Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3897

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
05-11-2020
Datum publicatie
16-11-2020
Zaaknummer
C/18/194754 / HA RK 19-64 en C/18/197707 / HA RK 20-22
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Verzoeken op grond van de AVG tot verwijdering zoekresultaten afgewezen. Niet gebleken is dat de publicaties waarnaar de zoekresultaten verwijzen, vol onjuistheden staan.

De berichtgeving waarnaar de zoekresultaten verwijzen, hebben een waarschuwingsfunctie en deze berichtgeving maakt deel uit van een (lokaal) maatschappelijk debat over onder meer de huursector waarin verzoekers actief zijn (geweest).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2020-0859
JBP 2021/16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

Beschikking in gevoegde zaken van 5 november 2020

in de zaak met zaaknummer / rekestnummer: C/18/194754 / HA RK 19-64 van

[eiser 1] ,

wonende te [adres] ,

verzoeker,

advocaat mr. R.P. de Vries te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

GOOGLE LLC,

gevestigd te Mountain View, CA 94043, Verenigde Staten,

verweerster,

advocaat mr. D. Verhulst te Amsterdam,

en in de zaak met zaaknummer / rolnummer C/18/197707 / HA RK 20-22 van

1 [eiser 1] ,

wonende te [adres] ,

2. [eiser 2] ,

wonende te [adres] ,

verzoekers,

advocaat mr. R.P. de Vries te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar vreemd recht

GOOGLE LLC,

gevestigd te Mountain View, CA 94043, Verenigde Staten,

verweerster,

advocaat mr. D. Verhulst te Amsterdam.

1 De procedure in de zaak 19-64

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties,

  • -

    het verweerschrift met producties,

  • -

    de nadere producties 11 tot en met 13 van de zijde van [eiser 1] ,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitaantekeningen van [eiser 1] ,

  • -

    de pleitaantekeningen van Google.

1.2.

Ten slotte is uitspraak bepaald op heden.

2 De procedure in de zaak 20-22

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het verzoekschrift met producties,

  • -

    het verweerschrift met producties,

  • -

    de nadere productie 34 van de zijde van [eiser 1] en [eiser 2] ,

  • -

    de mondelinge behandeling,

  • -

    de pleitaantekeningen van [eiser 1] en [eiser 2] ,

  • -

    de pleitaantekeningen van Google.

2.2.

Ten slotte is uitspraak bepaald op heden.

Partijen zullen hierna [eiser 1] , [eiser 2] en Google genoemd worden.

3 De feiten

3.1.

[eiser 1] en [eiser 2] zijn ondernemers die onder meer actief zijn (geweest) op de vastgoedmarkt in Groningen. [eiser 1] en [eiser 2] zijn gehuwd.

3.2.

[eiser 1] exploiteert (onder meer) de onderneming Pex Real Estate BV. De hoofdactiviteiten van de onderneming zijn het ontwikkelen van nieuwbouwprojecten en de verkoop en verhuur van woningen in verschillende gemeenten in Nederland, waaronder in de stad Groningen. [eiser 2] heeft het aanhuurmakelaarskantoor Spot IN geëxploiteerd. Laatstgenoemde onderneming is opgehouden te bestaan.

3.3.

Google is exploitant van de internetzoekmachine Google Search. Deze zoekmachine helpt gebruikers om informatie op het internet te vinden. Gebruikers kunnen één of meer zoektermen opgeven, waarna de zoekmachine zoekresultaten weergeeft. De zoekresultaten bevatten verwijzingen (de zogeheten hyperlinks) naar internetadressen van webpagina’s, oftewel naar Uniform Resource Locators (kort aangeduid als: URL's). De selectie en ordening van zoekresultaten en de vertoning daarvan aan de gebruiker zijn het dynamische product van een geautomatiseerd, algoritmisch proces. Het algoritme selecteert en ordent zoekresultaten aan de hand van meer dan 200 factoren, zoals het internetadres en de titel, de inhoud en hiërarchische structuur van de desbetreffende pagina, de vraag of en, zo ja, hoe vaak één of meer van de opgegeven zoektermen daarop voorkomt, de publicatiedatum van de pagina en de kwaliteit en populariteit van de website waarop die staat alsmede het aantal en de herkomst van de hyperlinks naar die pagina. Google Search wordt wereldwijd aangeboden via de website www.google.com. In verschillende landen bestaan lokale versies die aan de nationale taal zijn aangepast, zoals in Nederland www.google.nl.

