Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3974

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
24-11-2020
Zaaknummer
C/18/201113 / FA RK 20-2317
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Informele rechtsingang. Een kind kan alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. De wet geeft niet de mogelijkheid om met een informele rechtsingang het gezag van de overgebleven ouder te beëindigen en een voogd te benoemen. De rechter behandelt de zaak toch, om de Raad de gelegenheid te bieden ambtshalve onderzoek te doen en te beoordelen of de door het kind gewilde wijziging van het gezag noodzakelijk is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2020-0286
Jeugdrecht.nl JR-2020-0016
JPF 2021/19 met annotatie van Graaf, J.H. de
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

zaak-/rekestnummer: C/18/201113 / FA RK 20-2317

beschikking informele rechtsingang minderjarige van 24 november 2020 in de zaak van

[minderjarige] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2005 in [geboorteplaats] ,

en die hierna " [minderjarige] " wordt genoemd.

De rechter (tevens kinderrechter) merkt als belanghebbenden aan:

[de vader] ,

die woont in [woonplaats 1] ,

en die hierna "de vader" wordt genoemd, en

[de grootouders] ,

die woont in [woonplaats 2] ,

en die hierna "de grootouders" wordt genoemd.

Het procesverloop

De procedure is ingeleid met een brief van [minderjarige] die de rechter heeft ontvangen op 17 september 2020 die de rechter met [minderjarige] heeft besproken op 6 oktober 2020. [minderjarige] vraag aan de rechter om het gezag van zijn vader te beëindigen en zijn grootouders tot voogd over hem te benoemen.

De rechter heeft nadat hij met [minderjarige] heeft gesproken, bepaald dat hij ook met de vader en de grootouders van [minderjarige] wil praten en hij heeft daarom een mondelinge behandeling bepaald.

Op 20 november 2020 heeft die mondelinge behandeling plaatsgevonden. De rechter heeft toen gesproken met de vader, de grootouders en met drs. [naam] , die de Raad voor de Kinderbescherming (hierna "de Raad") vertegenwoordigt.

Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.

De feiten

De rechter gaat in deze procedure van de volgende feiten uit.

De moeder van [minderjarige] is op 2 augustus 2019 na een lang ziekbed overleden. Vanaf dat moment oefent zijn vader het gezag over [minderjarige] uit. Maar de vader geeft geen enkele invulling aan dat gezag, anders dan dat hij wel contact heeft met de casemanager van het sociale team van de gemeente waar [minderjarige] zijn grootouders wonen. [minderjarige] kent zijn vader niet en zijn vader heeft de nu vijftienjarige [minderjarige] waarschijnlijk voor het laatst gezien toen [minderjarige] ongeveer drie jaar oud was.

[minderjarige] was tijdens de ziekte van zijn moeder vaak bij zijn grootouders (m.z.) en is een jaar voor haar overlijden van zijn moeder ook bij hen komen te wonen. Dat ging niet goed.

[minderjarige] heeft bij zijn grootouders thuis veel agressief gedrag laten zien en hij heeft ook gedreigd zijn grootouders dood te maken en laten zien hoe hij dat zou kunnen gaan doen. Op 8 september 2020 kwam [minderjarige] thuis met een groot mes en gaf hij aan een messenhandel te willen beginnen. De grootouders hebben het mes afgepakt, daarna is [minderjarige] ernstig agressief geweest. De agressie van [minderjarige] richt zich overigens niet specifiek tegen zijn grootouders, ook tegen een jeugdbeschermer is [minderjarige] op vergelijkbare wijze agressief geweest.

De grootouders hebben aangegeven dat [minderjarige] onder gelijkblijvende omstandigheden niet meer bij hen kan wonen.

[minderjarige] gebruikt soft- en (soms) harddrugs en bij de betrokken hulverleners bestaat de zorg dat dit gebruik voor hem ontwrichtend zal werken en dat hij daardoor in een psychose terecht kan komen.

[minderjarige] is ook op school geschorst.

Het probleemgedrag van [minderjarige] lijkt te kunnen worden verklaard uit zijn belaste voorgeschiedenis en de trauma's die hij heeft opgelopen. [minderjarige] kan moeilijk met spanning omgaan en hij lijkt ook professionele hulp nodig te hebben om te leren omgaan met spanningen en om de trauma's uit zijn verleden te verwerken.

De grootouders waren ondanks de ingezette hulpverlening, niet (meer) in staat om de ernstige bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] te keren. [minderjarige] heeft aangegeven dat hij niet open staat voor een behandelgroep en dat hij weg zal lopen.

