Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:4083

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
25-11-2020
Zaaknummer
18/730012-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 jaar en TBS met voorwaarden. Verdachte heeft zich vele malen schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van zijn twee stiefdochters. Twee jonge meisjes die, na het overlijden van hun moeder, door verdachte werden opgevoed en verzorgd. Het misbruik is bij beide meisjes begonnen toen zij ongeveer 10 jaar oude waren en duurde tot hun 17-18e jaar. Bij een van de meisjes was ook sprake van penetratie en het fotograferen en filmen daarvan.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 240b
Wetboek van Strafrecht 245
Wetboek van Strafrecht 248
Wetboek van Strafrecht 249
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0890
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18/730012-20

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 24 november 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte],

geboren op [geboorteplaats] 1971 te [geboortedatum],

thans gedetineerd in de [instelling].

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 10 november 2020.

Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. E. Albayrak, advocaat te Heerenveen. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging d.d. 21 juli 2020, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 27 februari 2009 tot 2 augustus 2016, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, meerdere malen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, althans met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1999, bestaande die ontucht hierin dat hij zich, telkens, liet aftrekken door die [slachtoffer 1] en/of haar heeft betast bij haar borsten en/of billen en/of vagina en/of zijn penis tegen haar vagina en/of in/tegen haar mond heeft gebracht;

2.

hij in of omstreeks de periode van 10 december 2011 tot 10 december 2019, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, meerdere malen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, althans met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2001, bestaande die ontucht hierin dat hij, telkens, zich liet aftrekken door die [slachtoffer 2] en/of haar heeft betast bij haar borsten en/of billen en/of vagina;

3.

hij in of omstreeks de periode van 10 december 2013 tot 10 december 2017, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2001, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meerdere malen, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], te weten het haar, telkens, oraal en/of vaginaal penetreren met zijn penis en/of vinger(s);

4.

hij in of omstreeks de periode van 10 december 2017 tot en met 10 december 2019, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, meerdere malen, althans eenmaal,

door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid, te weten door te slaan en/of (anderszins) geweld te gebruiken en/of door te zeggen: “Je moet niet zeuren, ik ga dat gewoon doen”, althans woorden van gelijke (dwingende) aard en/of strekking, en/of door uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht, te weten (onder meer) in zijn rol als (beduidend oudere en/of enige) verzorger, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2001) heeft gedwongen tot het ondergaan van een of meer handelingen die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], te weten het (telkens) haar vaginaal en/of oraal penetreren met zijn penis en/of vinger(s);

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 10 december 2017 tot en met 10 december 2019, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, meerdere malen, althans eenmaal,

ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, althans met de aan zijn zorg en/of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2001), door (telkens) haar vaginaal en/of oraal te penetreren met zijn penis en/of vinger(s);

5.

hij op een of meer tijdstippen, in of omstreeks de periode van 27 februari 2009 tot 10 december 2019, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, althans in Nederland

meermalen, althans eenmaal (telkens)

afbeeldingen – en/of gegevensdragers, bevattende afbeeldingen – te weten filmpjes en/of foto’s

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2001), is betrokken of schijnbaar is betrokken,

heeft vervaardigd,

welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – onder meer bestonden uit:

het met de penis oraal en/of vaginaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 2], althans een persoon die kennelijk de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt

en/of

het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 2]

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van [slachtoffer 1].

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het onder 1 ten laste gelegde, gelet op de betrouwbare en gedetailleerde verklaring van aangeefster [slachtoffer 1] en de deels bekennende verklaring van verdachte. Er is geen reden om te twijfelen aan de door aangeefster verklaarde feitelijke handelingen, aangezien het seksuele misbruik van [slachtoffer 2] eenzelfde opbouw en uitvoering had. Er is in elk geval sprake van aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

Ten aanzien van [slachtoffer 2].

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd van het onder 2, 3 en 5 ten laste gelegde, gelet op de betrouwbare en gedetailleerde verklaring van aangeefster [slachtoffer 2], het aangetroffen beeldmateriaal en de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van feit 2 is er in elk geval sprake van aan zijn zorg en waakzaamheid toevertrouwde minderjarige.

De officier van justitie heeft voorts veroordeling gevorderd van het onder 4 primair ten laste gelegde, gelet op de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] en het aangetroffen beeldmateriaal. Uit de beelden en de verklaring van aangeefster over haar tatoeages blijkt dat zij zeventien jaar oud was tijdens het seksuele binnendringen. Voorts blijkt dat verdachte een dwingend persoon is die geweld niet schuwt.

Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van [slachtoffer 1].

De raadsman heeft zich ten aanzien van het onder 1 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank, met uitzondering van de handelingen die zien op de poging tot penetratie met de penis van de vagina en het in/tegen de mond brengen van de penis. Verdachte heeft deze handelingen immers ontkend en overig steunbewijs ontbreekt. Over deze handelingen heeft [slachtoffer 1] voorts niet eenduidig verklaard. Het pijpen is niet benoemd tijdens het informatieve gesprek.

