Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3920

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
18/004885-20
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, veroordeelt een 18-jarige jongen uit Groningen tot een jeugddetentie en legt aan hem een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel op. De rechtbank acht bewezen dat de jongen zich - toen hij nog minderjarig was - schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel gepleegd ten opzichte van een kwetsbaar achttienjarig meisje, een poging zware mishandeling, een mishandeling en een wederrechtelijke vrijheidsberoving.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 57
Wetboek van Strafrecht 77a
Wetboek van Strafrecht 77g
Wetboek van Strafrecht 77i
Wetboek van Strafrecht 77s
Wetboek van Strafrecht 77gg
Wetboek van Strafrecht 273f
Wetboek van Strafrecht 300
Wetboek van Strafrecht 302
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Groningen

parketnummer 18/004885-20

vordering na voorwaardelijke veroordeling parketnummer 05/225543-18

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 12 november 2020 in de zaak van het openbaar ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

wonende te [woonplaats] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 29 oktober 2020. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. C.B. Stenger, advocaat te Amsterdam. Het openbaar ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S.E. Eijzenga.

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na nadere omschrijving van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 14 februari 2020 tot en met 26 februari 2020, te Groningen en/of te Beilen, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,

A) een ander, te weten [slachtoffer 1] , (telkens) door dwang, geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) of door dreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en), door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1°) en/of

- heeft gedwongen en/of bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard dan wel onder die omstandighe(i)d(en) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan verdachte en/of verdachtes mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer 1] zich daardoor beschikbaar zou(den) stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en/of

- heeft gedwongen dan wel bewogen verdachte en/of verdachte(s) mededader(s) te bevoordelen uit de opbrengst van haar [slachtoffer 1] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en/of

B) (telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten [slachtoffer 1] , (sub 6°),

immers heeft hij, verdachte en/of (met) zijn mededader(s):

- die [slachtoffer 1] onderdak verschaft en/of

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij 500,- euro, althans een geldbedrag, moest betalen en/of

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij seks moest hebben voor geld en/of

- een (werk)telefoon verstrekt aan die [slachtoffer 1] om te gebruiken bij het maken van seksadvertenties en/of het maken van afspraken met klanten voor prostitutie en/of

- die [slachtoffer 1] ondergebracht en/of laten verblijven in een woning om aldaar klanten voor prostitutie te ontvangen en/of

- een hotelkamer geboekt voor die [slachtoffer 1] om klanten voor prostitutie te ontvangen en/of

- condooms en/of glijmiddel voor die [slachtoffer 1] gekocht ten behoeve van prostitutiewerkzaamheden en/of

- die [slachtoffer 1] instructies en/of prijsafspraken gegeven voor afspraken met klanten voor prostitutie en/of

- een (aantal) betaalverzoek(en) gemaakt voor klanten van die [slachtoffer 1] en/of

- die [slachtoffer 1] met de scooter naar klanten voor prostitutie vervoerd en/of

- ( een gedeelte van) het door die [slachtoffer 1] verdiende geld ingenomen en/of door die [slachtoffer 1] laten afstaan,

terwijl die [slachtoffer 1] niet over eigen inkomsten en/of huisvesting beschikte en/of een beperkt sociaal netwerk had en/of (aldus) bewerkstelligd dat die [slachtoffer 1] van hem, verdachte en/of diens mededader(s) afhankelijk was.


2.

hij in of omstreeks de periode van 25 februari 2020 tot en met 26 februari 2020 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, (te weten [slachtoffer 1] ), opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen en/of met kracht met een bezem(steel)/stok op en/of tegen het oor en/of de wang (elders) tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

althans, indien terzake van het vorenstaande geen veroordeling mocht volgen, dat

hij in of omstreeks de periode van 25 februari 2020 tot en met 26 februari 2020 te Groningen, [slachtoffer 1] heeft mishandeld door (meermalen en/of met kracht) met een bezem(steel)/ stok, tegen het oor en/of de wang en/of (elders) tegen het hoofd van die [slachtoffer 1] te slaan;

3.

hij op of omstreeks 5 januari 2020 te Winschoten, (althans) in de gemeente Oldambt, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer 2] in/tegen het gezicht en/of het hoofd, althans tegen het lichaam, te slaan en/of te stompen en/of te duwen (ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] met het hoofd tegen een muur/deurpost aankwam);

4.

hij op of omstreeks 5 januari 2020 te Winschoten, (althans) in de gemeente Oldambt opzettelijk [slachtoffer 3] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden, door:

- zich toegang tot de vrouwenopvang (waar die [slachtoffer 3] verbleef en waar hem, verdachte, de toegang was ontzegd) te verschaffen (door over de schutting van het afgesloten terrein te klimmen) en/of (vervolgens)

- tegen die [slachtoffer 3] te zeggen “meekomen” en/of "Je trekt nu je schoenen aan en je gaat mee!" en/of (vervolgens)

- die [slachtoffer 3] (met geweld en/of met kracht) in de nek en/of bij de haren en/of bij de armen, en/of (elders) bij het lichaam, vast te pakken en/of het pand uit te duwen/trekken en/of (vervolgens)

- ( buiten het pand) die [slachtoffer 3] vast te houden en/of te slaan en/of vooruit te trekken en/of (daarbij) tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: "Doorlopen jij!",

(telkens) terwijl die [slachtoffer 3] huilde en/of zei dat ze niet mee wilde en/of op haar sokken liep.

Beoordeling van het bewijs

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling voor het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde gevorderd.

Met betrekking tot het onder 1 ten laste gelegde, kort gezegd het in vereniging plegen van mensenhandel ten opzichte van [slachtoffer 1] (hierna: [slachtoffer 1] ), heeft de officier van justitie onder meer aangevoerd dat verdachte gebruik heeft gemaakt van de dwangmiddelen dwang, (dreiging met) geweld en andere feitelijkheden, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft betoogd dat verdachte moet worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende (steun)bewijs is voor gedwongen prostitutie en gedwongen afstaan van verdiensten.

