Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3957

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
20-11-2020
Datum publicatie
20-11-2020
Zaaknummer
18/192980-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens opzettelijk aanwezig hebben van afval van synthetische drugsproductie. Veroordeling tot taakstraf en geldboete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/192980-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 november 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1973 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonadres] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 november 2020. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. A. Allersma, advocaat te Haren. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. D. Homan- de Boer.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 24 mei 2018 te Zuidbroek, gemeente Midden-Groningen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 60 liter kristallisatieafval bevattende MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een

materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het tenlastegelegde.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte geen opzet had bij het aanwezig hebben van de tenlastegelegde hoeveelheid illegale vloeistof. Verdachte begeeft zich in een circuit waarin veelal in vluchtig contact tot afspraken wordt gekomen, waarbij niet veel op papier komt te staan en waarmee over het algemeen in contanten wordt betaald. Het contact met [getuige] , degene voor wie verdachte en medeverdachte afval zou afvoeren, is ook op die manier ontstaan: verdachte en medeverdachte reden rond op zoek naar handel, zagen een partij oud ijzer en spraken de gebruiker van het erf waar dit lag aan om het oud ijzer over te nemen. Verdachte en medeverdachte mochten het oud ijzer overnemen op voorwaarde dat zij ook afval -waaronder een vrieskist- uit een op dat erf staande loods zouden afvoeren. Zij gingen daarmee akkoord. Op dat moment hadden verdachte en medeverdachte geen reden te vermoeden dat zij met de vrieskist ook illegale stoffen in de bestelbus laadden.

Verdachte en medeverdachte zijn erin geluisd, ofwel door getuige [getuige] ofwel door hun neef [medeverdachte] , die waarschijnlijk de ontmoeting tussen [getuige] en verdachte en medeverdachte heeft geregeld.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte ter zitting van 20 november 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

De bestelbus met kenteken [kenteken] was van mij. Medeverdachte en ik zijn met deze bestelbus naar Zuidbroek gereden om oud ijzer op te halen en om afval af te voeren. We hebben een vrieskist ingeladen. Later bleek dat daar het kristallisatieafval in zat. Toen we de vrieskist optilden, rook ik een soort gasgeur. Ik heb er niet in gekeken. De vrieskist was niet zwaar, ik schat 30 kilo. U houdt mij voor dat de vrieskist door de inhoud van 60 liter vloeistof veel zwaarder had moeten zijn. Ik heb daar geen verklaring voor. Het kan niet zo zijn dat iemand anders de vloeistof in de vrieskist heeft gezet nadat wij de vrieskist in de bestelbus hadden geplaatst.

Er was op medeverdachte en mij na niemand in de loods.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor van 26 mei 2018, opgenomen op pagina 185 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2018129226 van 27 november 2018, inhoudend als verklaring van [getuige] :

Ongeveer midden maart 2018 zag ik een Jeep die werd aangeboden bij [bedrijfsnaam] in Roden. Ik raakte aan de praat met de autohandelaar. Via Facebook zag ik dat hij [medeverdachte] moest heten. Hij wilde samenwerken. Hij wilde een kantoor voor mij

bouwen en hij wilde af en toe wat stallen in mijn loods gelegen aan de [adres] te Zuidbroek. Ik ben huurder van die loods. Ik heb hem toen de sleutel gegeven. Hij zou er een grote vriezer neer zetten, dat is mij nog bij gebleven, maar ik heb er verder niet over nagedacht waarom die daar moest staan. Vrijwel direct daarna zei hij dat hij het slot had vervangen. Ik kon niet eens in het pand vertoeven, want ik had geen sleutel meer.

Twee dagen geleden ging ik naar zijn huis. Ik wilde echt de sleutel. Hij was niet thuis. Ineens stond hij 's avonds voor de deur, ongeveer 19.00 uur. Ik vroeg om de sleutel en toen zei hij 'kan niet.' 'Gepakt', zei hij. Toen werd ik hartstikke boos, ik vroeg wat hij had gedaan, maar hij kon mij niet eens vertellen waarom. Hij zei 'twee man'. Hij zei dat hij net weg reed. Hij zei dat de politie er aan kwam toen hij wegreed.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen van 31 oktober 2018, opgenomen op pagina 227 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend als relatering:

Op 25 mei 2018 heb ik een nader onderzoek ingesteld naar de goederen in de laadruimte van de bestelauto voorzien van het kenteken [kenteken] . Bij het openen van de laadruimte rook ik direct een typerende geur die ik herken als behorend bij de illegale vervaardiging van MDMA. Ik zag dat midden in de laadruimte een vriezer stond. Ik zag dat de vriezer aan de buitenzijde sterk vervuild was met een bruine ingedroogde vloeistof met een sterke geur die past bij de illegale vervaardiging van MDMA. Vervolgens heb ik de vriezer geopend en de inhoud nader onderzocht. Ik zag dat het ging om de volgende emmers:

AAIY4500NL/ B6 Zwarte open emmer van 70 liter gevuld met circa 35 liter bruine naar aceton ruikende vloeistof die positief getest is op de aanwezigheid van MDMA.

