Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3950

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
19-11-2020
Datum publicatie
19-11-2020
Zaaknummer
18/830135-18
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord Nederland, locatie Groningen veroordeelt een 26-jarige man tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden waarvan 5 maanden voorwaardelijk wegens het plegen van ontucht met een meisje van beneden de leeftijd van 16 jaar. De rechtbank verwijt de man - die aangaf dat hij niet wist dat het slachtoffer beneden de zestien jaar oud was - dat hij onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de leeftijd van het meisje. Het beroep op de schulduitsluitingsgrond afwezigheid van alle schuld werd verworpen.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 245
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/830135-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 19 november 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1993 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzittingen van 24 mei 2019 en 5 november 2020.

Verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door mr. J.A. Tegenbosch, advocaat te Wintelre.

Het openbaar ministerie is ter terechtzitting telkens vertegenwoordigd door mr. T.H. Pitstra.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op diverse data in de maanden april 2016 en/of mei 2016, te Beerta en/of te Blauwestad, (in elk geval) in de gemeente Oldambt, (meermalen) met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die (telkens) bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten (telkens):

- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer] en/of

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] .

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde.

Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte het ten laste gelegde heeft bekend en dat het feit bewezen kan worden.

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna opgenomen in de bewezenverklaring. Nu verdachte dit feit duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend, volstaat de rechtbank met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 24 mei 2019;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 30 november 2017, opgenomen op pagina 182 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer NNRBC17105 RITARI V-005 d.d. 14 maart 2018, inhoudend de verklaring van

[slachtoffer] ;

3. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van verhoor d.d. 3 januari 2018, opgenomen op pagina 218 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer] ;

4. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 5 februari 2018, opgenomen op pagina 254 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant(en).

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het feit wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

hij op diverse data in mei 2016, te Beerta en te Blauwestad, in de gemeente Oldambt, meermalen met [slachtoffer] , geboren op [geboortedatum] 2001, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die telkens bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer] , te weten:

- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina en/of de mond van die [slachtoffer] en/of

- het zich laten aftrekken door die [slachtoffer] .

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, meermalen gepleegd.

Dit feit is strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De raadsman van verdachte heeft bepleit dat verdachte wordt ontslagen van alle rechtsvervolging op grond van afwezigheid van alle schuld (AVAS). Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte niet strafbaar is ter zake van de bewezen verklaarde ontucht omdat verdachte niet kan worden verweten dat hij niet wist dat [slachtoffer] veertien jaar oud was. Verdachte heeft aangevoerd dat hij niet wist dat [slachtoffer] veertien jaar oud was. Hij ontmoette [slachtoffer] voor het eerst in het AZC. Als minderjarigen in het AZC komen, dienen zij een formulier met toestemming van hun ouders over te leggen. Verdachte is erbij geweest toen [slachtoffer] zich aanmeldde bij de portier van het AZC. Zij werd binnengelaten zonder dat ze een dergelijk formulier overlegde. Hieruit mocht verdachte afleiden dat [slachtoffer] meerderjarig was. Bovendien was het voor verdachte lastig om een Nederlands identiteitsbewijs te lezen, gelet op het feit dat hij de Nederlandse taal niet machtig is en in zijn taal (Farsi) de cijfers er ook anders uitzien.

De rechtbank is van oordeel dat een beroep op dwaling ten aanzien van de leeftijd slechts in uitzonderlijke gevallen kans van slagen kan hebben. De vraag of alle schuld in strafrechtelijke zin ontbreekt, moet worden beantwoord in verband met de aard en de strekking van de strafbepaling. In dat kader is van belang dat artikel 245 Sr. de lichamelijke integriteit van jeugdige personen een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming beoogt te bieden, ook tegen seksuele handelingen die (mede) van henzelf zijn - of lijken te zijn - uitgegaan.

De rechtbank is van oordeel dat verdachte niet alle zorg heeft betracht die van hem kon worden gevergd en dat hij aldus een ongeoorloofd risico heeft genomen, zodat niet kan worden gesproken van het ontbreken van alle schuld. Hetgeen hieromtrent door verdachte is aangevoerd, maakt dit niet anders. De omstandigheid dat een minderjarige een door de ouders ondertekend toestemmingsformulier dient te overleggen om zich in het AZC te mogen begeven en (dat verdachte stelt) dat [slachtoffer] een dergelijk formulier niet hoefde over te leggen - de keer dat hij erbij was toen [slachtoffer] zich bij de portier van het AZC meldde - maakt niet dat verdachte ervan uit mocht gaan dat [slachtoffer] meerderjarig was. Dat het voor verdachte geen zin had om [slachtoffer] identiteitsbewijs te controleren omdat hij de Nederlandse taal (en cijfers) niet begreep, ontslaat hem niet van de verplichting om onderzoek naar haar leeftijd te (laten) doen, maar is bovendien niet geloofwaardig, onder meer omdat verdachte heeft verklaard dat hij de leeftijd die [slachtoffer] op datingsite Badoo had opgegeven wel kon lezen. Voor zover verdachte heeft gesteld dat die tekst hem door iemand anders is voorgelezen en vertaald, geldt diezelfde mogelijkheid natuurlijk ook voor het controleren van het identiteitsbewijs van [slachtoffer] .