Verdachte heeft bekend dat hij [slachtoffer 1] met een stok op het hoofd heeft geslagen (feit 2) en dat hij [slachtoffer 2] tegen een muur heeft geduwd (feit 3).

Ten aanzien van de onder 4 ten laste gelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer 3] heeft de raadsvrouw vrijspraak bepleit gelet op de ontkenning van verdachte. Verdachte heeft ter terechtzitting aangegeven dat verdachte van tevoren met [slachtoffer 3] had afgesproken dat hij haar mee zou nemen uit de instelling en dat [slachtoffer 3] deed alsof ze dat niet wilde, zodat zij geen problemen in de instelling zou krijgen.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 1 en 2 (slachtoffer [slachtoffer 1] )

Vaststelling van de feiten

De rechtbank gaat op basis van de in de voetnoten genoemde wettige bewijsmiddelen uit van de volgende feitelijke gang van zaken.

[slachtoffer 1] zat begin 2020 vast in Frans Guyana vanwege drugssmokkel. Ze was toen 18 jaar oud en had in Nederland geen vaste verblijfplaats, geen bankrekening, geen inkomsten en geen bezittingen. Ze had geen contact met haar ouders en geen vaste vrienden en vriendinnen.1 [slachtoffer 1] kende verdachte vanuit de jeugdinstelling Het Poortje en vroeg hem of ze bij hem kon slapen als ze weer terug in Nederland zou komen, waar verdachte mee instemde. Verdachte was op de hoogte van haar situatie en wist dat ze niets had2 en nergens anders heen kon.3 Verdachte had op 14 februari 2020 via WhatsApp contact met ene [naam 1] waarin hij - in een gesprek dat ging over de aankoop en verkoop van drugs - aangaf dat hij iets anders heeft en dat hij even afwachtte tot [slachtoffer 1] er was.4

Toen [slachtoffer 1] op 14 februari 2020 ’s avonds in Nederland aankwam, sliep ze een nacht bij [naam 2] , waar verdachte haar op 15 februari 2020 kwam ophalen. Verdachte nam [slachtoffer 1] mee naar zijn woning in Groningen waar ze mocht blijven slapen. Ze moest hem een geldbedrag betalen, wat verdachte wilde investeren in drugs.¹ [medeverdachte] leende een telefoon aan [slachtoffer 1]5 zodat [slachtoffer 1] een seksadvertentie kon plaatsen.6 [slachtoffer 1] advertentie met als titel “ [titel] ” op de website www.speurders.nl was op 15 februari 2020 om 15:00 uur actief en werd van 15 februari tot 24 februari 2020 371 maal bezocht vanaf de door [medeverdachte] aan [slachtoffer 1] uitgeleende telefoon.7

[slachtoffer 1] legde aan verdachte voor wat klanten wilden en verdachte gaf aan wat het moest kosten en of het kon. Ook gaf verdachte opdracht aan [medeverdachte] een hotel voor [slachtoffer 1] te laten regelen en om haar te brengen.8 Verdachte en [medeverdachte] hielden via WhatsApp contact over [slachtoffer 1] , haar seksafspraken en verdiensten, waarbij verdachte aan [medeverdachte] aangaf dat hij haar telefoon moest controleren en dat [slachtoffer 1] haar geld moest inleveren. Verdachte gaf [medeverdachte] opdracht om condooms en glijmiddel te halen.910

[slachtoffer 1] had diverse seksafspraken, zowel in auto’s als hotels. Verdachte en [medeverdachte] brachten haar naar de afspraken.11² Op 15 februari 2020 had [slachtoffer 1] had een afspraak met een klant in een hotel. Hier ging ze samen met verdachte en [medeverdachte] naartoe met het openbaar vervoer. Om 22:55/22:56 uur werd van de rekening van verdachte driemaal hetzelfde bedrag overgeboekt naar NS. Om 23:39 uur werd vanaf deze rekening een hotel in Drachten betaald en pp 16 februari 2020 werd tussen 00:44 en 00:47 uur driemaal hetzelfde bedrag overgeboekt naar OV Chipkaart.12

[slachtoffer 1] leverde de verdiensten van haar seksafspraken telkens in bij verdachte.13 Als klanten mobiel betaalden via een betaalverzoek (een ‘Tikkie’) kwam het geld op de rekening van verdachte terecht.14 Als klanten met contant geld betaalden, ging het geld in een shagpot in de woning van verdachte.15²

Verdachte stuurde [slachtoffer 1] op 20 februari 2020 WhatsApp berichten met als inhoud “geef jou doekoe aan [medeverdachte] . Alles wta je maakt aan [medeverdachte] . En niet uitgeven. Want kheb ganga. Maar dan kan ik investen”.16 Diezelfde dag stuurde hij aan [medeverdachte] , wiens bijnaam [medeverdachte] is, “beter check je af en toe [slachtoffer 1] der tellie”, “boek hotel met der” en “pak die doekoe van haar, ze moet inleveren”.17 Op 21 februari 2020 stuurt verdachte aan [slachtoffer 1] een bericht met de inhoud “Je brengt alles wat je maakt hier” en “Je brengt me dat geld. EN je gaay normaal doen he. Dus kom me geen schande geven want ik klap je geloof me”, “Werkrn konjo. En dat geld breng je hier”. Op 25 februari 2020 stuurde verdachte aan [slachtoffer 1] “Breng die telefoon. En je brengt dat geld”.18