3.4.

Wanneer de namen " [eiser 1] " of " [eiser 2] " als zoektermen in Google Search worden opgegeven, worden zoekresultaten zichtbaar die verwijzingen bevatten naar publicaties op web- of ook wel bronpagina’s betreffende onder meer artikelen op de website www.sikkom.nl en www.wikipedia.org en verwijzingen naar een aflevering van het programma "Foute Boel" op SBS en een aflevering van het programma #BOOS op BNNVARA waarin [eiser 1] en/of [eiser 2] worden genoemd.

3.5.

[eiser 1] en Spot IN zijn op 2 maart 2018 door ROOD (jongerenorganisatie van de Socialistische Partij, SP) verkozen tot "Huisjesmelker van het Jaar 2018". Volgens het onderliggende juryrapport waren er 42 klachten van huurders. De klachten hadden onder meer betrekking op illegale bemiddelingskosten, te hoge huurprijzen, achterstallig onderhoud, het niet terugbetalen van de waarborgsom, maar ook intimidatie, huisvredebreuk en bedreiging van huurders die naar de huurcommissie of de rechter zijn gestapt.

3.6.

[eiser 1] heeft, nadat BNNVARA kenbaar maakte de aflevering van #BOOS niet te zullen verwijderen, een kortgedingprocedure tegen BNNVARA geëntameerd en gevorderd de aflevering van het programma #BOOS te verwijderen en een rectificatie te plaatsen. Bij uitspraak van 11 juli 2019 van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland is geoordeeld dat de betreffende aflevering als zodanig niet hoeft te worden verwijderd. Verder zijn afgewezen de vorderingen tot rectificatie van - kort gezegd - al hetgeen in die aflevering met betrekking tot [eiser 1] en [eiser 2] is besproken. De subsidiaire vordering tot gedeeltelijke rectificatie is wel toegewezen, in die zin dat BNNVARA is veroordeeld tot het plaatsen van de volgende rectificatie:

"In deze aflevering wordt onder meer meegedeeld dat:

- de heer [eiser 1] betrokken is geweest bij de door Spot IN aan huurder [naam 1] in rekening gebrachte bemiddelingskosten;

- Spot IN failliet zou zijn gegaan en dat de heer [eiser 1] en mevrouw [eiser 2] dit opzettelijk zouden hebben gedaan om schuldeisers te ontlopen;

- Pex Real Estate B.V. zou zijn opgericht om onder de regels uit te komen;

- I Property Management B.V. een doorstart zou zijn van Spot IN .

Deze mededelingen worden onvoldoende door feiten gedragen."

3.7.

Op 14 februari 2019 is namens [eiser 1] en [eiser 2] en de door hen geëxploiteerde ondernemingen een klacht ingediend bij de Raad voor de Journalistiek (hierna: de Raad) tegen [naam 2] (journalist en hoofdredacteur van Sikkom.nl) en NDC Mediagroep BV. Bij beslissing van 16 januari 2020 heeft de Raad [eiser 1] en [eiser 2] gedeeltelijk in het gelijk gesteld. De Raad heeft geoordeeld dat berichtgeving over hen ongefundeerde beschuldigingen bevat waarbij een onnodig grievende toon is gebruikt en onvoldoende hoor en wederhoor is toegepast. Er zijn echter geen incidenten uitgelokt om nieuws te creëren op grond waarvan er sprake zou zijn van onzorgvuldig journalistiek handelen, aldus de Raad.

3.8.

Bij deze rechtbank zijn [eiser 1] en [eiser 2] , al dan niet via hun ondernemingen, al enige jaren regelmatig bij procedures met onder meer hun (voormalige) huurders betrokken. Ditzelfde geldt voor [eiser 1] bij procedures bij de Huurcommissie. [eiser 1] en [eiser 2] zijn in die procedures vaak in het ongelijk gesteld.

3.9.

Google heeft een online formulier in het leven geroepen voor het doen van een verzoek tot verwijdering van URL's in de zoekresultaten van Google Search. Via dit formulier kan een gebruiker een of meerdere URL's opgeven waarvan hij wil dat die niet meer als zoekresultaat worden getoond als op zijn eigen naam wordt gezocht. Het verzoek moet op het formulier per URL worden toegelicht. Google beoordeelt elk verzoek tot verwijdering en elke in dat verband genoemde URL handmatig. De verzoeker ontvangt vervolgens een reactie van Google met ofwel een verzoek om meer informatie ofwel een (summier) gemotiveerde beslissing op het verzoek tot verwijdering.