AAIY4501NL/ B7 Zwarte open emmer van 50 liter gevuld met circa 25 liter bruine

naar aceton ruikende vloeistof die positief getest is op de

aanwezigheid van MDMA.

4. Een deskundigenrapport afkomstig van het Nederlands Forensisch Instituut van het Ministerie van Veiligheid en Justitie, zaaknummer 2018.08.15.250, van 20 augustus 2018 opgemaakt door ing. A.B.M. van Esch- de Bruin, op de door haar afgelegde algemene belofte als vast gerechtelijk deskundige, voor zover inhoudend als haar verklaring:

Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en resultaat

Kenmerk Omschrijving Resultaat

AAIY4500NL / B6 monster donkerbruine vloeistof, volgens bevat MDMA en

opgave "monster bruine vloeistof uit 70 liter piperonal in mengsel

vat" van aceton en zoutzuur

AAIY4501NL / B7 monster donkerbruine vloeistof, volgens opgave bevat MDMA en

''monster bruine vloeistof uit 50 liter vat' piperonal in mengsel

van aceton en zoutzuur

Conclusie

In het onderzoeksmateriaal is MDMA aangetoond. MDMA (3,4-methyleendioxymeth-amfetamine) is vermeld op lijst I, behorende bij de Opiumwet. Het onderzoeksmateriaal is te relateren aan de bewerking van MDMA, namelijk het omzetten van de olieachtige MDMA-base in MDMA-hydrochloride. Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Met betrekking tot de hiervoor weergegeven standpunten overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte en medeverdachte hebben in een loods aan [adres] te Zuidbroek een vrieskist in de bestelbus van verdachte geladen. In deze vrieskist stonden twee emmers met daarin in totaal 60 liter MDMA bevattende vloeistof (hierna: kristallisatieafval). Verdachte en medeverdachte hadden het voornemen om deze vrieskist af te voeren. De rechtbank komt daarmee tot de slotsom dat verdachte en medeverdachte het kristallisatieafval in hun machtssfeer hebben gebracht, en dus het kristallisatieafval aanwezig hebben gehad.

Dan ligt de vraag voor of zij het kristallisatieafval opzettelijk aanwezig hebben gehad. Daarover overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte en medeverdachte hebben in een loods aan de [adres] te Zuidbroek een vrieskist in de bestelbus van medeverdachte geladen. In deze vrieskist stonden twee emmers met daarin in totaal 60 liter MDMA bevattende vloeistof (hierna: kristallisatieafval). Verdachte en medeverdachte hadden het voornemen om deze vrieskist af te voeren. De rechtbank komt tot het oordeel dat verdachte en medeverdachte het kristallisatieafval in hun machtssfeer hebben gebracht door zo te handelen, en dus het kristallisatieafval aanwezig hebben gehad.

Omtrent de vraag of zij het kristallisatieafval opzettelijk aanwezig hebben gehad overweegt de rechtbank het volgende.

Verdachte en medeverdachte zijn aangehouden in een loods, gehuurd door getuige [getuige] . Zij hebben verklaard dat alleen zij in de loods waren en dat zij in opdracht van [getuige] een lege vrieskist in de bestelbus hebben geladen om die af te voeren. Haaks op deze verklaringen staat de verklaring van [getuige] . Uit zijn verklaring valt af te leiden dat een familielid van verdachte en medeverdachte, te weten [medeverdachte] , in de loods aanwezig was ten tijde van de politieobservatie en dat die [verdachte] van de aanhouding van verdachte en medeverdachte en de aard van de lading, namelijk illegaal, in de bestelbus op de hoogte was.

De rechtbank ziet aanleiding om de verklaring van [getuige] als geloofwaardig te waarderen. Deze verklaring wordt ondersteund door hetgeen in het proces-verbaal van aanhouding is gerelateerd, te weten dat de verbalisant vlak voor de aanhouding van verdachte en medeverdachte twee bestelbusjes in de loods heeft gezien. Een van de busjes reed ten tijde van het tenlastegelegde feit weg van de plaats delict, kort voor de aanhouding van verdachte en medeverdachte1. Daarmee is het zeer aannemelijk dat [medeverdachte] kort voor de aanhouding van verdachte en medeverdachte ter plaatse aanwezig geweest is en dat hij op de hoogte was van de illegale aard van de lading. [medeverdachte] heeft geen verklaring willen geven omtrent zijn kennis en rol, noch van hemzelf dan wel anderen, bij het aantreffen van het kristallisatieafval, zodat een ander scenario niet getoetst kan worden.

Tevens acht de rechtbank de verklaringen van verdachte en medeverdachte omtrent het inladen van de vrieskist in de bestelbus, en het gewicht van de vrieskist, niet geloofwaardig.