Toen [slachtoffer 1] de telefoon van [medeverdachte] op 25 februari 2020 terugbracht naar verdachte en [medeverdachte] , bleek er een scheur in het scherm te zitten. Ook had [slachtoffer 1] geen geld voor hem meegenomen. Verdachte en [medeverdachte] waren boos.² 19 Verdachte sloeg [slachtoffer 1] met een stok op haar hoofd² en bedreigde haar met een mesje.¹ [slachtoffer 1] bleef in de woning van verdachte en moest de volgende dag, op 26 februari 2020, met verdachte en [medeverdachte] mee naar Beilen om geld op te halen bij de vriendin, [naam 3] (hierna: [naam 3] ) waar [slachtoffer 1] geld aan had gegeven. Verdachte stuurde op 26 februari 2020 WhatsApp berichten met als inhoud dat “die kkr hoer [slachtoffer 1] (de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]) die doekoe aan iemand heeft gegeven” en “die doekoe hebben ze gewn uitgegeven. Dus kg a die gene klappen”.20

[slachtoffer 1] belde naar [naam 3] om te waarschuwen dat verdachte, [medeverdachte] en zij naar Beilen kwamen en vroeg haar om de politie te bellen. [naam 3] trof het drietal in Beilen op straat. Verdachte was agressief en schreeuwde tegen haar. Hij zei onder andere “mijn geld, mijn geld” en zei dat ze zijn geld had afgepakt. Verdachte en [medeverdachte] worden aangehouden.

Bij [slachtoffer 1] werd letsel waargenomen in de vorm van onder andere bloeduitstortingen en zwelling in het gezicht en bij haar oor, alsmede diverse bloeduitstortingen op haar lichaam.21

Feit 1: Mensenhandel. Vaststelling van dwangmiddelen, oogmerk van uitbuiting en medeplegen.

De rechtbank overweegt met betrekking tot artikel 273f (oud) Sr dat uit de totstandkomingsgeschiedenis en de jurisprudentie volgt dat mensenhandel is gericht op uitbuiting. Bij de strafbaarstelling van mensenhandel staat het belang van het individu steeds voorop. Dat belang is het behoud van zijn of haar lichamelijke en geestelijke integriteit en persoonlijke vrijheid. De in dit artikel opgenomen verboden gedragingen beïnvloeden de wil, waaronder is begrepen de keuzemogelijkheid van het slachtoffer, in die zin dat zij leiden tot het ontbreken van vrijwilligheid, waartoe ook behoort het ontbreken of de vermindering van de mogelijkheid een bewuste keuze te maken. Dit gebrek aan een vrije keuze en afhankelijkheid komt nader tot uitdrukking in de verschillende bestanddelen van artikel 273f Sr, waarbij deze gedragingen alleen bestraft kunnen worden als ze zijn begaan onder omstandigheden waarbij (oogmerk van) uitbuiting kan worden verondersteld.

Het (oogmerk van) uitbuiting is in de wet niet gedefinieerd, anders dan in het tweede lid door de opsomming van een aantal vormen van uitbuiting, waaronder uitbuiting van een ander in de prostitutie. Uitbuiting veronderstelt altijd een zekere mate van onvrijwilligheid of onderwerping van degene die wordt uitgebuit. In het geval van prostitutiewerkzaamheden zal er - gelet op de aard van het werk en de forse inbreuk op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer - in het geval van gebruik van enig dwangmiddel en enig financieel gewin bij de verdachte al snel sprake zijn van uitbuiting. Wanneer gebruik is gemaakt van enig dwangmiddel, is instemming van het slachtoffer met de beoogde of bestaande uitbuiting niet relevant.

Gelet op de onder 1 opgenomen feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat verdachte onder gebruikmaking van de dwangmiddelen misbruik van een uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie [slachtoffer 1] heeft aangeworven, vervoerd, gehuisvest (sub 1), bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten (sub 4), en bewogen anderen te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde (sub 9).

Met betrekking tot het dwangmiddel misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht geldt blijkens de wetsgeschiedenis dat, waar het de prostitutie betreft, dit misbruik kan worden verondersteld indien de prostitué(e) in een situatie verkeert of komt te verkeren die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostitué(e) in Nederland pleegt te verkeren. Daarbij kan onder meer worden gedacht aan aangegane schulden waarbij de afbetalingsverplichting van dien aard kan zijn dat de betrokkene gedwongen is zich te (blijven) prostitueren. Meer in het algemeen kan worden gesteld dat het niet kunnen beschikken over eigen financiële middelen als een uitbuitingssituatie moet worden aangemerkt.

Met betrekking tot het dwangmiddel misbruik van een kwetsbare positie geldt dat dit begrip in lid 6 van artikel 237f Sr is gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt begrepen “een situatie waarin een persoon geen andere werkelijke of aanvaardbare keuze heeft dan het misbruik te ondergaan.” Oorspronkelijk is het begrip ‘kwetsbare positie’ opgenomen ter implementatie van hetgeen in art. 1 lid 1 EU-Kaderbesluit 2002 wordt aangeduid als ‘misbruik van een situatie van kwetsbaarheid, zodanig dat de betrokken persoon in feite geen andere keuze heeft dan zich te laten misbruiken’.

Naar het oordeel van de rechtbank is in de onderhavige zaak sprake van zowel een kwetsbare positie als van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, gelet op hetgeen blijkt uit de vastgestelde feiten. De achttienjarige [slachtoffer 1] had in het buitenland in de gevangenis gezeten en kwam weer in Nederland zonder bezittingen, bankrekening en vaste verblijfplaats, hetgeen als een kwetsbare positie valt aan te merken. Door haar onderdak te verschaffen en haar niet over haar inkomsten uit prostitutie te laten beschikken, kreeg verdachte overwicht op [slachtoffer 1] .

Voor het bewijs van door "misbruik" handelen is toereikend dat de dader zich bewust moet zijn geweest van de kwetsbare positie en de relevante feitelijke omstandigheden waaruit het overwicht voortvloeit, dan wel verondersteld moet worden voort te vloeien, in die zin dat tenminste voorwaardelijk opzet ten aanzien van die omstandigheden bij hem aanwezig moet zijn. Zoals uit de vastgestelde feiten en omstandigheden blijkt, was verdachte zich bewust van de kwetsbare positie van [slachtoffer 1] en van de omstandigheden waaruit zijn overwicht op haar voortvloeide. Gebruik van deze dwangmiddelen kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook bewezen worden.