Ten aanzien van [slachtoffer 2].

De raadsman heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank omtrent het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde.

Ten aanzien van het onder 4 primair ten laste gelegde heeft de raadsman vrijspraak bepleit.

Verdachte heeft ontkend dat hij geweld heeft gebruikt voor het bewerkstelligen van het seksuele contact. Bij verdachte ontbrak het opzet. Verdachte was in de veronderstelling dat [slachtoffer 2] het niet vervelend vond om hem te helpen. Het ten laste gelegde geweld en de woorden volgen enkel uit de verklaring van aangeefster, waardoor steunbewijs ontbreekt. Uit de door de politie gemaakte beschrijving van de penetratie en het pijpen, zoals blijkt uit de films, blijkt niet van dwang. Daarbij komt dat aangeefster wisselend heeft verklaard over de frequentie van de verkrachting en haar leeftijd toen. Het enkele bestaan van een afhankelijkheidsrelatie is onvoldoende bewijs voor de ten laste gelegde dwang.

Het oordeel van de rechtbank 1

Ten aanzien van [slachtoffer 1].

Uit het informatieve gesprek met aangeefster [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1999, (verder: [slachtoffer 1]) blijkt het volgende. [slachtoffer 1] heeft verklaard dat haar moeder eind 2009 ziek is geworden, waarna zij na acht maanden is overleden. Toen [slachtoffer 1] moeder nog leefde, maar wel ziek was, kwam haar stiefvader (verder: verdachte) bij [slachtoffer 1] onder de douche staan. Op verzoek van verdachte heeft [slachtoffer 1] hem afgetrokken. [slachtoffer 1] heeft dit aan haar moeder verteld. Na het overlijden van haar moeder heeft [slachtoffer 1] verdachte om de dag afgetrokken. Toen [slachtoffer 1] twaalf jaar was heeft verdachte haar willen ontmaagden. Hij kwam bijna met zijn penis in haar vagina.2 Verdachte heeft ook vaak [slachtoffer 1] borsten betast. Dit alles heeft geduurd tot [slachtoffer 1] in 2016 een relatie kreeg.3

Uit de aangifte, enkele dagen na het informatieve gesprek, blijkt dat verdachte en [slachtoffer 1] moeder in 2006 zijn getrouwd. Het misbruik van [slachtoffer 1] heeft plaatsgevonden in de woning in [pleegplaats].4 [slachtoffer 1] heeft herhaald dat de eerste keer aftrekken plaatsvond toen haar moeder nog leefde en dat zij verdachte in de douche moest aftrekken. Zij heeft verdachte een aantal keren afgetrokken toen haar moeder nog leefde. Na het overlijden van moeder is het misbruik doorgegaan. Verder heeft verdachte haar borsten vastgehouden en kreeg zij wel een tik op haar billen.5

Toen [slachtoffer 1] ongeveer dertien jaar oud was heeft verdachte haar willen penetreren. Zij voelde zijn penis tegen haar buitenste schaamlippen. Verdachte raakt ook haar vagina aan. [slachtoffer 1] heeft verdachte in zijn eikel gebeten toen hij voorstelde dat [slachtoffer 1] hem moest pijpen.6

Verdacht heeft bekend dat hij zich heeft laten aftrekken door [slachtoffer 1].7

De rechtbank neemt de verklaringen van [slachtoffer 1] als uitgangspunt. Zij heeft consistent verklaard en de rechtbank heeft geen onverklaarbare tegenstrijdigheden in de door haar afgelegde verklaringen kunnen vaststellen, op grond waarvan zou kunnen worden geconcludeerd dat haar verklaringen niet op waarheid berusten. De verklaringen van [slachtoffer 1] worden bovendien ondersteund door de deels bekennende verklaring van verdachte.

Over de overige ten laste gelegde seksuele handelingen heeft verdachte verklaard dat hij zich dat niet kan herinneren. Wel heeft hij met [slachtoffer 2], zijn andere stiefdochter, dergelijke seksuele handelingen verricht. Bovendien heeft verdachte telkens verklaard dat hij zich de periode en de overige handelingen niet kan herinneren, maar geen reden heeft om te veronderstellen dat [slachtoffer 1] iets anders dan de waarheid heeft verklaard.8 De rechtbank verwerpt daarmee de verweren van de verdediging. De rechtbank acht het onder 1 ten laste gelegde dan ook wettig en overtuigend bewezen.

Anders dan de officier van justitie is de rechtbank van oordeel dat [slachtoffer 1] een stiefkind is van verdachte, gelet op het huwelijk van verdachte en [slachtoffer 1] moeder. Ook na het overlijden van [slachtoffer 1] moeder is er sprake van het zijn van een stiefkind.9

Ten aanzien van [slachtoffer 2].