Tegen deze achtergrond heeft een kinderrechter in deze rechtbank op verzoek van het college een machtiging gesloten jeugdhulp verleend. Op grond van die machtiging is [minderjarige] vanaf 9 september 2020 geplaatst in een gesloten accommodatie van [naam accommodatie] , een behandelcentrum voor jongeren van 12 tot 18 jaar met gedrags- en psychiatrische problemen.

De daartoe gegeven machtiging is gegeven voor de duur van zes maanden en eindigt op 22 maart 2021.

[minderjarige] heeft een brief aan de rechter geschreven, omdat hij niet meer wil dat zijn vader gezag over hem uitoefent. [minderjarige] wil het liefst dat zijn grootouders zijn voogd worden en dat hij als hij is uitbehandeld, weer bij hen kan wonen.

[minderjarige] heeft het er moeilijk mee dat zijn vader wel het gezag over hem uitoefent. Hij vindt het moeilijk dat zijn vader toestemming moet geven en/of zijn handtekening moet zetten voor belangrijke beslissingen die zijn leven betreffen. [minderjarige] wil daarom dat de grootouders de belangrijke beslissingen over hem mogen nemen en niet de vader.

Hierbij speelt ook een rol dat tussen de ouders van [minderjarige] veel strijd was en dat [minderjarige] angst heeft voor zijn vader als gevolg van voorvallen en de verhalen die hij over hem heeft gehoord. [minderjarige] heeft hiervoor eerder traumabehandeling (EMDR) gehad bij Jonx Hoogezand.

De beoordeling

Deze zaak betreft een zogeheten "informele rechtsingang". Die informele rechtsingang biedt een kind dat ouder is dan twaalf jaar of soms ook een kind dat nog jonger is, de mogelijkheid om zich langs informele wijze tot de rechter te wenden. Dat kan dan bijvoorbeeld met een brief of telefoontje. De rechter kan, als hij dat wil, op dat verzoek van een kind, nadat het verzoek is behandeld en alle belanghebbenden erop zijn gehoord, ambtshalve een beslissing nemen.

Een kind kan echter alleen gebruik maken van de informele rechtsingang als dat in de wet is bepaald. De wet geeft drie mogelijkheden:

  1. Op grond van artikel 1:251a lid 4 BW kan tijdens de echtscheidingsprocedure een beslissing over het gezag van een ouder worden gegeven. Op grond van rechtspraak van de Hoge Raad kan dat ook ná de echtscheidingsprocedure, tenzij in de echtscheidingsprocedure daarover al een beslissing is genomen (zie: HR 4 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC2241);

  2. Op grond van artikel 1:253a lid 4 jo. 1:377g BW kan een kind, als zijn ouders samen het gezag over hem uitoefenen, ook vragen om de vaststelling of wijziging van de verdeling van de zorg- en opvoedtaken;

  3. Op grond van artikel 1:377g jo. 1:377a, 1:377b en 1:377e BW kan een kind ook vragen om de vaststelling of wijziging van een omgangsregeling of informatie- en consultatieregeling.

Het verzoek van [minderjarige] is niet in de wet geregeld en het is daarom voor de rechter niet mogelijk om er een beslissing op te nemen. De mondelinge behandeling van het verzoek van [minderjarige] is toch bepaald, omdat de rechter wel begrijpt dat [minderjarige] dat verzoek heeft gedaan en hij erover met de Raad, de grootouders en de vader wilde spreken. Hij wilde daarbij vooral ook de Raad de mogelijkheid geven om onderzoek te doen naar de noodzaak om aan de rechter te vragen een beslissing over het gezag te nemen.

De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling aangekondigd dat hij ambtshalve onderzoek zal doen naar de tijdens de mondelinge behandeling gebleken feiten en omstandigheden en in het bijzonder of, mede gelet op het incident dat zich tijdens de mondelinge behandeling heeft voorgedaan, het nodig is om in de "voorlopige voogdij" te voorzien.

Uit het voorgaande volgt dat de rechter ambtshalve daarin geen beslissing kan nemen. Om proceseconomische redenen zal hij hierna het verzoek van [minderjarige] afwijzen en afwachten of de Raad op grond van zijn onderzoekbevindingen hem gaat vragen om een maatregel te nemen.

De beslissing

De rechter:

wijst het verzoek af.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 24 november 2020.

MMvR