoudende periode van frustratie en isolement heeft zij voornoemde feiten gepleegd. Er is bij verdachte geen sprake van pyromanie.

Beide gedragsdeskundigen adviseren de tenlastegelegde feiten in verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met deze conclusies verenigen en neemt deze over en concludeert met betrekking tot de toerekeningsvatbaarheid van verdachte dat het bewezen verklaarde aan verdachte in verminderde mate kan worden toegerekend.

De rechtbank acht verdachte strafbaar, nu geen sprake is van volledige ontoerekeningsvatbaarheid en er ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van de feiten 1. subsidiair, 2. primair en 3. meer subsidiair wordt veroordeeld tot een gevangenisstaf voor de duur van 512 dagen waarvan 147 dagen onvoorwaardelijk, zodat het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan het voorarrest. Aan het voorwaardelijk strafdeel van 365 dagen dient een proeftijd te worden verbonden van twee jaar en de navolgende bijzondere voorwaarden: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan middelencontroles en dagbesteding.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft een straf bepleit die gelijk is aan de eis van de officier van justitie.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder de feiten zijn begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het psychiatrisch onderzoeksrapport van 1 november 2020, het psychologisch onderzoeksrapport van 27 oktober 2020, het reclasseringsadvies van 3 november 2020,

het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft tot twee keer toe geprobeerd een schutting in brand te steken nabij de flatwoning waar zij woonachtig was. Daarnaast heeft verdachte een voordeur van een leegstaand appartement vernield door een krant in brand te steken die zij in de brievenbus had gestoken.

Mede dankzij oplettende buurtbewoners is de schade relatief beperkt gebleven en is geen brand uitgebroken. Dit neemt niet weg dat verdachte, bij herhaling, een gevaarlijke situatie heeft veroorzaakt. Het is algemeen bekend dat vuur uiterst onvoorspelbaar is en verstrekkende gevolgen kan hebben. Ook heeft verdachte gevoelens van angst, onveiligheid en onrust veroorzaakt in haar voormalige woonomgeving. Die gevoelens zijn versterkt door een aantal vergelijkbare incidenten met vuur die in de nabije omgeving plaatsvonden in de periode waarin verdachte de feiten heeft gepleegd. Verdachte heeft geen oog gehad voor deze gevoelens, noch voor de mogelijke gevolgen van haar gedrag en liet zich enkel leiden door haar eigen emoties en impulsen.

Tegelijkertijd stelt de rechtbank vast dat verdachte onder meer kampt met een verstandelijke beperking en een stoornis in het gebruik van een alcohol, hetgeen van invloed is geweest op haar denken en handelen. Verdachte bleek niet goed in staat haar emoties en impulsen te controleren. Het in de coronatijd wegvallen van beschermende factoren in de vorm van begeleiding, dagbesteding en een steunend netwerk in combinatie met de stoornissen en kwetsbaarheden van verdachte hebben sterk bijgedragen aan het plegen van de feiten. Verdachte voelde zich eenzaam en wanhopig, dronk veel alcohol en slaagde er niet in om adequaat hulp te vragen voor haar problemen. Nu de rechtbank verdachte verminderd toerekeningsvatbaar acht, zal hiermee rekening worden gehouden bij de bepaling van de straf.

Gezien de ernst van de delicten volstaat naar het oordeel van de rechtbank enkel oplegging van een gevangenisstraf. De rechtbank zal een groot deel van die straf voorwaardelijk opleggen gelet op het hiervoor overwogene en het feit dat verdachte vooral gebaat is bij passende hulp en begeleiding. Inmiddels is verdachte opgenomen in de FPA te Franeker waar haar behandeling is aangevangen. Verdachte is in deze setting op haar plek en profiteert van de structuur en begeleiding die haar geboden wordt. De rechtbank acht het van belang dat verdachte de behandeling voortzet en neemt het advies van de reclassering over, in die zin dat aan het voorwaardelijk strafdeel de aanbevolen voorwaarden worden verbonden. Het innemen van medicatie zal daarvan worden uitgezonderd nu niet van een noodzaak daarvoor is gebleken.

Verdachte heeft zich bereid en gemotiveerd getoond zich aan de bijzondere voorwaarden te houden en staat open voor verdere behandeling en (reclasserings)toezicht.

Met betrekking tot de duur van de gevangenisstraf zal de rechtbank bepalen dat het onvoorwaardelijk strafdeel gelijk is aan het voorarrest. Verder zal de rechtbank een voorwaardelijk strafdeel bepalen van 180 dagen, een langer voorwaardelijk strafrestant acht de rechtbank in verhouding tot de ernst van de feiten niet passend. Daarbij is tevens het lage recidiverisico in aanmerking genomen, evenals het strafblad van verdachte waaruit volgt dat zij niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor brandstichting of geweldsmisdrijven.

Alles overwegende, zal de rechtbank verdachte een gevangenisstraf opleggen voor de duur van 327 dagen waarvan 180 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Aan de proeftijd zullen de volgende bijzondere voorwaarden worden verbonden: een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, een ambulante behandeling, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, meewerken aan middelencontroles en dagbesteding.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 45, 57, 157 en 350 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank:

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte onder 1. primair, 2. primair, 3. primair en 3. subsidiair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1. subsidiair, 2. subsidiair en 3. meer subsidiair ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 327 dagen

Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf (een gedeelte, groot 180 dagen), niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond, dat de veroordeelde voor het einde van of gedurende de proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaar, de hierna te noemen voorwaarden niet heeft nageleefd.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis.

Voorwaarde is, dat de veroordeelde zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

Stelt als bijzondere voorwaarden:

- dat veroordeelde zich binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis telefonisch meldt bij de reclassering van Verslavingszorg Noord-Nederland (VNN), Oostergoweg 6 te Leeuwarden via het telefoonnummer [telefoonnummer]. Veroordeelde blijft zich daarna melden op afspraken met de reclassering, zo vaak en zolang de reclassering dat nodig vindt;

- dat veroordeelde de opname continueert in de [instelling] van GGZ Friesland, locatie [locatie] , of in een soortgelijke instelling. De opname duurt een jaar of zoveel korter als de reclassering in overleg met de behandelend geneesheer nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- dat veroordeelde zich laat behandelen door de Forensische Polikliniek of een soortgelijke zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling;

- dat veroordeelde verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan de opname in de zorginstelling. Het verblijf duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor haar heeft opgesteld.

- dat veroordeelde meewerkt aan controles van het gebruik van alcohol om het middelengebruik te beheersen. De reclassering kan urineonderzoek en ademonderzoek (blaastest) gebruiken voor de controles. De reclassering bepaalt hoe vaak veroordeelde wordt gecontroleerd;

- dat veroordeelde meewerkt aan het vinden en behouden van dagbesteding in de vorm van dagbesteding of (betaalde) arbeid, indien en voor zolang de reclassering dit nodig vindt.

Geeft aan voornoemde reclasseringsinstelling de opdracht als bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.

Voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van haar identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk vindt, daaronder begrepen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. G.W.G. Wijnands, rechters, bijgestaan door mr. M. Postma, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2020. De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.