Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3886

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
C/18/201828 / JE RK 20-815
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Zijn de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog wel de geëigende middelen? De kinderrechter wacht de GI om onderzoek te vragen aan de Raad niet af en geeft zelfstandig opdracht aan de Raad om onderzoek te doen naar het woonperspectief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/201828 / JE RK 20-815

datum uitspraak: 12 november 2020

beschikking over de verlenging van de ondertoezichtstelling en de verlenging van de uithuisplaatsing in de zaak van

de gecertificeerde instelling

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming &Jeugdreclassering,

die is gevestigd in Amsterdam,

en die hierna ''de GI'' wordt genoemd,

die betrekking heeft op

[minderjarige 1] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2006 in [geboorteplaats] ,

en die hierna '' [minderjarige 1] '' wordt genoemd,

en

[minderjarige 2] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2006 in [geboorteplaats] ,

en die hierna '' [minderjarige 2] '' wordt genoemd.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

1. [vader] ,

2. [moeder]

die wonen in [woonplaats] ,

en die hierna ''de ouders'' worden genoemd,

advocaat: mr. K. Benchaib, die kantoor houdt in Emmeloord.

Het procesverloop

Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat de kinderrechter heeft ontvangen op 23 oktober 2020. Daarin verzoekt de GI de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar.

Op 23 oktober 2020 is dat verzoek mondeling behandeld. De kinderrechter heeft toen gesproken met [naam 1] en [naam 2] die de GI vertegenwoordigen, met de ouders van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun advocaat.

De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] uitgenodigd om voorafgaand aan de mondelinge behandeling met hem te praten over het verzoek van de GI. Zij hebben van die uitnodiging geen gebruik gemaakt.

De feiten

Het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt uitgeoefend door de ouders.

[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen sinds november 2019 op een voor de ouders geheim gehouden plek.

Op 17 december 2019 zijn [minderjarige 2] en [minderjarige 1] onder toezicht gesteld van de GI tot 27 november 2020 en is er een machtiging tot uithuisplaatsing verleend tot uiterlijk 27 februari 2020. Bij beschikking van 26 februari 2020 heeft de kinderrechter de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengd tot 27 november 2020.

Momenteel hebben [minderjarige 1] en [minderjarige 2] elke twee weken een twee uur durende bezoekregeling met hun ouders en daarnaast hebben ze wekelijks telefonisch contact. De omgangsmomenten vinden, in verband met de problematiek van de ouders, plaats onder begeleiding van Martinizorg.

De beoordeling

De kinderrechter kan de ondertoezichtstelling en de uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] verlengen als aan de daarvoor geldende wettelijke eisen is voldaan. Die eisen komen er op neer dat (i) beide kinderen nog steeds in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd, (ii) de ouders de zorg die beide kinderen nodig hebben niet of niet in voldoende mate accepteren en (iii) wel de verwachting bestaat dat de ouders binnen een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en hun ontwikkeling aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor hun opvoeding en verzorging weer zelf aankunnen.

De kinderrechter vindt dat uit het verzoekschrift en de daarop tijdens de mondelinge behandeling gegeven toelichting blijkt, dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] nog steeds in hun ontwikkeling ernstig worden bedreigd in de thuissituatie bij hun ouders. Te zeer dringt de kans zich op dat zij in die thuissituatie opnieuw (fysiek) worden mishandeld, dat zij opnieuw worden blootgesteld aan verwaarlozing in de vorm van onder-stimulatie, gebrek aan begrenzing, structuur, begeleiding en aan een voor hun leeftijd en ontwikkeling niet passende omgang met seksualiteit. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben in de thuissituatie hieraan blootgestaan en dat heeft hen tot kwetsbare kinderen gemaakt, die kampen met een ontwikkelingsachterstand, zodanig dat zij ondanks hun kalenderleeftijd, zij zijn nu veertien jaar oud, functioneren op het niveau van een kleuter. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn daardoor voor hun verzorging volledig afhankelijk van hun opvoeders.

Toereikend blijkt ook dat de ouders niet in staat zijn om in de verzwaarde opvoedvraag van beide kinderen te voorzien. De ouders zijn door hun forse persoonlijke problematiek beperkt belastbaar. Bovendien hebben zij geen inzicht in de beperkingen van hun kinderen. Het blijkt voor de ouders daarnaast lastig om op een constructieve manier met de hulpverlening samen te werken. Er is gedurende het leven van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] al veel hulpverlening betrokken geweest bij het gezin, waarbij steeds is getracht de opvoedvaardigheden van de ouders te verbeteren. Keer op keer blijkt echter dat de inzet van hulpverlening niet tot veranderingen leidt. Ouders hebben door hun eigen beperkingen onvoldoende probleembesef en - inzicht en daardoor geen intrinsieke hulpvraag. Zij zijn mede daardoor afwerend tegen de hulpverlening en accepteren niet de hulpverlening die nodig is om de zorg over de ontwikkelingsbedreiging van de kinderen weg te nemen. Terecht heeft de advocaat van de ouders er tijdens de mondeling behandeling op gewezen dat de afwerende houding van de ouders ook voortkomt uit de GI die wel meewerkt aan begeleid contact, maar niets doet om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] weer met hun ouders te herenigen.