Verdachte en medeverdachte hebben verklaard dat zij de opdracht tot het opruimen van het afval in de loods kregen van iemand die zij niet kenden. Beiden hebben verklaard dat de vrieskist niet zwaar was (tussen 30 en 50 kilo), in feite leeg, maar dat zij hem samen in de bestelbus tilden, omdat het onhandig was om dat alleen te doen. Gelet op het verschil in gewicht tussen een lege vrieskist, naar ter terechtzitting onweersproken op maximaal 50 kilo gesteld, en een vrieskist gevuld met circa 60 liter vloeistof (dus in totaal meer dan 100 kilo), moeten verdachte en medeverdachte dit extra gewicht hebben opgemerkt. Hierbij gaat de rechtbank er van uit dat de inhoud van de vrieskist niet ná het inladen daarin terecht kan zijn gekomen, aangezien daarvan op geen enkele wijze is gebleken

Bovendien rook verdachte een vreemde geur, gasachtig.

Deze omstandigheden, in onderling verband bezien, noopten tot nader onderzoek naar de inhoud van de vrieskist.

Dit ligt temeer voor de hand nu verdachte en medeverdachte aangaven dat de vrieskist naar de gemeentelijke afvalstort zou worden gebracht, en het een feit van algemene bekendheid is dat ter plaatse altijd gevraagd wordt naar de herkomst en aard van de aan te bieden goederen, om duidelijk te krijgen op welke wijze deze verwerkt kunnen worden.

De rechtbank acht het voorts volstrekt onaannemelijk dat verdachte en medeverdachte geen vermoeden hadden van een illegale inhoud van de vrieskist, gelet op de gelijktijdige aanwezigheid ter plaatse en de familierelatie met [medeverdachte] en diens uitlatingen tegenover getuige [getuige] .

Al met al kan de rechtbank niet anders dan concluderen dat verdachte en zijn medeverdachte door voormeld handelen (op z’n minst) bewust de aanmerkelijk kans hebben aanvaard dat in de vrieskist een stof als omschreven in de tenlastelegging aanwezig was.

De rechtbank is derhalve van oordeel dat verdachte en zijn medeverdachte het voorwaardelijk opzet op het aanwezig hebben van het kristallisatieafval van MDMA hebben gehad.

Het alternatieve scenario dat door de verdediging naar voren is gebracht is hiermee weerlegd en behoeft geen nadere bespreking.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op 24 mei 2018 te Zuidbroek, gemeente Midden-Groningen tezamen en in vereniging met anderen opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 60 liter kristallisatieafval bevattende MDMA, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder C van de Opiumwet gegeven verbod

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren en een geldboete van € 10.000,00.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor vrijspraak.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte en medeverdachte hebben afval willen afvoeren dat is ontstaan bij de productie van synthetische harddrugs. Zij hebben daarmee een bijdrage geleverd aan het in stand houden van deze criminele activiteiten. Niet alleen wordt de algemene volksgezondheid geschaad door de handel in en consumptie van dergelijke harddrugs. Ook is inmiddels algemeen bekend dat het afval dat ontstaat bij de productie van synthetische drugs vaak illegaal wordt gedumpt op plekken waar dit schadelijke gevolgen kan hebben voor de gezondheid van mens en dier en voor de natuur. Bovendien wordt de maatschappij daardoor opgezadeld met de kosten van het opruimen van het chemisch afval en de kosten van het saneren van de grond waarop het afval is gestort. Dat dit afval niet op deze wijze is gedumpt is enkel voorkomen door het tijdig optreden van de politie. Verdachte en medeverdachte hebben geen blijk gegeven zich hier ook maar enige rekenschap van te hebben gegeven. De rechtbank neemt hen dit zeer kwalijk. De rechtbank ziet hierin reden om verdachte en medeverdachte een taakstraf van na te noemen duur op te leggen.

Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat in de keten van (synthetische) drugshandel grote geldstromen rondgaan. De rechtbank acht aannemelijk dat verdachte en medeverdachte een financieel belang hadden bij het afvoeren van het kristallisatieafval. Teneinde te voorkomen dat een financiële prikkel opnieuw aanleiding voor verdachte is om strafbare feiten als de onderhavige te plegen acht de rechtbank daarom ook het opleggen van een geldboete passend en geboden.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 9, 22c, 22d, 23, 24c en 47 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een taakstraf voor de duur van 120 uren.

Beveelt dat voor het geval veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis voor de duur van 60 dagen zal worden toegepast.

Beveelt dat de tijd door veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht naar de maatstaf van 2 uren per dag inverzekeringstelling.

een geldboete van € 10.000,00 (tienduizend euro), bij niet betaling te vervangen door 85 dagen hechtenis.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.J. Schuth, voorzitter, mr. M.J.B. Holsink en mr. H.R. Bracht, rechters, bijgestaan door mr. E.W. Jeuring, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 november 2020.

1 PV van aanhouding van 24 mei 2018, opgenomen op pagina 22 e.v. van het politiedossier