3.10.

[eiser 1] heeft via zijn advocaat met behulp van het online formulier op 29 augustus 2019 verzocht om 18 URL's te verwijderen van de zoekresultatenpagina die getoond wordt bij een zoekopdracht op zijn naam. Google heeft afwijzend op dit verzoek beslist en deze beslissing per e-mail van 30 augustus 2019 kenbaar gemaakt.

3.11.

[eiser 1] heeft op 10 oktober 2019 het verzoek in de zaak 19-64 ingediend waarin hij de rechtbank verzoekt Google te bevelen alsnog tot verwijdering van de 18 URL's over te gaan.

3.12.

Op 3 februari 2020 heeft [eiser 1] opnieuw via zijn advocaat met behulp van het online formulier verzocht om 24 URL's te verwijderen. Ook op dit verzoek heeft Google afwijzend beslist en deze beslissing op 5 februari 2020 kenbaar gemaakt.

3.13.

[eiser 2] heeft op 12 februari 2020 via haar advocaat en eveneens met behulp van het online formulier Google verzocht 21 URL's te verwijderen van de zoekresultatenpagina die getoond wordt bij een zoekresultaat op haar roepnaam. Google heeft afwijzend op het verzoek van [eiser 2] beslist en deze beslissing op 21 februari 2020 per e-mail aan haar advocaat kenbaar gemaakt.

3.14.

[eiser 1] en [eiser 2] hebben op 12 maart 2020 het verzoek in de zaak 20-22 ingediend waarin zij verzoeken dat Google wordt bevolen de door hen op 3 en 12 februari 2019 aan Google verzochte URL's te verwijderen.

4 De verzoeken

4.1.

In de zaak 19-64 verzoekt [eiser 1] de rechtbank, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, om binnen één week na betekening van deze beslissing, althans een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, de verwijzing naar de URL's, die voorkomt uit de zoekopdracht " [eiser 1] " te verwijderen en verwijderd te houden zoals onder I in het verzoekschrift staat omschreven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor elke dag of dagdeel dat Google hiermee in gebreke blijft, met veroordeling van Google in de kosten van de procedure, waaronder een bedrag aan nakosten, met rente.

4.2.

Google concludeert in deze zaak tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [eiser 1] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

4.3.

In de zaak 20-22 verzoekt [eiser 1] dat de rechtbank, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, om binnen één week na betekening van deze beslissing, althans een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, de verwijzing naar de URL's, die voorkomt uit de zoekopdracht " [eiser 1] " te verwijderen en verwijderd te houden zoals onder I in het verzoekschrift staat omschreven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor elke dag- of dagdeel dat Google hiermee in gebreke blijft.

[eiser 2] verzoekt in de zaak 20-22 de rechtbank, bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad, om binnen één week na betekening van deze beslissing, althans een door de rechtbank te bepalen redelijke termijn, de verwijzing naar de volgende URL's, die voorkomt uit de zoekopdracht " [eiser 2] " te verwijderen en verwijderd te houden zoals onder II in het verzoekschrift staat omschreven, eveneens op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,-, althans een door de rechtbank te bepalen bedrag, voor elke dag- of dagdeel dat Google hiermee in gebreke blijft. Tot slot verzoeken [eiser 1] en [eiser 2] de veroordeling van Google in de kosten van de procedure, waaronder een bedrag aan nakosten, met rente.

4.4.

Google concludeert ook in deze zaak tot afwijzing van het verzoek, met veroordeling van [eiser 1] en [eiser 2] in de proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

5 Het standpunt van [eiser 1] en [eiser 2]

5.1.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun bovenvermelde verzoeken - kort samengevat - het volgende ten grondslag. Volgens vaste rechtspraak heeft een betrokkene in principe het recht op verwijdering van zijn persoonsgegevens uit zoekresultaten. Het is aan de verwerker van de gegevens om aan te tonen dat er sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de gegevens niet verwijderd zouden moeten worden, aldus [eiser 1] en [eiser 2] . De web- en bronpagina's waarnaar in de betreffende URL's wordt verwezen, bevatten volgens [eiser 1] en [eiser 2] een overdaad aan onjuistheden en onnauwkeurigheden. Ook om die reden dient een belangenafweging tot verwijdering in het voordeel van [eiser 1] en [eiser 2] uit te vallen. Daar komt bij, zo stellen [eiser 1] en [eiser 2] , dat de informatie op de pagina's onvolledig, niet ter zake dienend en bovenmatig is.