Aangeefster [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2001, (verder: [slachtoffer 2]) heeft niet uitdrukkelijk verklaard over verkrachting in de onder 4 ten laste gelegde periode van 10 december 2017 tot en met 10 december 2019. De gedetailleerde verklaring van [slachtoffer 2] omtrent verkrachting ziet immers op een moment voor haar zestiende verjaardag.

Hoewel uit het dossier blijkt van penetratie van [slachtoffer 2] door verdachte in de ten laste gelegde periode van 10 december 2017 tot en met 10 december 2019, blijkt niet dat er toen sprake was van geweld/bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid. Dit blijkt niet uit het aangetroffen beeldmateriaal van seksueel binnendringen door verdachte bij [slachtoffer 2]. De afhankelijkheidsrelatie tussen verdachte en [slachtoffer 2] en het veronderstelde geweld/bedreiging door verdachte jegens [slachtoffer 2] is onvoldoende specifiek om daarmee een causaal verband vast te stellen met betrekking tot het seksuele binnendringen. Nu verdachte het ten laste gelegde heeft ontkend zal de rechtbank verdachte van het onder 4 primair ten laste gelegde vrijspreken.

De rechtbank acht het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen. De rechtbank volstaat ten aanzien van het bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu de verdachte het bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Uit de verklaringen van [slachtoffer 2]10, het proces-verbaal beschrijving kinderpornografisch materiaal11, het proces-verbaal van bevindingen12 en de bekennende verklaring van verdachte13 blijkt genoegzaam dat verdachte het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde heeft begaan op de wijze zoals hierna is bewezenverklaard.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht feit 1, 2, 3, 4 subsidiair, en 5 wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 27 februari 2009 tot 2 augustus 2016, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, meerdere malen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, [slachtoffer 1], geboren op [geboortedatum] 1999, bestaande die ontucht hierin dat hij zich, telkens, liet aftrekken door die [slachtoffer 1] en haar heeft betast bij haar borsten en billen en vagina en zijn penis tegen haar vagina en in en tegen haar mond heeft gebracht;

2.

hij in de periode van 10 december 2011 tot 10 december 2019, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, meerdere malen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2001, bestaande die ontucht hierin dat hij, telkens, zich liet aftrekken door die [slachtoffer 2] en haar heeft betast bij haar borsten en billen en vagina;

3.

hij in de periode van 10 december 2013 tot 10 december 2017, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, met [slachtoffer 2], geboren op [geboortedatum] 2001, een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, meerdere malen, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer 2], te weten het haar, telkens, oraal en vaginaal penetreren met zijn penis en/of vingers;

4 subsidiair.

hij in de periode van 10 december 2017 tot en met 10 december 2019, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, meerdere malen, ontucht heeft gepleegd met zijn minderjarig stiefkind, [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2001), door telkens haar vaginaal en oraal te penetreren met zijn penis en/of vingers;

5.

hij op tijdstippen, in de periode van 27 februari 2009 tot 10 december 2019, te [pleegplaats], gemeente Ferwerderadiel, meermalen,

(telkens) afbeeldingen – en gegevensdragers, bevattende afbeeldingen – te weten filmpjes en foto’s

van seksuele gedragingen, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet had bereikt, te weten [slachtoffer 2] (geboren op [geboortedatum] 2001), is betrokken,

heeft vervaardigd,

welke seksuele gedragingen – zakelijk weergegeven – onder meer bestonden uit:

het met de penis oraal en vaginaal penetreren van het lichaam van die [slachtoffer 2],

en

het zich laten aftrekken door die [slachtoffer 2]

en hij aldus van het plegen van dit misdrijf een gewoonte heeft gemaakt.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Ontucht plegen met zijn minderjarige stiefkind, meermalen gepleegd.

2. Ontucht plegen met zijn minderjarige stiefkind, meermalen gepleegd.

3. Met iemand, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, terwijl de schuldige het feit begaat tegen een kind dat hij verzorgt of opvoedt als behorend tot zijn gezin, meermalen gepleegd.

4 subsidiair. Ontucht plegen met zijn minderjarige stiefkind, meermalen gepleegd.

5. Een gegevensdrager, bevattende een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken, vervaardigen, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte is gemaakt.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie vordert veroordeling van verdachte ter zake het onder 1, 2, 3, 4 primair en 5 ten laste gelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaar. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden (hierna: TBS met voorwaarden) zal worden opgelegde met de door de reclassering geadviseerde voorwaarden inclusief dadelijke uitvoerbaarheid, alsmede de Gedragsbeïnvloedende en Vrijheidsbeperkende Maatregel (hierna: GVM) conform artikel 38z Sr.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair bepleit de oplegging van een gevangenisstraf te beperken tot de duur van maximaal 30 maanden onder verwijzing naar vier uitspraken (ECLI:NL:RBNNE:2017:4059, ECLI:NL:RBNNE:2018:2173, ECLI:NL:GHARL:2019:1881 en ECLI:NL:GHARL:2020:4113) en de door de deskundigen vastgestelde verminderde toerekeningsvatbaarheid van verdachte. Subsidiair heeft de raadsman bepleit, onder verwijzing naar ECLI:NL:RBNNE:2020:3727, een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren op te leggen.

