Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3979

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
24-11-2020
Datum publicatie
30-11-2020
Zaaknummer
LEE 20/888
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Onvolledige besluitvorming in handhavingsprocedure na herroeping van het primaire besluit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 20/888

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 november 2020 in de zaak tussen

[eisers] , te [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. B.M. Brandenburger-Stroo),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oldambt, verweerder

(gemachtigde: M. Beute).

Als derde-belanghebbenden hebben aan het geding deelgenomen:

[belanghebbenden] , te [woonplaats]

Procesverloop

Bij besluit van (het primaire besluit) heeft verweerder een handhavingsverzoek van eisers afgewezen.

Bij besluit van 27 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eisers gegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 oktober 2020.

Eisers zijn verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde.

Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, door B. Jonkman en door A. Pals.

Derde-belanghebbenden zijn verschenen.

Overwegingen

1.1.

Derde-belanghebbenden zijn woonachtig op het adres [adres] (perceel). In 2011 hebben zij aan de achterzijde van het perceel gebouwd. Dit is deels op gemeentegrond gebeurd.

1.2.

Een strook grond lopend achter het perceel en achter de belendende percelen wordt al een groot aantal jaren als weg gebruikt door de aanwonenden en door eisers, die eigenaar zijn van een nabijgelegen perceel. Dit perceel gebruiken eisers onder meer voor het stallen van grote voertuigen.

1.3.

In het handhavingsverzoek van 4 juni 2019 hebben eisers verweerder verzocht op te treden tegen de door derde-belanghebbenden geplaatste gebouwen.

1.4.

In het primaire besluit overweegt verweerder dat met de uitbreiding van de bebouwing op gemeentegrond sprake is van een illegale situatie, dat verweerder instemt met het door derde-belanghebbenden gedane verzoek om de strook grond in kwestie te verkopen en dat vervolgens de uitbreiding aangemerkt kan worden als een vergunningvrije uitbreiding van het bedrijfspand. Een erfdienstbaarheid wordt gevestigd zodat derden, onder wie eisers, van de strook grond gebruik kunnen blijven maken als weg. Er is concreet zicht op legalisatie ontstaan en daarmee vervalt de verplichting om handhavend op te treden. Het verzoek wordt daarom afgewezen.

1.5.

Bij brief van 10 december 2019 heeft verweerder aan derde-belanghebbenden een termijn van acht weken gegeven voor het indienen van een aanvraag om een omgevingsvergunning.

1.6.

In haar advies van 7 februari 2020 geeft de adviescommissie bezwaarschriften (bezwaarcommissie) als oordeel dat verweerder in het primaire besluit ten onrechte niet heeft beoordeeld of sprake is van strijdig gebruik en dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd of de strook grond aangemerkt moet worden als openbaar toegankelijk gebied, hetgeen relevant is voor de vraag of vergunningvrij gebouwd kan worden.

1.7.

In het bestreden besluit deelt verweerder mee dat het advies van de bezwaarcommissie gevolgd wordt, dat het bezwaar gegrond wordt verklaard en dat het primaire besluit herroepen wordt. Voorts schrijft verweerder: ‘Wij herroepen ons besluit om niet handhavend op te treden. Wij hebben besloten om onze bevoegdheid om handhavend op te treden toe te passen. Wij hebben op 10 december 2019 aan deze bevoegdheid uitvoering gegeven. Een kopie van de aanschrijving is al in uw bezit. Aan ons verzoek van 10 december 2019 is niet voldaan. Wij zullen daarom onze bevoegdheid opnieuw toepassen waarbij een last onder dwangsom zal worden opgelegd’.

2.1.

Eisers betogen dat uit artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats moet worden gesteld, zo nodig door de beslistermijn te verlengen. Niet kan volstaan worden met gegrondverklaring en herroeping.

2.2.

Artikel 7:11 van de Awb luidt als volgt:

1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voor zover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voor zover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit.

2.3.

De rechtbank overweegt dat uit de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (AbRS) volgt dat het bezwaar tegen een onterechte afwijzing van een handhavingsverzoek niet alleen noodzaakt tot herroeping van de afwijzing, maar ook tot oplegging van een sanctie aan de persoon die als overtreder wordt aangemerkt. Met de enkele herroeping van de afwijzing is immers nog geen inhoudelijke beslissing op het handhavingsverzoek genomen. Een zorgvuldige voorbereiding van een sanctie kost tijd, maar artikel 7:10, vierde lid, aanhef en 4 onder c, van de Awb biedt ruimte om de termijn voor het beslissen op bezwaar te verlengen.

De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de AbRS van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:219.

2.4.

Naar het oordeel van de rechtbank is in deze zaak sprake van onvolledige besluitvorming. De herroeping van het primaire besluit had gepaard moeten gaan met een concreet handhavingsbesluit. Onvermijdelijk zou dit tot een later besluit op bezwaar hebben geleid, maar uit het stelsel van de wet volgt dat de besluitvorming geconcentreerd dient te zijn. De beroepsgrond van eisers slaagt daarom.

3. Zoals ter zitting besproken, komt de rechtbank in het kader van deze procedure niet toe aan de vraag op welke manier gehandhaafd dient te worden.

4. Het beroep is gegrond wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

5. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.050 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 178 aan eisers te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1050.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L. Mulder, rechter, in aanwezigheid van

mr. H.A. Hulst, griffier op 24 november 2020.

De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende maandag na deze datum.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.