Het beroep op afwezigheid van alle schuld wordt dan ook verworpen.

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu - ook overigens - niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het ten laste gelegde feit wordt veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Zij heeft onder meer benadrukt dat de vergelijking van deze zaak met zaken die betrekking hebben op jeugdprostitutie niet opgaat. Bij jeugdprostitutie (artikel 248b) gaat het om slachtoffers van zestien of zeventien jaar oud en een strafmaximum van vier jaar gevangenisstraf, terwijl het bij het onderhavige artikel 245 Sr gaat om slachtoffers in de leeftijd van twaalf tot zestien jaar en een strafmaximum van acht jaar gevangenisstraf.

Het uitgangspunt in ontuchtzaken moet een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zijn.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft gepleit voor oplegging van een lagere straf dan geëist. Verdachte heeft telkens op initiatief van [slachtoffer] seks met haar gehad. Voorts heeft de raadsman verwezen naar de hetgeen door verdachte is aangevoerd met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte. Er is sprake van overschrijding van de redelijke termijn. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat een eventueel op te leggen straf niet als bijkomend gevolg mag hebben dat zijn verblijfsvergunning wordt ingetrokken. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf is dan ook geen optie. De raadsman verzoekt om aan verdachte een taakstraf op te leggen van een dusdanige hoogte dat het behoud van zijn verblijfsvergunning zo min mogelijk gevaar zal lopen.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, het uittreksel uit de justitiële documentatie, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het plegen van ontuchtige handelingen met een meisje van veertien jaar oud door meermalen seks met haar te hebben. Dit vond plaats in een bos, in een auto en in het AZC waar verdachte verbleef. Verdachte had tweemaal een trio met het slachtoffer; eenmaal met een vriend van hem en eenmaal met de oom van het slachtoffer. Verdachte, die zelf 22 jaar oud was ten tijde van het feit, heeft onvoldoende gedaan om zich te vergewissen van de leeftijd van het slachtoffer. Hij heeft haar fysieke en psychische welzijn ondergeschikt gemaakt aan de bevrediging van zijn eigen seksuele behoeften.

Verdachte heeft hierdoor inbreuk gemaakt op de lichamelijke en emotionele integriteit van het slachtoffer en haar ongestoorde (seksuele) ontwikkeling. De ervaring leert dat (jeugdige) slachtoffers van zedendelicten in een later stadium psychisch nadelige gevolgen kunnen ondervinden van hetgeen hen is overkomen.

De zaak van verdachte maakt onderdeel uit van een groter onderzoek, waaraan de rechtbank enkele woorden zal wijden ten behoeve van een completer beeld van de zaak, de impact ervan op het slachtoffer, maar ook de rol van verdachte. Het slachtoffer waarmee verdachte ontucht heeft gepleegd, werd langere tijd door haar oom misbruikt. Vanaf enig moment moest zij ter bevrediging van diens lustgevoelens seks hebben met andere mannen (ook tegelijkertijd), waarvan verdachte er een was. Onder druk van haar oom heeft het slachtoffer het asielzoekerscentrum waar verdachte verbleef, bezocht en contact gelegd met verdachte, waarna zij met verdachte en een vriend van hem seks heeft gehad. Het slachtoffer moest zorgen dat de seks werd gefilmd en dat de filmpjes zo snel mogelijk ter beschikking van haar oom werden gesteld.

Door seks met het slachtoffer te hebben, heeft verdachte bijgedragen aan de immense ellende die het slachtoffer heeft moeten meemaken. De rechtbank hecht er in dit kader aan te benoemen dat op geen enkele wijze is gebleken dat verdachte volledig op de hoogte was van de nare achtergrond waartegen deze zaak zich afspeelde. Wel had verdachte op enig moment moeten weten dat de oom van [slachtoffer] (in de beleving van verdachte: haar veel oudere vriend) een kwalijke rol in haar (seks)leven speelde, omdat verdachte heeft gezien hoe hij met [slachtoffer] omging tijdens het trio dat zij samen hadden en [slachtoffer] dit duidelijk niet (zo) wilde.

De rechtbank is met de officier van justitie van oordeel dat voor alle mannen met wie het slachtoffer seks heeft gehad een onvoorwaardelijke gevangenisstraf het uitgangspunt dient te zijn. De rechtbank houdt er ten aanzien van verdachte bij de bepaling van de duur van de gevangenisstraf - meer dan de officier van justitie - rekening mee dat verdachte niet zelf op zoek was naar seks met een meisje van beneden de leeftijd van zestien jaar en dat verdachte niet het initiatief tot het afspreken of de ontuchtige handelingen heeft genomen.