De raadsman en verdachte hebben zich niet verzet tegen oplegging van TBS met voorwaarden onder de door de reclassering geadviseerde voorwaarden.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de rapportages van de psychiater, psycholoog en reclassering, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

Ad informandum.

Verdachte heeft het onder 1 ad informandum gevoegde feit erkend ten aanzien van zijn stiefdochter [slachtoffer 1], maar niet ten aanzien van zijn dochter [naam 1]. Voorts heeft verdachte het onder 2 ad informandum gevoegde feit erkend. De rechtbank zal bij de bepaling van de straf enkel rekening houden met de door verdachte erkende ad informandum gevoegde feiten, die hiermee zijn afgedaan.

Ernst van de feiten.

Verdachte heeft zich vele malen schuldig gemaakt aan het seksueel misbruik van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2]. Twee jonge meisjes die, na het overlijden van hun moeder, door verdachte werden opgevoegd en verzorgd. Het misbruik is bij beide meisjes begonnen toen zijn ongeveer tien jaar oud waren en duurde in het geval van [slachtoffer 1] tot haar zeventiende en bij [slachtoffer 2] tot haar achttiende. Bij [slachtoffer 2] was daarbij soms sprake van penetratie (zonder voorbehoedsmiddel), hetgeen ook door verdachte is gefotografeerd en gefilmd.

Verdachte heeft door zijn handelen absoluut geen rekening gehouden met de belangen en gevoelens van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en uitsluitend gehandeld ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Met zijn handelen heeft verdachte het in hem gestelde vertrouwen in zeer ernstige mate beschaamd en heeft hij gedurende een lange periode een zeer onveilige thuissituatie voor hen gecreëerd.

Het behoeft geen betoog dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ernstig zijn beschadigd door het handelen van verdachte. Hun jeugd is hen ontnomen en beide hebben hun eerste seksuele ervaringen met verdachte beleefd, waardoor geen sprake meer kan zijn van een vrije seksuele ontwikkeling. Uit de slachtofferverklaringen en schadevorderingen volgt dat het handelen van verdachte een grote impact op hen heeft gehad en dat zij nog steeds de nadelige gevolgen van het misbruik ondervinden.

Documentatie.

De rechtbank heeft acht geslagen op het de verdachte betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 15 oktober 2020, waaruit blijkt dat hij niet eerder is veroordeeld wegens soortgelijke strafbare feiten.

Persoon van de dader.

De rechtbank beschikt over een psychiatrisch rapport van 20 juli 2020, opgemaakt door V. Rama, psychiater, en een psychologisch rapport van 16 juli 2020, opgemaakt door drs. N.A. Schoenmaker, GZ-psycholoog.

De psychiater heeft geconcludeerd dat verdachte lijdende is aan een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens. Bij verdachte is sprake van een pedofiele stoornis, een ongespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met narcistische en antisociale trekken, en stoornis in alcoholgebruik. Ook zijn er agressieregulatieproblemen (op seksueel gebied, fysiek en verbaal). Ten tijde van het ten laste gelegde waren de stoornissen en gebrekkige ontwikkeling aanwezig. Met name de antisociale en narcistische trekken en de pedofiele stoornis hebben de gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed. Met het overlijden van zijn vrouw (moeder van de slachtoffers) werd verdachte niet meer geremd door de aanwezigheid van toezicht op zijn gedrag en seksuele impulsen. Vanwege de hiervoor genoemde stoornis en gebrekkige ontwikkeling kon verdachte zich overwegen aan zijn impulsen (alcohol, deviante seksuele gedrag, agressie) zonder daarin geremd te worden. Verdachte wist van de strafbaarheid van zijn handelen, maar vanwege de ziekelijke stoornis en gebrekkige ontwikkeling werd hij niet in zijn gedrag geremd/gecorrigeerd. Verdachte heeft ook ernstige tekortkomingen met betrekking tot zijn slachtoffer-empathie, ontbreken van spijtgevoelens en schuldgevoelens. Daarbij hebben cognitieve vervormingen een bijdrage geleverd om zodoende de verantwoordelijkheid van zijn grensoverschrijdende gedrag goed te praten en zijn gedrag te vergoelijken.

De psychiater heeft geadviseerd verdachte het ten laste gelegde verminderd toe te rekenen.