De rechtbank overweegt dat uit de vastgestelde feiten tevens blijkt dat sprake was van (dreiging met) geweld. Voor bewezenverklaring van (dreiging met) geweld als

dwangmiddel is echter nodig dat causaal verband tussen het dwangmiddel en de ten laste gelegde handelingen van sub 1, 4 en 9 vast komt te staan. Nu naar het oordeel van de rechtbank niet is gebleken dat [slachtoffer 1] nog voor verdachte heeft gewerkt of verdiensten aan hem of [medeverdachte] heeft afgestaan nadat verdachte had gedreigd haar te slaan, haar daadwerkelijk had geslagen met een stok en had bedreigd met een mesje op 25 februari 2020, kan het causale verband niet bewezen worden.

Nu verdachte [slachtoffer 1] met gebruikmaking van de genoemde misbruik-dwangmiddelen heeft bewogen prostitutiewerkzaamheden voor hem te gaan doen en haar verdiensten op te eisen, was naar het oordeel van de rechtbank sprake van uitbuiting.

Ten aanzien van het oogmerk van uitbuiting overweegt de rechtbank dat hiervoor is vereist dat het handelen van verdachte, naar hij moet hebben beseft, als noodzakelijk en dus door

hem gewild gevolg meebracht dat de ander werd of zou kunnen worden uitgebuit.22

Uit hetgeen reeds is overwogen ten aanzien van de feitelijkheden en de door verdachte toegepaste dwangmiddelen vloeit naar het oordeel van de rechtbank voort dat verdachte handelde met het oogmerk van uitbuiting. De rechtbank wijst in dit verband in het bijzonder nog op het gesprek dat verdachte via WhatsApp met ene [naam 1] heeft op 14 februari 2020 over de aan- en verkoop van drugs waarin hij aangeeft dat hij wat anders heeft en hij de komst van [slachtoffer 1] even afwacht. Dit past naar het oordeel van de rechtbank volledig bij de verklaring van [slachtoffer 1] inhoudend dat [verdachte] op 15 februari tegen haar zei dat ze hem geld moest betalen en dat hij dit wilde investeren in drugs. Hieruit leidt de rechtbank af dat verdachte van meet af aan, nog voordat [slachtoffer 1] terug in Nederland was, van plan was om geld aan haar te verdienen.

Met betrekking tot het medeplegen overweegt de rechtbank dat uit de vaststelling van de feiten volgt dat verdachte een nauwe en bewuste samenwerking met [medeverdachte] had, met als doel om geld te verdienen aan [slachtoffer 1] . Er was sprake van een gezamenlijke uitvoering waaraan beide verdachten een - intellectuele en/of materiële - bijdrage van voldoende gewicht hadden.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het in vereniging plegen van alle onder 1 ten laste gelegde sub-onderdelen van mensenhandel bewezen.

Feit 2: (Poging tot zware) mishandeling van [slachtoffer 1]

Gelet op de vastgestelde feiten heeft verdachte [slachtoffer 1] meermalen met kracht op haar hoofd geslagen met een stok. Naar het oordeel van de rechtbank brengt het met kracht slaan met een dergelijk hard voorwerp tegen het hoofd - zijnde een kwetsbaar onderdeel van het menselijk lichaam - de aanmerkelijke kans met zich mee dat [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel zou oplopen. Deze gedraging kan naar uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel dat het, behoudens aanwijzingen voor het tegendeel, niet anders kan zijn geweest dan dat verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans op dat gevolg heeft aanvaard. Van aanwijzingen van het tegendeel is de rechtbank niet gebleken.

De rechtbank acht dan ook bewezen dat verdachte voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel had en zal de primair ten laste gelegde poging tot zware mishandeling wettig en overtuigend bewezen.

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 3 (slachtoffer [slachtoffer 2] )

De rechtbank volstaat ten aanzien van het hierna onder 3 bewezen verklaarde met een opgave van de bewijsmiddelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, nu verdachte het hierna bewezen verklaarde duidelijk en ondubbelzinnig heeft bekend.

Deze opgave luidt als volgt:

1. de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 oktober 2020;

2. een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal d.d. 6 januari 2020, opgenomen op pagina 9 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020005823 d.d. 16 maart 2020, inhoudende de verklaring van [slachtoffer 2] .

Oordeel van de rechtbank ten aanzien van feit 4 (slachtoffer [slachtoffer 3] )

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven.

1. De door verdachte op de terechtzitting van 29 oktober 2020 afgelegde verklaring, voor zover inhoudende:

Ik ben op 5 januari 2020 naar Winschoten gegaan, naar de locatie waar [slachtoffer 3] verbleef. Ik heb daar een locatieverbod. Ik ben aan de achterkant van het pand over het hek geklommen en ik heb [slachtoffer 3] meegenomen. Ze liep op haar sokken. Ik heb haar schoenen en jas meegenomen.

2. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 januari 2020, opgenomen op pagina 33 van het dossier van Politie Noord-Nederland met nummer PL0100-2020005823 d.d. 16 maart 2020, inhoudende als relaas van verbalisant(en):

Op zondag 5 januari 2020 zijn wij, verbalisanten, in gesprek gegaan met [slachtoffer 3]

. [slachtoffer 3] verblijft samen met haar kinderen bij [instelling] te [plaats] . Hier werd zij in de middag van 5 januari 2020 met geweld vandaan gehaald door haar ex [verdachte] . [slachtoffer 3] vertelde ons het volgende:

Op een gegeven moment zag [naam 4] , zij woont daar ook, een hand over het hek. Ik besefte toen dat [verdachte] echt was gekomen. Hij is over het hek geklommen. Hij stond opeens binnen. Hij pakte bij beet en trok me mee. Ik heb ‘nee, nee, nee’ geschreeuwd. [verdachte] trok mij met zich mee. Hij had me bij mijn bovenarm vast. [verdachte] sloeg een begeleidster tegen de muur. Ik was op sokken, [verdachte] pakte mijn schoenen en nam ze mee. [verdachte] nam mij mee naar buiten. Buiten bleef hij schreeuwen en bleef hij boos. We zijn gaan lopen, in [plaats] . Ik heb gezegd dat ik [plaats] niet uit wilde. Ik zei 'neem me niet mee'.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 januari 2020, opgenomen op pagina 29 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 1] :

Op zondag 5 januari 2020 bevond ik mij in een woonlocatie van [instelling] aan de [straatnaam] te [plaats] , een opvanghuis voor moeders. Ik zag/hoorde dat [slachtoffer 3] aan het bellen was met haar ex-vriend, [verdachte] . Toen het telefoon gesprek af was gelopen, zei [slachtoffer 3] : "Hij komt hierheen". [slachtoffer 3] vroeg aan mij of ik het buitenhek op slot wilde doen, omdat ze niet wilde dat hij binnen kwam. Dit heb ik voor haar gedaan. Omstreeks 16:30 uur, op dezelfde dag zag ik dat [verdachte] via de keuken de woonkamer binnen liep. Ik zag dat [verdachte] richting [slachtoffer 3] liep. Ik zag aan de houding van [slachtoffer 3] dat ze bang was. Ik hoorde dat [slachtoffer 3] zei:" Je bent aan het trippen". Ik zag dat [slachtoffer 3] ineen kroop. Ik zag dat [verdachte] , [slachtoffer 3] met 1 hand vastpakte.

Ik zag dat [verdachte] , [slachtoffer 3] nog steeds beet had en haar richting de voordeur van de woning trok. Ik zag dat [slachtoffer 3] haar lichaam in tegengestelde probeerde te bewegen. Ik zag dat [slachtoffer 3] zichzelf schrap zette. Ik zag dat het [verdachte] toch lukt om [slachtoffer 3] de woning uit te trekken. Via de voordeur is [verdachte] met [slachtoffer 3] de woning verlaten.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 5 januari 2020, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 2] :

Ik zag dat [verdachte] direct op [slachtoffer 3] afliep. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 3] vastpakte. Ik zag dat [verdachte] [slachtoffer 3] vervolgens meerdere keren voor zich uit duwde, weer richting de keuken. Ik zag dat [verdachte] erg boos was en agressief uit zijn ogen keek. Ik zag dat [slachtoffer 3] bang was en niet met [verdachte] mee wilde. Ik zag dat omdat zij probeerde om weg te komen bij [verdachte] . Ik heb niet gehoord of [slachtoffer 3] wat zei. Ik hoorde [verdachte] op een gegeven moment wel schreeuwen: "Je trekt nu je schoenen aan en je gaat mee!"

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van getuigenverhoor d.d. 6 januari 2020, opgenomen op pagina 39 e.v. van voornoemd dossier, inhoudende als verklaring van [getuige 3] :

Ik woon aan de [straatnaam] in [plaats] . Op zondag 5 januari 2019 zag ik dat een donkere jongen een meisje mee trok, door zijn arm achter haar rug, boven haar middel te slaan en vast te haken onder haar oksel/bovenarm. Ik zag dat het meisje hierdoor meegetrokken werd door de donkere jongen. Ik hoorde de donkere man meerdere keren tegen het meisje schreeuwen:" Doorlopen jij, doorlopen jij". Terwijl hij dit uitsprak, zag ik de donkere jongen een paar keer met zijn vlakke hand op haar rug sloeg. Ik hoorde de donkere jongen zeggen:" Ik zei toch dat je niet zo stoer moest doen!". Ik hoorde het meisje alleen maar huilen. Ze zei verder niks en ik zag dat ze de hele tijd met haar gezicht naar de grond toe keek, terwijl ze door de donkere jongen vooruit werd getrokken. Ik hoorde de donkere jongen schreeuwen naar het meisje: "Doorlopen!". Hij trok haar vooruit in een behoorlijke tempo. Harder dan een normale looppas. Ik zag dat het meisje niet mee wilde, omdat ze tegenstribbelde. Ze liep niet actief mee, maar werd door de donkere jongen meegetrokken de hele tijd. Ze kreeg ook niet de kans om haar schoenen aan te trekken. Het meisje hoorde ik constant huilen.

Bespreking verweer

De rechtbank schuift terzijde de ter terechtzitting door verdachte afgelegde verklaring, kort gezegd inhoudend dat sprake was van een samen met [slachtoffer 3] vooropzet plan en dat ze samen een toneelstukje opvoerden. De rechtbank acht deze verklaring ongeloofwaardig en in strijd met de inhoud van de als bewijsmiddel opgenomen getuigenverklaringen. Daaruit volgt onder meer dat [slachtoffer 3] aangaf dat verdachte eraan zou komen en vroeg of men het hek van de vrouwenopvang waar zij verbleef op slot wilde doen. Tevens blijkt dat [slachtoffer 3] ook buiten de vrouwenopvang tegenstribbelde en huilde, hetgeen volkomen past bij het onvrijwillig meegaan door [slachtoffer 3] . Als zij daadwerkelijk een toneelstukje speelde om binnen de opvang geen problemen te krijgen met haar vertrek, valt niet in te zien dat zij eenmaal buiten de opvang nog steeds tegenstribbelde en huilde.