6 Het standpunt van Google

6.1.

Het verweer van Google komt - kort samengevat - op het volgende neer. De verzoeken tot verwijdering heeft Google afgewezen omdat deze niet voldoen aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 17 lid 1 sub c in samenhang met 21 lid 1 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (hierna: “de AVG”) en haar interne beleidsregels. De berichten waarnaar de betreffende URL's verwijzen, hebben een belangrijke waarschuwingsfunctie en maken deel uit van een (lokaal) maatschappelijk debat waarin [eiser 1] en [eiser 2] publieke figuren zijn. Het onvindbaar maken van deze publicaties biedt de mogelijkheid om via de achterdeur alsnog te voorkomen dat het publiek deze stukken kan vinden en zou een disproportioneel effect hebben dat op geen enkele manier is gerechtvaardigd of beoogd. Daar komt bij dat de inhoud van de bronpagina's volgens Google op geen enkele wijze geraakt is door de uitspraken in kort geding dan wel het oordeel van de Raad. Tot slot voert Google aan dat de beslissing niet tot verwijdering over te gaan, in lijn is met de jurisprudentie over verwijderingsverzoeken op grond van het Costeja-arrest.

7 De beoordeling

De omvang van de verzoeken

7.1.

Gelet op de nauwe samenhang tussen de gevoegde zaken, zullen deze zaken gezamenlijk besproken worden.

7.2.

De rechtbank zal in het navolgende ingaan op de 14 (acht voor " [eiser 1] " en zes voor " [eiser 2] ") door Google in haar pleitaantekeningen onder randnummer 5. weergegeven URL’s nu door [eiser 1] en [eiser 2] niet, althans onvoldoende, is weersproken dat deze 14 URL’s thans de zoekresultaten vormen die daadwerkelijk nog verschijnen bij een zoekopdracht op de naam " [eiser 1] " dan wel " [eiser 2] " van de URL's waarvan zij verwijdering hebben verzocht. De door [eiser 1] en [eiser 2] in de pleitaantekeningen onder randnummer 42. opgenomen schermafdruk maakt dit niet anders nu dit stuk - onweersproken - dateert van 9 februari 2018 en derhalve geen accurate weergave is van de zoekresultaten die thans worden weergegeven. Daar komt bij dat voor het vinden van die zoekresultaten niet alleen de (roep)namen van [eiser 1] en [eiser 2] zijn gebruikt maar ook de toevoeging "Sikkom" is opgegeven.

7.3.

De beoordeling spitst zich derhalve toe op de volgende URL's waarvan de verwijdering is verzocht waarbij wordt gezocht op " [eiser 1] ":

1. https://nl.wikipedia.org/wiki/ [internet adres]

2. https://player.fm/series/boos/ [internet adres]

3. https://tros.tvgids.nl [internet adres]

4. https://viralstat.com [internet adres]

5. https://www.sikkom.nl/tag [internet adres]

6. https://www.sikkom.nl [internet adres]

7. https://www.sikkom.nl [internet adres]

8. https://www.facebook.com/sikkom [internet adres]

en waarbij wordt gezocht op " [eiser 2] ":

1. https://www.sikkom.nl/tag [internet adres]

2. https://www.sikkom.nl [internet adres]

3. https://www.sikkom.nl [internet adres]

4. https://www.sikkom.nl [internet adres]

5. https://twitter.com [internet adres]

6. https://www.youtube.com [internet adres] .

De rechtbank zal de door Google gebruikte aanduiding van de URL's overnemen. Dit betekent dat de URL's die verwijzen naar [eiser 1] zullen worden aangeduid met C 1 tot en met 8 en de URL's die verwijzen naar [eiser 2] als K 1 tot en met 6.

7.4.

Google heeft in de aanloop naar de mondelinge behandeling drie zoekresultaten waarvan [eiser 1] en [eiser 2] verwijdering hebben verzocht, verwijderd (C 2 en 3 en K 2). Met betrekking tot deze zoekresultaten hebben [eiser 1] en [eiser 2] thans geen belang meer bij verwijdering om welke reden dit deel van het verzoek zal worden afgewezen.

Wettelijk kader

7.5.