De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij verdachte sprake is van een thans gemeten intelligentie op de grens van een licht verstandelijk beperkt en zwakbegaafd niveau, een gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met vermijdende, dwangmatige, narcistische en antisociale trekken en een ernstige stoornis in alcoholgebruik. Hiervan was ook sprake ten tijde van het ten laste gelegde en deze heeft verdachtes gedragskeuzes en gedragingen beïnvloed.

Verdachte creëerde voor zichzelf een wereld waarin hij zich overgaf aan zijn seksuele impulsen, zijn agressieve impulsen en zijn alcoholgebruik. Agressie zette hij instrumenteel in, om de situatie naar zijn hand te zetten. Met name de narcistische trekken en de antisociale trekken voortkomend uit de persoonlijkheidsstoornis hebben een rol gespeeld bij het tot stand komen van de tenlasteleggingen. Ten gevolge van de narcistische en antisociale trekken in zijn persoonlijkheid toonde hij zich opportunistisch en egoïstisch jegens zijn stiefdochters, hij liet eigen seksuele verlangens en motieven prevaleren, kende onvoldoende impulscontrole om zijn seksuele drang en agressieve impulsen te beteugelen, gebruikte veel dysfunctionele cognities, toonde zich in seksuele zin in sterke mate seksueel grensoverschrijdend, kon disproportioneel boos worden met een instrumenteel karakter, schond de rechten van een ander, kende daarbij weinig empathie en toonde zich niet geïnteresseerd in het wel en wee van de ander. Centraal staan hierbij de gebrekkige zelfbeheersing, een antisociale attitude en antisociale gedragingen en een sterke mate van seksuele preoccupatie.

De psycholoog heeft eveneens geadviseerd om het ten laste gelegde in een verminderde mate aan verdachte toe te rekenen.

De rechtbank kan zich met voornoemde inhoud en conclusies vereniging en concludeert dat de bewezen verklaarde feiten aan verdachte in verminderde mate kunnen worden toegerekend.

De psychiater heeft voorts geconcludeerd dat de kans op seksuele recidive matig tot hoog is. De risicofactoren zijn de persoonlijkheidsstoornis en de pedofiele stoornis, maar ook de antisociale attitude en gedragingen, zijn impulscontroleproblematiek, zijn cognitieve vervormingen en zijn seksuele preoccupatie. Om het recidivegevaar te beperken is geadviseerd om een langdurig (meerjarig) klinisch behandeltraject met beveiligingsniveau passend bij een FPK in een gestructureerde setting in het kader van een TBS met voorwaarden.

De psycholoog heeft eveneens geconcludeerd dat de kans op seksuele recidive matig-hoog is.

Om het recidivegevaar te beperken is een lange klinische behandeling nodig (langer dan een jaar) binnen een setting waar expertise bestaat met betrekking tot zedenproblematiek. Stoornis gerelateerde factoren die bij de behandeling aan de orde dienen te komen zijn de psychische dysfuncties zoals onder andere zijn opportunisme, egocentrisme, antisociale attitude en gedrag, impulscontroleproblematiek, dysfunctionele cognities en zijn seksuele preoccupatie. Voornoemd in een juridisch kader van een TBS met voorwaarden.

Uit het reclasseringsadvies van 20 oktober 2020, opgesteld door [naam 2], reclasseringswerker van Verslavingszorg Noord Nederland blijkt onder meer het volgende. De kans op recidive wordt ook de reclassering op matig-hoog ingeschat. De reclassering deelt de mening van de deskundigen dat een intensief klinisch behandeltraject nodig is, gevolgd door een ambulant hulpverleningstraject en verblijf in een beschermd-wonenvoorziening met toezicht en aandacht voor vroegsignalering. Dit traject kan worden vormgegeven binnen de kaders van de maatregel TBS met voorwaarden en daaropvolgend een GVM. Verdachte staat open voor een behandeling en een gedragsverandering.

Op te leggen straf en maatregel.

Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf voor de duur van vier jaar noodzakelijk is, omdat de aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden. Bijzondere omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten voeren, acht de rechtbank niet aanwezig.

De rechtbank zal daarnaast aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen. Gelet op de inhoud van de rapporten waarin verdachtes psychische problematiek is beschreven, de ernst van de feiten en het gevaar voor recidive, is de rechtbank van oordeel dat een terbeschikkingstelling noodzakelijk is. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat voldaan is aan de eisen die de wet daaraan stelt, te weten:

- bij verdachte bestond tijdens het begaan van het bewezen verklaarde een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens;

- het door verdachte begane feit is een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld;

- de veiligheid van anderen, dan wel de algemene veiligheid van personen eist de oplegging van die maatregel.