De rechtbank constateert overigens dat verdachte ten tijde van zijn verhoor bij de politie geheel anders verklaarde, namelijk dat er geen sprake was van dwang, dat [slachtoffer 3] voor hem uit liep en dat een ieder die hen heeft zien lopen, zou bevestigen dat er geen sprake van dwang was. De rechtbank ziet zich hierin gesterkt in haar opvatting dat de verklaringen van verdachte in strijd met de waarheid zijn.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 14 februari 2020 tot en met 26 februari 2020, te Groningen, te Beilen en in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander,

A) een ander, te weten [slachtoffer 1] , telkens door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en door misbruik van een kwetsbare positie

- heeft geworven, vervoerd en gehuisvest, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer 1] (sub 1°) en

- heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten van seksuele aard (sub 4°) en

- heeft bewogen verdachte en verdachtes mededader te bevoordelen uit de opbrengst van haar [slachtoffer 1] , seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°) en

B) telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de seksuele uitbuiting van die ander, te weten [slachtoffer 1] , (sub 6°),

immers heeft hij, verdachte en/of zijn mededader:

- die [slachtoffer 1] onderdak verschaft en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij een geldbedrag, moest betalen en

- tegen die [slachtoffer 1] gezegd dat zij seks moest hebben voor geld en

- een telefoon verstrekt aan die [slachtoffer 1] om te gebruiken bij het maken van seksadvertenties en het maken van afspraken met klanten voor prostitutie en

- een hotelkamer geboekt voor die [slachtoffer 1] om klanten voor prostitutie te ontvangen en

- condooms en glijmiddel voor die [slachtoffer 1] gekocht ten behoeve van prostitutiewerkzaamheden en

- die [slachtoffer 1] instructies en prijsafspraken gegeven voor afspraken met klanten voor prostitutie en

- een aantal betaalverzoeken gemaakt voor klanten van die [slachtoffer 1] en

- die [slachtoffer 1] met de scooter naar klanten voor prostitutie vervoerd en

- het door die [slachtoffer 1] verdiende geld door die [slachtoffer 1] laten afstaan,

terwijl die [slachtoffer 1] niet over eigen inkomsten en huisvesting beschikte en een beperkt sociaal netwerk had en aldus heeft bewerkstelligd dat die [slachtoffer 1] van hem, verdachte en diens mededader afhankelijk was.

2.

hij in de periode van 25 februari 2020 tot en met 26 februari 2020 te Groningen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een persoon, te weten [slachtoffer 1] , opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet meermalen en met kracht met een stok tegen het oor en het hoofd van die [slachtoffer 1] heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

3.

hij op 5 januari 2020 te Winschoten, in de gemeente Oldambt, [slachtoffer 2] heeft mishandeld door:

- die [slachtoffer 2] te duwen ten gevolge waarvan die [slachtoffer 2] met het hoofd tegen een muur aankwam;

4.

hij op 5 januari 2020 te Winschoten, in de gemeente Oldambt opzettelijk [slachtoffer 3] , wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, door:

- zich toegang tot de vrouwenopvang waar die [slachtoffer 3] verbleef en waar hem, verdachte, de toegang was ontzegd te verschaffen door over de schutting van het afgesloten terrein te klimmen en vervolgens

- tegen die [slachtoffer 3] te zeggen “meekomen” en "Je trekt nu je schoenen aan en je gaat mee!" en vervolgens

- die [slachtoffer 3] met geweld vast te pakken en het pand uit te duwen en vervolgens

- buiten het pand die [slachtoffer 3] vast te houden en te slaan en vooruit te trekken en daarbij tegen die [slachtoffer 3] te zeggen: "Doorlopen jij!",

telkens terwijl die [slachtoffer 3] huilde en zei dat ze niet mee wilde en op haar sokken liep.

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

1. Mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde

personen, meermalen gepleegd.

2. Poging tot zware mishandeling.

3. Mishandeling.

4. Opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven.

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte ter zake van het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde wordt veroordeeld tot jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest en oplegging van de voorwaardelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: PIJ-maatregel).

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft gepleit voor oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Oplegging van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel is een te ingrijpende maatregel en is niet in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van de jeugdige. Niet valt in te zien waarom de nodige behandeling niet kan plaatsvinden in het kader van een voorwaardelijke PIJ-maatregel.

Oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek op de terechtzitting en de hierna te bespreken rapportages, het verdachte betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 17 september 2020, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de raadsvrouw.

De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met een vriend schuldig gemaakt aan mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting. Hij heeft een achttienjarige vrouw onderdak verschaft nadat zij een gevangenisstraf in het buitenland had uitgezeten en zonder woning, bankrekening en bezittingen weer in Nederland kwam. Verdachte en zijn medeverdachte zorgden voor een (werk)telefoon, brachten de vrouw naar prostitutieafspraken en lieten haar haar verdiensten aan hen afstaan. Verdachte heeft de vrouw mishandeld door haar met een stok tegen het hoofd te slaan toen ze haar verdiensten niet aan hem gaf en de aan haar uitgeleende telefoon beschadigd bleek te zijn.

Mensenhandel waarbij een iemand in de prostitutie wordt gebracht, is een vergaande vorm van uitbuiting waarbij de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer ondergeschikt worden gemaakt aan de zucht naar geldelijk gewin van de uitbuiter. De psychische gevolgen van dergelijke uitbuiting voor een slachtoffer zijn, zo is algemeen bekend, groot.

Verdachte heeft zich tevens schuldig gemaakt aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving van zijn ex-vriendin, die op dat moment in een vrouwenopvang verbleef. Verdachte had al een locatieverbod voor de opvang en is over het hek geklommen om binnen te komen. Hij heeft zijn ex-vriendin meegetrokken naar buiten. Onderweg naar de uitgang heeft verdachte een medewerkster van de opvang zo hard tegen de muur geduwd dat zij een scheur bij haar oor en huid van haar schedel opliep.

Uit de verklaringen van zowel de ex-vriendin van verdachte als de medewerkster van de opvang blijkt dat het voorval grote impact op hen heeft gehad. De medewerkster is tot op heden - tien maanden na het voorval - nog niet volledig hersteld en mentaal niet in staat gebleken om in dezelfde instelling te blijven werken.