Sinds 25 mei 2018 is de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG) in werking getreden. Als EU-verordening is de AVG verbindend in al haar onderdelen en rechtsreeks toepasselijk in de Lidstaten. De verzoeken van [eiser 1] en [eiser 2] zijn na 25 mei 2018 aanhangig geworden, zodat het verzoek ook zal worden beoordeeld aan de hand van de regels van de AVG.

7.6.

Google heeft te gelden als de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4 sub 7 van de AVG van de persoonsgegevens die zij met haar zoekmachine indexeert. Google’s verwerking van persoonsgegevens is in beginsel gerechtvaardigd op basis van artikel 6 lid 1 sub f AVG (vgl. r.o. 73 e.v. van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU 13 mei 2014, zaak C-131/12, ECLI:EU:C:2014:317) hierna ook wel: “het Costeja-arrest”).

7.7.

Bij de beoordeling van het verwijderverzoek gaat het om de gevonden zoekresultaten van de zoekmachine en niet primair om de inhoud van de webpagina’s waarnaar een koppeling in de zoekresultaten verwijst. Zoals uit het Costeja-arrest blijkt, moet worden benadrukt dat de door een zoekmachine verrichte verwerking van persoonsgegevens verschilt van de door een web-redacteur verrichte verwerking van persoonsgegevens. Die laatste verwerking bestaat er immers uit om gegevens op een webpagina te plaatsen. De verwerking door een zoekmachine komt daar bovenop. Voor zover de verwerking van persoonsgegevens door de zoekmachine verschilt van de door web-redacteurs verrichte verwerking van persoonsgegevens daar bovenop komt en bijkomend de grondrechten van een betrokkene aantast, komt aan Google als exploitant van een zoekmachine een eigen verantwoordelijkheid toe binnen het kader van de AVG (vgl. r.o. 34 e.v. van het arrest van Hof van Justitie (HvJ EU 24 september 2019, zaak C-136/17 GC, AF, BH, ED/Commission nationale l'informatique et des libertés) hierna ook wel: “het GC e.a./CNIL-arrest”). Daarbij kan, hoewel het ten aanzien van Google om gevonden zoekresultaten in de zoekmachine gaat, in de belangenafweging in beginsel niet geheel voorbij worden gegaan aan de inhoud van de gewraakte webpagina’s, waarnaar in de zoekresultaten wordt verwezen.

7.8.

In artikel 17 aanhef en lid 1 van de AVG is bepaald dat de betrokkene recht heeft op, kort samengevat en voor zover in deze zaak van belang, wissing van hem betreffende persoonsgegevens (het “recht op vergetelheid”) wanneer de persoonsgegevens niet langer nodig zijn voor de doeleinden waarvoor zij zijn verzameld of anderszins verwerkt (sub a), wanneer de betrokkene overeenkomstig artikel 21 lid 1 van de AVG bezwaar maakt tegen de verwerking en er geen prevalerende dwingende, gerechtvaardigde gronden zijn voor de verwerking (sub c) of wanneer de persoonsgegevens onrechtmatig zijn verwerkt (sub d). Uit lid 3 van dit artikel volgt dat dit verwijderingsrecht (onder meer) niet van toepassing is voor zover een verwerking nodig is voor het uitoefenen van het recht op vrijheid van meningsuiting en informatie.

7.9.

Artikel 21 lid 1 van de AVG bepaalt, voor zover in deze zaak van belang, dat de betrokkene vanwege met zijn specifieke situatie verband houdende redenen bezwaar kan maken tegen de verwerking van hem betreffende persoonsgegevens op basis van artikel 6 lid 1 sub f van de AVG. De verwerkingsverantwoordelijke staakt de verwerking van de persoonsgegevens tenzij hij dwingende, gerechtvaardigde gronden voor de verwerking aanvoert die zwaarder wegen dan de belangen, rechten en vrijheden van de betrokkene.

7.10.