Het is vervolgens de vraag of de verwachting nog bestaat dat hierin zodanig verandering komt dat er woonperspectief komt bij de ouders en of dat perspectief binnen een aanvaardbare termijn bij hen kan worden gevonden.

De GI is daarover duidelijk. Zij meent dat, gelet op de lange hulpverleningsgeschiedenis, de aanhoudende zorgen over de onveilige opvoedsituatie en de onmacht van de ouders om hun opvoedvaardigheden voldoende te laten aansluiten op de ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , het beter is voor de kinderen dat zij elders opgroeien. Het woonperspectief ligt daarom voor de GI niet langer bij de ouders, maar in een gezinshuis.

Met dat laatste zijn de ouders het niet eens. Zij menen dat ze middels een gezinsopname in [de gezinskliniek] , een psychiatrisch onderzoekscentrum van GGZ Drenthe, kunnen leren hoe zij wel aansluiting kunnen vinden bij de ontwikkelbehoeften van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . De ouders vinden bovendien dat zij wel voldoende bereid zijn om in de thuissituatie de benodigde hulpverlening te accepteren.

Als de kinderrechter kijkt naar de informatie die tot zover beschikbaar is gekomen, kan hij niet zonder meer de gerechtvaardigde verwachting uitspreken dat binnen een voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] aanvaardbare termijn perspectief kan worden gevonden bij de ouders.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang beschouwd, leidt tot de slotsom dat aan de eerste twee voorwaarden die de wet stelt voor de verlenging van de ondertoezichtstelling wel is voldaan. De kinderrechter kan echter (nog) niet vaststellen dat dit ook geldt voor de derde voorwaarde. Het is nog maar de vraag of in de gegeven omstandigheden aan die derde voorwaarde kan worden voldaan.

De kinderrechter acht zich hierover onvoldoende voorgelicht. Hij zal daarom aan de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoeksopdracht geven. Hij wil dat de Raad hem adviseert over het woonperspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en in samenhang daarmee, of de verlenging van de maatregelen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog wel geëigend is. Wanneer de Raad meent dat dit niet het geval is, wil de kinderrechter de Raad in de gelegenheid stellen om dan een verderstrekkende maatregel te verzoeken. De kinderrechter wijst alle betrokkenen erop dat wanneer de Raad in zijn onderzoek tot de conclusie komt dat het perspectief niet bij de ouders kan worden gevonden binnen een aanvaardbare termijn, hij de ondertoezichtstelling niet kan verlengen.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat dit onderzoek ook van belang is voor de verdere hulpverlening. Wanneer tot een verlenging wordt besloten, dan moet het beleid van de GI erop gericht zijn [minderjarige 1] en [minderjarige 2] met hun ouders te herenigen. Dat beleid zet de GI inmiddels niet meer in, gelet op haar overtuiging dat het perspectief van de kinderen ligt in een gezinshuis. Dat laatste is onverenigbaar met de aard en strekking van de tot zover genomen kinderbeschermingsmaatregelen. In de memorie van toelichting bij de wet van 26 april 1995 (Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 12) wordt over de relatie tussen de taak van de gezinsvoogdijwerker (die na wijziging van de jeugdwet inmiddels "jeugdbeschermingswerker heet") en de ouder opgemerkt:

"In elk geval dienen de hulp en steun er op gericht te zijn de ouders zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten behouden. Dit impliceert dat de gezinsvoogdij-instelling uithuisplaatsing zoveel mogelijk moet voorkomen en dat moet worden gezocht naar alternatieven die het gezinsverband in stand kunnen houden. Deze bepaling kan dienen als richtsnoer bij het opstellen van het hulpverleningsplan en een rol spelen bij de beoordeling door de rechter van verzoeken tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing of tot verlenging en opheffing van de ondertoezichtstelling.

Voor de duur van het onderzoek door de Raad zal de kinderrechter de maatregelen verlengen.

Een en ander brengt met zich dat de volgende beslissingen moeten worden genomen.

De beslissing


De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 19 maart 2021;

verleent voor de duur van deze verlenging aan de GI een machtiging om [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

geeft de Raad voor de Kinderbescherming opdracht tot onderzoek naar het woonperspectief van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en naar de vraag of (verlenging van) de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog wel geëigende kinderbeschermingsmaatregelen zijn;

bepaalt dat de zaak opnieuw mondeling wordt behandeld op vrijdag 12 maart 2021 om 13:00 uur, en wijst de ouders, de GI en de Raad voor de Kinderbescherming er op dat deze beschikking geldt als een oproep om dan aanwezig te zijn en dat door de griffie van de rechtbank géén nieuwe oproep wordt gestuurd;

bepaalt dat de Raad uiterlijk één week voor de mondelinge behandeling aan de kinderrechter zijn onderzoeksrapport moet toesturen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, (kinder)rechter, en door hem in het openbaar uitgesproken op 12 november 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

MP