Al met al heeft verdachte vier nare strafbare feiten gepleegd, waarbij het slachtoffer telkens een jonge vrouw was. De rechtbank rekent het verdachte aan en acht het tevens zorgwekkend dat hij op dergelijke respectloze en agressieve wijze met deze vrouwen is omgegaan.

De rechtbank heeft tevens in aanmerking genomen dat verdachte, blijkens het hem betreffende uittreksel uit de justitiële documentatie, eerder onherroepelijk is veroordeeld voor mishandeling.

Wat betreft de persoon en de strafbaarheid van verdachte neemt de rechtbank onder meer in ogenschouw de bevindingen en conclusies van het Pro Justitia rapport van psychiater dr. A.M. de Jong d.d. 10 juli 2020 en het Pro Justitia rapport van psycholoog R. Brandsma d.d. 26 juni 2020. De rapportages houden onder meer in dat bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een normoverschrijdende gedragsstoornis en een hiermee samenhangende andere gespecificeerde persoonlijkheidsstoornis met antisociale en narcistische trekken. Verder is er sprake van een stoornis in het gebruik van cannabis.

Deze stoornissen waren aanwezig ten tijde van het tenlastegelegde. Beide deskundigen adviseren om het ten laste gelegde in licht verminderde mate aan verdachte toe te rekenen. Het recidiverisico wordt hoog ingeschat. Om de kans op recidive te minimaliseren is een intensieve en langdurige, klinische behandeling nodig. Beide deskundigen adviseren om deze behandeling op te leggen in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Gezien de beperkte (maar niet afwezige) ontwikkelings- en behandelmogelijkheden zijn randvoorwaarden voor het slagen hiervan een gesloten justitiële setting en een gedwongen kader.

De Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) sluit zich in haar rapport d.d. 23 oktober 2020 aan bij het advies van de psychiater en de psycholoog. De Raad overweegt daarbij dat met een PIJ-maatregel de continuïteit van de noodzakelijke

klinische behandeling wordt geborgd, mede gezien het gebrek aan intrinsieke motivatie

bij verdachte en een zekere 'ongevoeligheid' voor een stok achter de deur zoals een

voorwaardelijk kader. Een andere, lichtere straf of maatregel, zoals een

voorwaardelijke PIJ-maatregel, wordt hiervoor onvoldoende geacht. Mislukking van een voorwaardelijke PIJ-maatregel zou een doorkruising van de behandeling betekenen, wat onwenselijk en niet in het belang van verdachte zou zijn.

De rechtbank stelt vast dat het gepleegde feit een misdrijf is waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Op grond van hetgeen de psychiater, de psycholoog en de Raad voor de Kinderbescherming in hun rapporten vermelden, is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het misdrijf een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond en daarnaast de veiligheid van anderen en de algemene veiligheid van personen en goederen het opleggen van een PIJ-maatregel eisen. Bovendien is deze maatregel in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van verdachte. De rechtbank zal aan verdachte daarom de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen.

De rechtbank wijst erop dat de Raad nadrukkelijk heeft benoemd dat zij geen vertrouwen heeft in oplegging van een voorwaardelijke PIJ-maatregel, zoals bepleit door de raadsvrouw, nu dit juist niet in het belang van verdachte is gelet op de in dat geval te voorziene doorbreking van de behandeling. De rechtbank kan de Raad hierin volgen.

De rechtbank overweegt verder dat de PIJ-maatregel zal worden opgelegd ter zake van een misdrijf dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen en dat bij verdachte tijdens het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Verlenging van de PIJ- maatregel is in dit geval mogelijk voor zover de maatregel daardoor de duur van zeven jaar niet te boven gaat.

De rechtbank zal conform de eis van de officier van justitie tevens een onvoorwaardelijke jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest aan verdachte opleggen. Dit acht de rechtbank vanuit het oogpunt van vergelding passend en geboden, gelet op de ernst van de feiten en het leed dat verdachte aan de slachtoffers heeft toegebracht.

Benadeelde partijen

De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
1. [slachtoffer 1] , tot een bedrag van € 1.778,00 ter zake van materiële schade en € 3.000,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan;
2. [slachtoffer 2] , tot een bedrag van € 1.000,00 ter vergoeding van materiële schade en € 3.500,00 ter vergoeding van immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum dat de schade is ontstaan.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 1] toewijzing van de gevorderde materiële schade gevorderd en matiging van de gevorderde immateriële schade. De officier van justitie heeft erop gewezen dat het gaat om een periode van twaalf dagen en dat een bedrag van € 1.500,00 aan immateriële schade passender is.

Standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 1] aangevoerd dat er geen bewijs is voor de gestelde materiële schade en dat de gevorderde immateriële schade aan de hoge kant is. [slachtoffer 1] was reeds een beschadigd meisje toen ze bij verdachte kwam en het is niet duidelijk of de genoemde trauma’s en schade door verdachte zijn toegebracht of reeds eerder zijn opgelopen.

Met betrekking tot de vordering van [slachtoffer 2] heeft de raadsvrouw aangevoerd dat de gevorderde immateriële schade aan de hoge kant is en gematigd dient te worden.

Oordeel van de rechtbank

1. [slachtoffer 1]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij [slachtoffer 1] materiële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 1 en 2 bewezen verklaarde. De rechtbank ziet echter aanleiding om het toe te wijzen bedrag te matigen tot € 1.500,00, nu onvoldoende is gebleken dat de verdiensten van de laatste prostitutieafspraken (die [slachtoffer 1] in Beilen had) eveneens zijn afgestaan aan verdachte. Uit het dossier volgt immers dat verdachte boos was omdat hij dit geld niet had ontvangen.