Bij de uitleg van artikel 6 aanhef en sub f in samenhang met artikel 17 en 21 AVG en de op basis van deze bepalingen in voorkomende gevallen te maken afweging van belangen, is relevant dat door het Hof van Justitie in het Costeja-arrest en in het arrest van de Hoge Raad van 24 februari 2017 (HR 24 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:316, hierna ook wel: “het X/Google-arrest”) is geoordeeld dat de grondrechten van een natuurlijk persoon als bedoeld in de artikelen 7 en 8 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie (hierna kortheidshalve: “het Handvest”) - het betreft in de artikelen 7 en 8 het recht op eerbiediging van het privéleven respectievelijk het recht op bescherming van persoonsgegevens - in de regel zwaarder wegen dan, en dus voorrang hebben op, het economisch belang van de exploitant van de zoekmachine (vergelijk de vrijheid van ondernemerschap van Google, artikel 16 Handvest) en het gerechtvaardigde belang van de internetgebruikers die mogelijk toegang kunnen krijgen tot de desbetreffende zoekresultaten (zie het recht op vrijheid van meningsuiting en informatievrijheid voor het publiek, met eerbiediging van de vrijheid van de media zoals dat is neergelegd in artikel 11 van het Handvest; vergelijk voorts artikel 10 EVRM, artikel 7 Grondwet en artikel 17 lid 3 sub a AVG). Dat kan in bijzondere gevallen anders zijn, afhankelijk van de aard van de betrokken informatie en de gevoeligheid ervan voor het privéleven van de betrokkene en van het belang dat het publiek erbij heeft om over deze informatie te beschikken, wat met name wordt bepaald door de rol die deze persoon in het openbare leven speelt (vergelijk Hof van Justitie, r.o. 81 van het Costeja-arrest en Hoge Raad, r.o. 3.5.5. X/Google-arrest). De rechtmatigheid van een publicatie op bronpagina’s kan niet verhinderen, indien aan de voorwaarden daartoe is voldaan, dat een zoekmachine-exploitant gehouden is zoekresultaten te verwijderen (Hof van Justitie, r.o. 88 van het Costeja-arrest). Uit de jurisprudentie volgt verder dat binnen de belangenafweging richtinggevende (maar dus niet zelfstandige) overwegingen kunnen zijn het feit dat de zoekresultaten feitelijk onjuist zijn of, gelet op het geheel van de omstandigheden van het geval, voor het doel van de verwerking onvolledig, niet ter zake dienend of bovenmatig zijn. Bij een te maken belangenafweging kan voorts ook een rol spelen het in artikel 17 lid 3 sub d AVG genoemde belang van archivering voor algemeen nut of voor wetenschappelijk of historisch onderzoek en dergelijke.

7.11.

In het GC e.a./CNIL-arrest heeft het Hof van Justitie overwogen dat het verbod op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens en strafrechtelijke persoonsgegevens enkel de eigen verwerking van bijzondere persoonsgegevens door Google als exploitant van de zoekmachine betreft, met name het weergeven van een verwijzing naar een bronpagina met bijzondere persoonsgegevens in de lijst met zoekresultaten bij een zoekopdracht op naam van de betrokkene. De exploitant is niet verantwoordelijk voor het feit dat bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens op die bronpagina’s staan (GC e.a./CNIL-arrest, r.o. 45-47).

7.12.

Uit dit arrest volgt ook dat ten aanzien van een verwijderingsverzoek in verband met zoekresultaten die verwijzen naar webpagina’s met daarop bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens, waarbij de inbreuk op de grondrechten van de betrokkene bijzonder ernstig kan zijn vanwege de gevoeligheid van deze gegevens, steeds een belangenafweging moet worden gemaakt tussen enerzijds het recht op eerbiediging van het privéleven en het recht op bescherming van die bijzondere of strafrechtelijke persoonsgegevens van de betrokkene en anderzijds het recht op toegang tot informatie van het publiek en de vrijheid van meningsuiting van degene van wie die informatie afkomstig is. Daarbij moet gelet op de ernst van de inbreuk op de grondrechten van de betrokkene, worden nagegaan of de opname van een link in de resultatenlijst die wordt weergegeven na een zoekopdracht op de naam van deze persoon strikt noodzakelijk blijkt ter bescherming van in artikel 11 van het Handvest verankerde recht op vrijheid van informatie van de internetgebruikers die mogelijk geïnteresseerd zijn in toegang tot deze webpagina via een dergelijke zoekopdracht (GC e.a./CNIL-arrest, r.o. 66-69). Het recht op bescherming van persoonsgegevens is dan ook geen absoluut recht maar moet worden bezien in verhouding tot de functie ervan in de maatschappij en moet worden afgewogen tegen andere grondrechten (GC e.a./CNIL-arrest, r.o. 57).

Toetsing aan het wettelijk kader

7.13.