De rechtbank heeft voorts de persoonlijke omstandigheden van verdachte in aanmerking genomen, alsmede het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor strafbare feiten.

Hierin ziet de rechtbank geen aanleiding tot matiging of verhoging van de duur van de op te leggen gevangenisstraf. Het feit dat verdachte mogelijk zijn verblijfsstatus is Nederland kwijtraakt, is gelet op de ernst van de feiten geen reden voor de rechtbank om af te zien van het opleggen van een (onvoorwaardelijke) gevangenisstraf.

Wel weegt de rechtbank het tijdsverloop in deze zaak mee. Verdachte is aangehouden en in verzekering gesteld op 12 februari 2018 en deze uitspraak volgt meer dan twee-en-een-half jaar later. In de tussentijd is de zaak meermalen aangehouden, waaronder tweemaal op verzoek van de verdediging in verband met onvoldoende voorbereidingstijd en tweemaal in verband met het Coronavirus. Alles in overweging nemend is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Dat de redelijke termijn niet is overschreden, betekent naar het oordeel van de rechtbank echter niet dat er per definitie geen rekening met het tijdsverloop in deze zaak mag worden gehouden. De oorzaak van het tijdsverloop laat onverlet dat (het vooruitzicht van) deze strafzaak zwaar op verdachte heeft gedrukt.

De rechtbank heeft tevens acht geslagen op de door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden opgelegde straffen in de zaken van de andere mannen die seks met [slachtoffer] hadden.1 In deze zaken zijn (met uitzondering van de oom van [slachtoffer] ) deels voorwaardelijke gevangenisstraffen opgelegd met als hoogste straf een gevangenisstraf van 24 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk voor de man die (vanaf enig moment) met zekerheid wist van [slachtoffer] ’s leeftijd en desondanks tientallen malen seks met haar had.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat in het geval van verdachte, die viermaal seks met [slachtoffer] had, onder de eerder genoemde omstandigheden, een gevangenisstraf voor de duur van vijftien maanden waarvan vijf maanden voorwaardelijk passend.

Benadeelde partij

[slachtoffer] heeft zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Gevorderd wordt een bedrag van € 5.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum waarop de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft tot toewijzing van de vordering gerequireerd.

Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft afwijzing van de vordering van de benadeelde partij bepleit. De schade die [slachtoffer] heeft geleden is nagenoeg volledig geleden door toedoen van de oom van [slachtoffer] . Uit de contacten die [slachtoffer] met verdachte had, kan zelfs worden afgeleid dat [slachtoffer] verdachte wel leuk vond. Dat verdachte verantwoordelijk is voor de geleden schade is van ook niet vast komen te staan.

Oordeel van de rechtbank
Zoals reeds overwogen ten aanzien van de op te leggen straf is het slachtoffer door haar oom aangezet tot het verrichten van seksuele handelingen met onder andere verdachte. Het is naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat zowel diens handelwijze als - weliswaar in veel mindere mate - de handelwijze van verdachte immateriële schade bij het slachtoffer heeft veroorzaakt. Ten laste van de oom van het slachtoffer is door het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden een vordering tot immateriële schadevergoeding toegewezen tot € 50.000,00.

De rechtbank schat de immateriële schade die het slachtoffer heeft geleden ten gevolge van het bewezen verklaarde en die voor rekening van verdachte komt in ieder geval op een bedrag van € 2.500,00 De rechtbank zal de vordering tot dit bedrag toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente.

Het doen van nader onderzoek naar de vraag of, en zo ja, in hoeverre de immateriële schade (door toedoen van verdachte dit bedrag te boven gaat en in hoeverre dit) overlapt met de schade die de oom van het slachtoffer reeds dient te vergoeden, zou een onevenredige belasting van het strafgeding vormen. De rechtbank zal de vordering voor het overige daarom niet ontvankelijk verklaren. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Nu de aansprakelijkheid van verdachte vaststaat, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat verdachte de schade zal vergoeden.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 245 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden.

Bepaalt dat (van) deze gevangenisstraf een gedeelte, groot 5 maanden niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, op grond dat de veroordeelde zich voor het einde van een proeftijd, die hierbij wordt vastgesteld op twee jaren, aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2016.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer

[slachtoffer] te betalen een bedrag van € 2.500,00 (zegge: tweeduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 mei 2016, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 35 dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de hiervoor opgelegde verplichting niet opheft. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.V. Nolta, voorzitter, mr A.H.M. Dölle en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 november 2020.

Mrs. Nolta en Dölle zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Onder andere ECLI:NL:GHARL:2020:9323, ECLI:NL:GHARL:2020:9324.