De rechtbank zal niet bevelen dat verdachte van overheidswege wordt verpleegd. Wel zal de rechtbank ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen, de na te noemen voorwaarden stellen betreffende het gedrag van verdachte. Verdachte heeft zich bereid verklaard de voorwaarden na te leven. Vanwege de hoogte van de gevangenisstraf is dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden niet opportuun.

De rechtbank ziet geen aanleiding om de GVM als voorwaarde op te leggen. Voor de tenuitvoerlegging van een GVM moet na ommekomst van de gevangenisstraf en TBS met voorwaarden de rechtbank (op vordering van de officier van justitie) toetsen of er op dat moment ernstig rekening mee moet worden gehouden dat verdachte weer een soortgelijk misdrijf pleegt of dat dit nodig is ter voorkoming van ernstig belastend gedrag jegens slachtoffer. De rechtbank overweegt dat de situatie voor verdachte na het ondergaan van de straf en maatregel een geheel andere situatie is dan ten tijde van het bewezenverklaarde. Een theoretische kans op recidive acht de rechtbank onvoldoende om te komen tot opleggen van een GVM, gelet op de leeftijd van verdachte en het feit dat de delicten plaatsvonden in een gezin dat ten opzichte van de buitenwereld tamelijk gesloten was en waarvan verdachte nu geen deel meer uitmaakt.

De rechtbank zal verder een uitzondering maken op het contact met minderjarigen voor verdachtes dochter [naam 1].

Inbeslaggenomen goederen

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft onttrekking aan het verkeer gevorderd van de nog niet aan verdachte teruggegeven goederen genoemd op pagina 410 van het dossier.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich onthouden omtrent enig standpunt ten aanzien van de inbeslaggenomen goederen.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat op de op pagina 410 van het dossier genoemde, aan de verdachte toebehorende, in beslag genomen voorwerpen kinderpornografisch materiaal is aangetroffen en om die reden het ongecontroleerde bezit van die voorwerpen in strijd is met de wet. De rechtbank is dan ook van oordeel dat deze voorwerpen dienen te worden onttrokken aan het verkeer.

Benadeelde partij

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1], tot een bedrag van:

a. a) € 385,00 ter zake van materiële schade

b) € 10.000,00 ter vergoeding van immateriële schade

c) vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan;

2. [slachtoffer 2], tot een bedrag van:

a. a) € 2.392,95 ter vergoeding van materiële schade (onrechtmatig geld van de rekening afgehaald door verdachte), alsmede € 385,00 (eigen risico zorgverzekering), € 20,09 (medicatie) en € 67,20 (reiskosten voor handelingen)

b) € 100.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, subsidiair € 20.000,00 vanwege het seksuele misbruik en € 2.000,00 vanwege de kinderporno

c) vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan

d) € 30,74 aan proceskosten (reiskosten).

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft toewijzing gevorderd van de gehele vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1], te weten € 10.385,00 aan materiële schade en € 10.000,00 aan immateriële schade.

Ten aanzien van de benadeelde partij [slachtoffer 2] heeft de officier van justitie gedeeltelijke toewijzing gevorderd van de vordering, te weten € 435,83 aan materiële schade, reiskosten van € 67,20 en € 22.000,00 aan immateriële schade. Voor het overige dient niet-ontvankelijkheid te volgen.

De officier van justitie heeft telkens de toepassing van de schadevergoedingsmaatregel gevorderd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft bepleit voor de hoogte van de immateriële schadevergoeding telkens aansluiting te zoeken bij ECLI:NL:RBNNE:2018:2173. Subsidiair heeft de raadsman bepleit aan te sluiten bij de categorieën vastgesteld door het Schadefonds geweldsmisdrijven, te weten categorie 3 inzake [slachtoffer 1] en categorie 4 inzake [slachtoffer 2].

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid bepleit van [slachtoffer 2] ten aanzien van het door haar gevorderde weggenomen geldbedrag, aangezien er geen rechtstreeks (causaal) verband is met de ten laste gelegde feiten.

Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van [slachtoffer 1].

Onderdeel a.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de

gestelde materiële schade van € 385,00 heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De vordering, waarvan de hoogte niet door verdachte is betwist, zal daarom worden toegewezen.

Onderdeel b.

Het is aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 bewezen verklaarde. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 10.000,00 toewijzen. De rechtbank heeft voor de hoogte van de immateriële schade aansluiting gezocht bij de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, te weten letselcategorie 4 (zijnde € 10.000,00). Daarbij is uitdrukkelijk de duur, aard en frequentie van het misbruik meegewogen, maar ook het maken van kinderpornografische afbeeldingen (ad informandum feit 1), zoals hiervoor is overwogen bij de strafoplegging.

Onderdeel c.

Totaal zal worden toegewezen een bedrag van € 10.385,00, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 2 augustus 2016.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Ten aanzien van [slachtoffer 2].

Onderdeel a.

De materiële schade voor zover dit ziet op het door verdachte van de bankrekening van [slachtoffer 2] opgenomen geldbedragen blijkt niet dat er een rechtstreeks verband met het bewezen verklaarde, zodat de benadeelde partij voor dit deel niet-ontvankelijk is.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de benadeelde partij de gestelde materiële schade van € 472,29 (bestaande uit: eigen risico zorgverzekering van

€ 385,00, kosten voor medicatie van € 20,09 en reiskosten voor behandeling van € 67,20) heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2, 3, 4 subsidiair en 5 bewezen verklaarde.

Onderdeel b.

Het is aannemelijk dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 2, 3 en 4 subsidiair bewezen verklaarde. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 20.000,00 toewijzen. De rechtbank heeft voor de hoogte van de immateriële schade tevens aansluiting gezocht bij de letsellijst van het Schadefonds Geweldsmisdrijven, te weten letselcategorie 5 (zijnde € 20.000,00). De rechtbank heeft daarbij uitdrukkelijk de duur, aard en frequentie van het misbruik meegewogen, zoals hiervoor is overwogen bij de strafoplegging. Anders dan bij [slachtoffer 1] is er bij [slachtoffer 2] meermalen sprake geweest van het seksueel binnendringen van het lichaam, zodat de hoogte van de immateriële schade aanzienlijk hoger uitvalt.

Voor het onder 5 bewezen verklaarde is ook aannemelijk dat [slachtoffer 2] immateriële schade heeft geleden. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van € 2.000,00 toewijzen.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Het staat de benadeelde partij vrij dat deel van de vordering bij de burgerlijke rechter aan te brengen.

Onderdeel c.

Totaal zal worden toegewezen een bedrag van € 22.472,29, vermeerderd met wettelijke rente vanaf [geboortedatum] 2019.

Onderdeel d.

De rechtbank veroordeelt verdachte voorts in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 30,74, zijnde de reiskosten (€ 0,28 per kilometer) voor het bijwonen van de zitting en het opstellen van de vordering, te weten:

- 4 x 10,1 kilometer vanwege bezoek aan Slachtofferhulp Nederland;

- 4 x 11,2 kilometer vanwege afspraken met de raadsvrouw;

- 2 x 12,3 kilometer voor het bijwonen van het onderzoek ter terechtzitting.

Toepassing van de schadevergoedingsmaatregel.

Nu vaststaat dat verdachte tot de hiervoor genoemde bedragen aan materiële en immateriële schade aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde is toegebracht, zal de rechtbank als extra waarborg voor betaling aan de benadeelde partijen overeenkomstig artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verdachte telkens de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsommen ten behoeve van de benadeelde partijen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36b, 36c, 36f, 37a, 38, 38a, 57, 240b, 245, 248 en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart niet bewezen hetgeen verdachte 4 primair is ten laste gelegd en spreekt verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1, 2, 3, 4 subsidiair en 5 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

Een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden:

1. de veroordeelde verleent, ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit, medewerking aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of biedt een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aan;

2. de veroordeelde maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit;

3. de veroordeelde werkt mee aan reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in dat de veroordeelde:

- zich meldt op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is;

- zich houdt aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om veroordeelde te helpen bij het naleven van de voorwaarden;

- de reclassering helpt aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid;

- meewerkt aan huisbezoeken;

- de reclassering inzicht geeft in de voortgang van begeleiding en/of behandeling door andere instellingen of hulpverleners;

- zich niet vestigt op een ander adres zonder toestemming van de reclassering;

- meewerkt aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met veroordeelde, als dat van belang is voor het toezicht;

4. de veroordeelde werkt mee aan een time-out in een Forensisch Psychiatrisch Centrum (FPC) of Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) of een andere soortgelijke instelling, als de reclassering dat nodig vindt. Deze time-out duurt maximaal 7 weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal 7 weken, tot maximaal 14 weken per jaar;

5. de veroordeelde zich laat opnemen in de Forensische Psychiatrische Kliniek (FPK) van GGZ Drenthe te Assen, of een soortgelijke instelling, te bepalen door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing. De opname duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. De veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg, begeleid wonen of maatschappelijke opvang gewenst vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing.

6. de veroordeelde verblijft in een, door de justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing te bepalen, instelling voor beschermd wonen. Het verblijf duurt zolang de reclassering dat nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering voor hem heeft opgesteld;

7. de veroordeelde laat zich, aansluitend aan de klinische behandeling, behandelen door een ambulante forensische behandelinstantie te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt zolang de reclassering en behandelaar dat nodig vinden. Veroordeelde houdt zich aan de (huis)regels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. 8. de veroordeelde gebruikt geen zolang de reclassering dit nodig vindt, en werkt mee aan urine-, bloed- en ademonderzoek (blaastest) om dit alcoholverbod te controleren. De reclassering bepaalt met welke controlemiddelen en hoe wordt veroordeelde wordt gecontroleerd;

9. de veroordeelde heeft of zoekt op geen enkele wijze – direct of indirect – contact met de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], zolang het Openbaar Ministerie dit verbod nodig vindt. De politie ziet toe op handhaving van dit contactverbod;

10. de veroordeelde werkt mee aan bewindvoering of budgetbeheer. Veroordeelde geeft de reclassering inzicht in zijn financiën en eventuele schulden;

11. de veroordeelde zoekt op geen enkele wijze contact met minderjarigen. Veroordeelde bevindt zich niet in een ruimte met minderjarigen en houdt zich niet op met minderjarigen zonder aanwezigheid van andere volwassenen. Een en ander met uitzondering van zijn dochter [naam 1], geboren op [geboortedatum] 2006.

12. de veroordeelde onthoudt zich op welke wijze dan ook van:

- het seksueel getint communiceren met minderjarigen;

- gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin kinderpornografisch materiaal kan worden verkregen;

- gedrag dat is gericht op een digitale omgeving waarin over seksuele handelingen met minderjarigen wordt gecommuniceerd.

Veroordeelde bespreekt tijdens de gesprekken met de reclassering hoe hij denkt dit gedrag te voorkomen. Het toezicht op deze voorwaarde kan onder andere bestaan uit controles van computers en andere apparatuur. Veroordeelde werkt mee aan controle van digitale gegevensdragers tijdens een huisbezoek.

Draagt de reclassering op de veroordeelde bij de naleving van de voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Verklaart onttrokken aan het verkeer de in beslag genomen voorwerpen, te weten:

- goed 001, goednummer 1231911, computer, merk Acer;

- goed 1-001, goednummer 1231911, harddisk, merk Hitachi;

- goed 002, goednummer 1231912, computer, merk HP;

- goed 004, goednummer 1231910, fotocamera, merk Canon;

- goed 4-001, goednummer 1231909, geheugenkaart, merk Agfa 4 GB;

- goed 005, goednummer 1231894, telefoon, merk LG;

- goed 006, goednummer 1231896, telefoon, merk Huawei;

- goed 6-001, goednummer 1231896, geheugenkaart, merk AH;

- goed 007, goednummer 1231898, telefoon, merk LG;

- goed 008, goednummer 1231900, telefoon, merk Acer;

- goed 009, goednummer 1231902, telefoon, merk Huawei;

- goed 010, goednummer 1231903, telefoon, merk Samsung;

- goed 011, goednummer 1231904, telefoon, merk Samsung;

- goed 012, goednummer GEEN, telefoon, merk Apple iPhone.

Ten aanzien van feit 1 en ad informandum 1 ([slachtoffer 1]):

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 10.385,00 (zegge: tienduizend driehonderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2016. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 aan materiële schade en

€ 10.000,00 aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 10.385,00 (zegge: tienduizend driehonderdvijfentachtig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 augustus 2016, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 86 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 385,00 aan materiële schade en

€ 10.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien feit 2, 3, 4 subsidiair en 5 ([slachtoffer 2]):

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 22.472,29 (zegge: tweeëntwintigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en negenentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 10 december 2019. Dit bedrag bestaat uit € 472,29,00 aan materiële schade en € 22.000,00 aan immateriële schade.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij [slachtoffer 2] gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op € 30,74 (zegge: dertig euro en vierenzeventig cent).

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet-ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] te betalen een bedrag van € 22.472,29 (zegge: tweeëntwintigduizend vierhonderdtweeënzeventig euro en negenentwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf [geboortedatum] 2019, bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling voor de duur van 147 dagen worden toegepast, met dien verstande dat de toepassing van de gijzeling de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit € 472,29,00 aan materiële schade en € 22.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, mr. W.S. Sikkema en mr. J.Y.B. Jansen, rechters, bijgestaan door mr. R.G. Bakker-Dees, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 november 2020.

1 Wanneer hierna wordt verwezen naar doorgenummerde dossierpagina’s betreft dit delen van ambtsedige processen-verbaal, als bijlagen opgenomen bij het dossier (genaamd NNRBC20020-MASKERDUIF), doorgenummerd 1 tot en met 418.

2 Pagina 69.

3 Pagina 70.

4 Pagina 74.

5 Pagina 75.

6 Pagina’s 76 en 77.

7 Pagina 394.

8 De verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2020.

9 Vergelijk Hoge Raad 7 januari 1997, NJ 1997, 361, r.o. 4.3.1.

10 Pagina’s 23, 24, 25, 29, 30, 31, 32, 33, 37, 38, 41 en 42.

11 Pagina’s 328 en 332.

12 Pagina’s 359 en 360.

13 Pagina’s 391, 392, 393, 394, 399, 400, 401, 403, 404, 406 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 21 juli 2020.