Vooropgesteld wordt dat ter beoordeling voorligt het zoekresultaat en niet de broninformatie, zijnde de publicaties. Hoewel bij het maken van een belangenafweging niet volledig voorbij kan worden gegaan aan de inhoud van de artikelen en afleveringen, betekent dit in ieder geval niet dat een verzoek als het onderhavige kan worden gebruikt om de inhoud van een publicatie te bestrijden. Onderhavige procedure leent zich derhalve niet voor een volle toetsing van de door [eiser 1] en [eiser 2] geuite kritiek op de artikelen en afleveringen.

7.14.

Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is het aan [eiser 1] en [eiser 2] om feiten en omstandigheden te stellen en, bij gemotiveerde betwisting, te bewijzen waaruit volgt dat ten aanzien van een bepaald zoekresultaat waarvan zij verwijdering verzoeken, voldaan is aan de voorwaarden van artikel 6 aanhef en sub f in samenhang met artikel 17 en/of 21 AVG.

7.15.

[eiser 1] en [eiser 2] leggen aan hun verzoeken - in redelijk algemene termen - ten grondslag dat de publicaties waarnaar in de URL's wordt verwezen voor hen vervelend en belastend zijn en dat zij overwegend negatief worden neergezet. Dit heeft, volgens [eiser 1] en [eiser 2] , onder meer gevolgen voor de bedrijfsvoering van de aan hen gelieerde ondernemingen. Ter onderbouwing van hun stelling dat de publicaties vol staan met onjuistheden, verwijzen [eiser 1] en [eiser 2] naar de uitspraak in kort geding van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland en de uitspraak van de Raad.

7.16.

Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit de uitspraak in kort geding, anders dan [eiser 1] en [eiser 2] stellen, niet dat de uitzending van #BOOS volledig moest worden gerectificeerd en dat [eiser 1] en [eiser 2] grotendeels in het gelijk zijn gesteld. Integendeel, door de voorzieningenrechter is geoordeeld dat de uitzending slechts op een paar onderdelen gerectificeerd diende te worden maar dat voor verwijdering van de aflevering als zodanig en rectificatie van al hetgeen betrekking had op [eiser 1] en [eiser 2] geen aanleiding bestaat. De beslissing van de Raad betreft voorts een formele beslissing zoals in r.o. 3.7. staat omschreven en valt op die grond in het voordeel van [eiser 1] uit. In voormelde uitspraken ziet de rechtbank geen onderbouwing voor het standpunt van [eiser 1] en [eiser 2] dat de betreffende publicaties vol staan met onjuistheden. Ook anderszins is hiertoe onvoldoende naar voren gebracht.

7.17.

De rechtbank overweegt voorts dat de berichtgeving door Sikkom, BNNVARA en SBS een waarschuwingsfunctie heeft en deze berichtgeving deel uitmaakt van een (lokaal) maatschappelijk debat over onder meer de huursector en dat [eiser 1] (en voorheen [eiser 2] ) publieke figuren zijn op de Groningse vastgoedmarkt (hetgeen de rechtbank overigens ook ambtshalve bekend is). Naar het oordeel van de rechtbank hebben [eiser 1] en [eiser 2] , tegen de hiervoor omschreven achtergrond, in beginsel, dan ook te dulden dat hun handelen in de media ter discussie moet kunnen worden gesteld. Dat [eiser 1] en [eiser 2] met de verzoeken tot het verwijderen van de URL's uit het zoekresultaat hetzelfde resultaat beogen als zij deden met de procedure in kortgeding en bij de Raad, is door hen onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daar komt bij dat door Google onweersproken is aangevoerd dat een dergelijk effect van verwijdering van zoekresultaten en het op die wijze onvindbaar maken van publicaties een disproportioneel effect heeft dat niet gerechtvaardigd is.

7.18.

De berichtgeving over [eiser 1] en [eiser 2] ziet bovendien voornamelijk op het handelen als verhuurder dan wel aanhuurmakelaar. Inbreuk op het recht op eerbiediging van het privéleven is dan ook in mindere mate aan de orde. Dat [eiser 2] thans niet meer op die markt werkzaam is, maakt dat niet anders nu zij mogelijk wel weer in dezelfde markt kan gaan opereren. Daar komt bij dat het de rechtbank ook ambtshalve bekend is dat [eiser 1] dan wel de door hem geëxploiteerde rechtspersonen en Spot IN meerdere malen bij procedures in deze rechtbank zijn betrokken waarbij veelal hun handelen als verhuurder c.q. aanhuurmakelaar ter discussie stond. [eiser 1] en [eiser 2] , dan wel de rechtspersonen die aan hen gelieerd zijn/waren, zijn daarbij ook meerdere malen in het ongelijk gesteld. Onder deze omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat het belang van het publiek bij kennisname van de berichtgeving over [eiser 1] en [eiser 2] zwaarder weegt dan het belang dat [eiser 1] en [eiser 2] hebben bij verwijdering van de URL’s. De huidige of toekomstige huurder van [eiser 1] (een in de verhouding tot [eiser 1] als verhuurder over het algemeen zwakkere partij), kan via deze berichtgeving op de hoogte raken van de achtergronden van [eiser 1] en de (politieke) discussies omtrent [eiser 1] , wat relevant kan zijn voor de afweging of men (nog langer) van [eiser 1] wil huren.