De gestelde immateriële schade acht de rechtbank goed onderbouwd en voor toewijzing vatbaar. Dat [slachtoffer 1] reeds problematiek had voorafgaand aan het misdrijf, maakt niet dat de psychische schade zoals verwoord in de toelichting op de vordering niet aan verdachte kan worden toegerekend.

De vordering zal daarom worden toegewezen tot een totaalbedrag van € 4.500,00, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 26 februari 2020.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

2. [slachtoffer 2]

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende aannemelijk geworden dat de benadeelde partij Van der Berg de gestelde immateriële schade heeft geleden en dat deze schade een rechtstreeks gevolg is van het onder 3 bewezen verklaarde. De gestelde materiële schade acht de rechtbank eveneens voldoende onderbouwd en voor toewijzing vatbaar, met uitzondering van de gevorderde toekomstige schade à € 247,96. Op dit punt acht de rechtbank de vordering onvoldoende onderbouwd.

De vordering zal derhalve worden toegewezen tot een bedrag van € 4.252,04, te vermeerderen met de gevorderde wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 januari 2020.

Nu vaststaat dat verdachte tot het hiervoor genoemde bedrag aansprakelijk is voor de schade die door het bewezen verklaarde is toegebracht, zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel opleggen om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed.

De rechtbank zal verdachte veroordelen in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Vordering na voorwaardelijke veroordeling

Bij onherroepelijk vonnis van 17 januari 2019 van de politierechter in de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, is verdachte veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf van 20 uren, met een proeftijd van twee jaren. De proeftijd is ingegaan op 1 februari 2019. Daarbij is als algemene voorwaarde gesteld dat veroordeelde voor het einde van de proeftijd geen strafbare feiten zal plegen.

De officier van justitie heeft bij vordering van 8 oktober 2020 de tenuitvoerlegging gevorderd van de voorwaardelijke straf.

Nu vaststaat dat verdachte de bewezen verklaarde feiten heeft begaan voor het einde van de proeftijd, kan de vordering in beginsel worden toegewezen. Gelet op de op te leggen straf en maatregel acht de rechtbank het echter niet opportuun om de werkstraf ten uitvoer te leggen. De rechtbank zal de vordering dan ook afwijzen.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 36f, 45, 57, 77a, 77g, 77i, 77s, 77gg, 273f, 300 en 302 van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart het onder 1, 2 primair, 3 en 4 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

plaatsing in een inrichting voor jeugdigen.

een jeugddetentie voor de duur van 259 dagen.

Beveelt dat de tijd door de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en/of voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie geheel in mindering zal worden gebracht.

Ten aanzien van 18/004885-20, feit 1 en 2:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van € 4.500,00 (zegge: vierduizendvijfhonderd euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 26 februari 2020.

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 1] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] te betalen een bedrag van € 4.500,00 (zegge: vierduizendvijfhonderd euro), met dien verstande dat bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling wordt toegepast. Dit bedrag bestaat uit € 1.500,00 aan materiële schade en € 3.000,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1] daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Ten aanzien van 18/004885-20, feit 3:

Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] toe tot na te melden bedrag en veroordeelt verdachte tot betaling aan deze benadeelde partij van een bedrag van

€ 4.252,04 (zegge: vierduizendtweehonderdtweeënvijftig euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2020 mitsdien .

Verklaart de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer 2] voor het overige niet ontvankelijk. Dit deel van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.

Veroordeelt verdachte in de kosten van het geding door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak alsnog te maken, tot heden begroot op nihil.

Legt aan verdachte de verplichting op aan de staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2], te betalen een bedrag van € 4.252,04 (zegge: vierduizendtweehonderd-tweeënvijftig euro en vier eurocent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 januari 2020, met dien verstande dat bij gebreke van betaling en verhaal geen gijzeling wordt toegepast. Dit bedrag bestaat uit € 752,04 aan materiële schade en € 3.500,00 aan immateriële schade.

Bepaalt daarbij dat, indien verdachte heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de staat ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 2] , daarmee de verplichting van verdachte om aan de benadeelde partij dit bedrag te betalen komt te vervallen en omgekeerd, dat, indien verdachte aan de benadeelde partij het opgelegde bedrag heeft betaald, daarmee de verplichting tot betaling aan de staat van dit bedrag komt te vervallen.

Wijst af de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke straf, opgelegd bij vonnis van de politierechter van de Rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 17 januari 2019.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.M. Dölle, voorzitter, tevens kinderrechter,

mr. G. Eelsing en mr. O.J. Bosker, rechters, bijgestaan door mr. C.L. van der Woude, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 12 november 2020.

Mrs. Dölle en Eelsing zijn buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] d.d. 27 februari 2020, p. 330 e.v. van het dossier van politie Noord-Nederland met nummer 2020050804 (Zeeleeuw) gesloten op 28 augustus 2020.

2 De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 oktober 2020.

3 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 7 mei 2020, p.543 e.v.

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2020, p.190 e.v.

5 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 2 juni 2020, p.630 e.v.

6 De verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 19 juni 2020, p.345 e.v.

7 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 4 mei 2020, p.87 e.v.

8 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2020, p.125 e.v.

9 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2020, p.108 e.v.

10 Het proces-verbaal van verhoor van [medeverdachte] d.d. 2 juni 2020, p.630 e.v.

11 De verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 19 juni 2020, p.345 e.v.

12 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2020, p.249 e.v.

13 De verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 19 juni 2020, p.345 e.v.

14 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 juni 2020, p.249 e.v.

15 De verklaring van [slachtoffer 1] d.d. 19 juni 2020, p.345 e.v.

16 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2020, p.125 e.v.

17 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 11 maart 2020, p.108 e.v.

18 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2020, p.125 e.v.

19 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 8 mei 2020, p.555 e.v.

20 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 6 mei 2020, p.190 e.v.

21 Een letselverslag d.d. 4 maart 2020, p.100 e.v.

22 HR 27 oktober 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI7099 (Chinese Horeca).