7.19.

De URL's die verwijzen naar artikelen van Sikkom als wordt gezocht op de namen " [eiser 1] " en " [eiser 2] " behoeven tegen de achtergrond van het voorgaande dan ook niet te worden verwijderd (C 5-8 en K 1, 3 en 4).

7.20.

Met betrekking tot URL C 4 heeft Google gesteld dat dit zoekresultaat thans als 60e resultaat verschijnt op pagina 7 en dat deze URL geen noemenswaardige invloed meer heeft op het profiel dat van [eiser 1] ontstaat op basis van de zoekresultatenpagina. [eiser 1] heeft deze stelling onvoldoende gemotiveerd weersproken zodat ook verwijdering hiervan, bij gebrek aan (voldoende) belang, wordt afgewezen.

7.21.

De laatste URL waarvan [eiser 1] verwijdering verzoekt (C 1) verwijst naar een Wikipediapagina over [eiser 1] . De rechtbank is van oordeel dat, tegen de achtergrond van het gemotiveerde verweer van Google tot verwijdering, door [eiser 1] onvoldoende uiteen is gezet waarom deze URL zou moeten worden verwijderd.

7.22.

De rechtbank volgt Google eveneens in haar verweer omtrent het niet hoeven verwijderen van URL K 6. Door [eiser 2] is niet gemotiveerd uiteen gezet waarom juist deze URL onvindbaar gemaakt zou moeten worden. Ook hieraan wordt, net als URL C 1, voorbij gegaan.

7.23.

Tot slot verzoekt [eiser 2] verwijdering van de URL K 5. Deze URL verwijst naar een tweet waarin [eiser 1] en [eiser 2] worden omschreven als 'oplichtersduo'. Google heeft met betrekking tot deze URL naar voren gebracht dat de inhoud van dit bericht begrijpelijk is tegen de achtergrond van de veroordelingen van Spot IN tot terugbetaling van bemiddelingskosten, uitspraken van de huurcommissie waarin [eiser 1] in het ongelijk wordt gesteld en de ernst van misstanden waarmee [eiser 1] en [eiser 2] in opspraak zijn geraakt. Ook dit standpunt van Google is door [eiser 1] en [eiser 2] niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken en evenmin is door hen, in het licht van het verweer van Google, uiteengezet waarom juist deze URL verwijderd dient te worden omdat het belang van [eiser 1] en [eiser 2] bij verwijdering zou prevaleren.

7.24.

De rechtbank komt dan ook tot de slotsom dat de verzoeken tot verwijdering van de URL's zullen worden afgewezen.

Proceskosten

7.25.

[eiser 1] zal in de zaak met nummer 19-64 als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Google vastgesteld als volgt:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2 punten x € 543,00)

€ 1.725,00

7.26.

Ook in de zaak met nummer 20-22 zullen [eiser 1] en [eiser 2] als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld, aan de zijde van Google vastgesteld als volgt:

- griffierecht € 639,00

- salaris advocaat € 1.086,00 (2 punten x € 543,00)

€ 1.725,00.

8 De beslissing

De rechtbank

in de zaaknummer / rekestnummer: C/18/194754 / HA RK 19-64

8.1.

wijst het verzoek van [eiser 1] af;

8.2.

veroordeelt [eiser 1] in de kosten van de procedure welke tot op heden zijn vastgesteld op € 1.725,00;

8.3.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in de zaaknummer / rekestnummer: C/18/197707 / HA RK 20-22

8.4.

wijst de verzoeken van [eiser 1] en [eiser 2] af;

8.5.

veroordeelt [eiser 1] in de kosten van de procedure welke tot op heden zijn vastgesteld op € 1.725,00;

8.6.

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Griffioen en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2020.1

1type: 596/ehcoll: