Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3885

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
12-11-2020
Datum publicatie
17-11-2020
Zaaknummer
C/18/201434 / JE RK 20-757
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Beschikking
Inhoudsindicatie

Zijn de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog wel de geëigende middelen als de GI op grond van een ouderschapsbeoordeling tot de slotsom komt dat er geen perspectief meer is op hereniging? De kinderrechter wacht de GI om onderzoek te vragen aan de Raad niet af en geeft zelfstandig opdracht aan de Raad om onderzoek te doen naar het woonperspectief.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling privaatrecht

Locatie Groningen

zaakgegevens : C/18/201434 / JE RK 20-757

datum uitspraak: 12 november 2020

beschikking over de verlenging van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing in de zaak van

de gecertificeerde instelling

Regiecentrum Bescherming en Veiligheid,

die is gevestigd in Leeuwarden,

en die hierna ''de GI'' wordt genoemd,

die betrekking heeft op

[minderjarige] ,

die is geboren op [geboortedag] [geboortemaand] 2017 in [geboorteplaats] ,

en die hierna '' [minderjarige] '' wordt genoemd.

De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:

[moeder] ,

die woont in [woonplaats] ,

en die hierna ''de moeder'' wordt genoemd,

advocaat: mr. S.Y. Dijkstra, die kantoor houdt in Groningen,

[vader] ,

die woont in [woonplaats] ,

en die hierna ''de vader'' wordt genoemd,

advocaat: mr. S.Y. Dijkstra, die kantoor houdt in Groningen,

de pleegouders,

die wonen op een voor de ouders geheim gehouden, maar bij de kinderrechter bekend adres,

en die hierna ''de pleegouders'' worden genoemd.

Het procesverloop

Deze procedure is ingeleid met een verzoekschrift van de GI, dat de rechtbank heeft ontvangen op 5 oktober 2020. Daarin verzoekt de GI de kinderrechter om de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] te verlengen.

Op 2 november 2020 heeft de kinderrechter van de GI een brief ontvangen met als bijlage het psychodiagnostisch onderzoek van [minderjarige] .

Op 5 november 2020 heeft de kinderrechter van de GI een brief ontvangen met als bijlage een brief en een evaluatieverslag van [de gezinskliniek] .

Op 12 november 2020 is het verzoek van de GI mondeling behandeld. De kinderrechter heeft toen gesproken met mevrouw [naam 1] , die de GI vertegenwoordigt, de ouders en hun advocaat en mevrouw [naam 2] , als tolk voor de moeder in de Singalese taal.

De pleegouders zijn, hoewel zij behoorlijk zijn opgeroepen, niet verschenen.

Ten slotte is bepaald dat vandaag deze beschikking wordt gegeven.

De feiten


De kinderrechter kan bij de beoordeling van het verzoek uitgaan van de volgende feiten.

[minderjarige] is geboren uit het huwelijk van zijn ouders, die in Sri Lanka hebben gewoond en daar ook zijn getrouwd in 2015. De ouders hebben in 2019 besloten dat zij in Nederland gaan wonen om [minderjarige] een betere toekomst te geven.

Die keuze is de vooral de moeder zwaar gevallen. Zij heeft uit een eerder huwelijk een dochter, die zij in Sri Lanka heeft achtergelaten. De moeder is de Nederlandse taal niet machtig, iets wat haar integratie in de Nederlandse samenleving belemmert. Voor de moeder blijkt ook dat cultuurverschillen tussen de samenleving waaruit zij voortkomt en de Nederlandse samenleving niet of moeilijk kunnen worden overbrugd, waardoor zij ook niet altijd goed door de hulpverlening wordt begrepen.

Het is deze achtergrond die een rol heeft gespeeld in de relatie tussen de ouders nadat zij zich in Nederland hebben gevestigd. Zorgen zijn opgekomen over de relationele problematiek van de ouders, huiselijk geweld in de relatie tussen de ouders, de mate waarin zij de problematiek bagatelliseren, terwijl [minderjarige] ongeremd en agressief gedrag toont en hij ook kampt met een achterstand in zijn spraak-, taal- en spelontwikkeling. Uit psychodiagnostisch onderzoek van [minderjarige] komt naar voren dat hij kampt met een posttraumatische stressstoornis, als gevolg van een langdurige geschiedenis van verwaarlozing en mishandeling.

Het heeft geleid tot het nemen van kinderbeschermingsmaatregelen; op 3 september 2019 is [minderjarige] door de kinderrechter onder toezicht gesteld van de GI en hij is op grond van een daartoe strekkende machtiging ook uit huis geplaatst. Die machtiging is ten uitvoer gelegd in een voorziening voor pleegzorg.

De zorgen over de mogelijkheden van de ouders om zelf weer voor [minderjarige] te gaan zorgen, hebben geleid tot een opname in [de gezinskliniek] , een onderdeel van GGZ Drenthe voor gezinspsychiatrie, en dat geldt als een expertisecentrum voor behandeling en beoordeling van ouderschap en psychiatrie.

Die opname is niet verder gekomen dan de zogeheten samenwerkingsweken, die hebben plaatsvonden in de periode van 10 tot en met 21 augustus 2020. Daarna heeft [de gezinskliniek] de ouderschapsbeoordeling teruggeven aan de aanmelder en het dossier afgesloten.

Daarvoor is redengevend geweest dat het niet is gelukt om de samenwerkingsrelatie met de ouders op te bouwen die volgens [de gezinskliniek] noodzakelijk is voor klinische behandeling. [de gezinskliniek] is tot de slotsom gekomen dat het aangaan van contact en leren (zoals de Nederlandse taal en wat [minderjarige] nog meer nodig heeft) niet voldoende mogelijk is.

[minderjarige] verblijft sinds de samenwerkingsweken weer in het pleeggezin.

De beoordeling

Waar gaat het in deze zaak om?


De GI heeft de kinderrechter verzocht om de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor een jaar. De GI heeft daarnaast verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] voor verblijf in een voorziening voor pleegzorg te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI legt aan het verzoek ten grondslag, samengevat weergegeven, dat de ontwikkelingsbedreigingen van [minderjarige] niet zijn opgeheven. Die bedreigingen zijn gelegen in de achterstand in zijn taal-, spraak- en hechtingsontwikkeling, zijn externaliserende en internaliserende gedragsproblemen en de ruzies en spanningen tussen de ouders als gevolg van relationele problematiek en het belaste verleden van de moeder. De GI heeft zorgen over de pedagogische mogelijkheden van de ouders en benadrukt dat de ouders weinig probleembesef hebben en de zorgen over [minderjarige] toeschrijven aan zijn uithuisplaatsing. Dit brengt met zich dat er onvoldoende gewerkt kan worden aan het herstellen van de veiligheid van [minderjarige] in de opvoedingssituatie bij de ouders. De GI geeft verder aan dat [minderjarige] zich in het pleeggezin goed ontwikkelt. Hij begint zich te hechten aan zijn pleegouders en zijn ongeremde gedrag lijkt af te nemen. In dit verband merkt de GI op dat [minderjarige] gezien zijn jonge leeftijd en voorgeschiedenis op korte termijn behoefte heeft aan een duidelijk toekomstperspectief. Gelet op de eindconclusie van [de gezinskliniek] , ziet de GI het woonperspectief van [minderjarige] niet meer bij de ouders.

Wat vinden de ouders?

De ouders vinden dat vanuit de hulpverlening er te weinig oog is geweest voor de moeilijke overgang van Sri Lanka naar Nederland en in het bijzonder de aanpassingsproblematiek van de moeder in de Nederlandse samenleving. De ouders vinden dat zij niet altijd even goed zijn begrepen en dat te snel de conclusie is getrokken dat zij niet meer zelf voor [minderjarige] kunnen zorgen. De ouders vinden dat zij een eerlijke kans moeten krijgen om te laten zien dat zij dat wel kunnen en hebben, via hun advocaat, de kinderrechter gevraagd om een deskundige te benoemen die dit onderzoekt.

Wat staat er in de wet?

De wet regelt in de artikelen 1:260 en 1:255 van het Burgerlijk Wetboek wanneer een ondertoezichtstelling kan worden verlengd. Er moet daarvoor aan drie eisen worden voldaan. Die eisen komen er op neer dat (i) een kind nog steeds in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, (ii) de ouders de zorg die het kind nodig heeft niet of niet in voldoende mate accepteren en (iii) wel de verwachting bestaat dat de ouders binnen een voor het kind en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn de verantwoordelijkheid voor hun opvoeding en verzorging weer zelf aankunnen.

Op grond van artikel 1:265b van het Burgerlijk Wetboek kan een machtiging tot uithuisplaatsing worden verleend en worden verlengd wanneer dat in het belang van de verzorging en opvoeding van een kind of voor het onderzoek van zijn geestelijke of lichamelijk gesteldheid noodzakelijk is.

Wat vindt de kinderrechter van het verzoek?

De kinderrechter vindt dat [minderjarige] nog steeds in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd. [minderjarige] heeft een belaste voorgeschiedenis en een verzwaarde zorgbehoefte. Hoewel uit de stukken kan worden afgeleid dat zijn cognitieve ontwikkeling passend bij zijn leeftijd is, zijn motoriek zich goed ontwikkelt en hij vaardigheden ontwikkelt die passen bij zijn leeftijd, zijn er toch grote zorgen. [minderjarige] loopt achter in zijn taalontwikkeling en ook zijn sociaal-emotionele ontwikkeling vraagt aandacht en moet verder worden ontwikkeld en gestimuleerd. De kinderrechter begrijpt uit de stukken dat [minderjarige] een angstig-ambivalente gehechtheidsstijl heeft ontwikkeld in de relatie met zijn ouders, door de haperingen die aanwezig zijn geweest in hun beschikbaarheid voor hem. Ook lijkt hij getuige en slachtoffer te zijn geweest van huiselijk geweld, wat kan verklaren dat het voor [minderjarige] moeilijk is om een veilige relatie met zijn ouders op te bouwen. [minderjarige] , hoe jong hij ook is, heeft volgens deskundigen nu al traumabehandeling nodig.

De kinderrechter stelt verder vast dat de ouders onvoldoende probleembesef en -inzicht hebben. Zij bagatelliseren de zorgen die vanuit de hulpverlening worden geuit en hebben geen eigen, intrinsieke hulpvraag. zij onderkennen wel de onderliggende problematiek van [minderjarige] , maar lijken die vooral te wijten aan de voor hem moeilijke overgang van Sri Lanka naar Nederland en aan de voor hem ingrijpende uithuisplaatsing.

Gelet op de jonge leeftijd van [minderjarige] en de aard en ernst van de zorgen is besloten tot een ouderschapsbeoordeling in [de gezinskliniek] . Die beoordeling zou zicht kunnen hebben gegeven op wat nodig is om de ouders te kunnen laten profiteren van een behandelaanbod, zodat belemmeringen die werden ervaren voor een hereniging van [minderjarige] met zijn ouders zouden kunnen worden weggenomen. De ouderschapsbeoordeling is negatief afgesloten; [de gezinskliniek] ziet geen mogelijkheden om met de ouders tot samenwerking te komen. Uit een en ander kan worden afgeleid dat de ouders onvoldoende de hulp aanvaarden die nodig is om de zorg over de ontwikkelingsbedreiging van [minderjarige] weg te nemen.

Uit het voorgaande blijkt dat aan de eerste twee voorwaarden die de wet stelt voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. Het is echter de vraag of dat ook geldt voor de derde voorwaarde. Kan gerechtvaardigd worden verwacht dat de ouders binnen een voor [minderjarige] aanvaardbare termijn weer zelf voor hem kunnen zorgen?

De kinderrechter acht zich hierover onvoldoende voorgelicht. Hij zal daarom aan de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoeksopdracht geven. Hij wil dat de Raad hem adviseert over het woonperspectief van [minderjarige] en, in samenhang daarmee, of de verlenging van de maatregelen van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog wel geëigend is en, wanneer de Raad meent dat dit niet het geval is, om de Raad in de gelegenheid stellen om dan een verderstrekkende maatregel te verzoeken. De kinderrechter wijst alle betrokkenen erop dat wanneer de Raad in zijn onderzoek tot de conclusie komt dat het perspectief niet bij de ouders kan worden gevonden binnen een voor [minderjarige] en zijn ontwikkeling aanvaardbare termijn, hij de ondertoezichtstelling niet kan verlengen.

Ten overvloede overweegt de kinderrechter dat dit onderzoek ook van belang is voor de verdere hulpverlening. Wanneer tot een verlenging wordt besloten, dan moet het beleid van de GI er op gericht zijn [minderjarige] met zijn ouders te herenigen. Dat beleid zet de GI inmiddels niet meer in, gelet op haar overtuiging dat het perspectief van [minderjarige] ligt in het pleeggezin. Dat laatste is onverenigbaar met de aard en strekking van de tot zover genomen kinderbeschermingsmaatregelen. In de memorie van toelichting bij de wet van 26 april 1995 (Kamerstukken II 1992/93, 23 003, nr. 3, p. 12) wordt over de relatie tussen de taak van de gezinsvoogdijwerker (die na wijziging van de jeugdwet in 2015 inmiddels "jeugdbeschermingswerker" wordt genoemd) en de ouder opgemerkt:

"In elk geval dienen de hulp en steun er op gericht te zijn de ouders zoveel mogelijk de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen te laten behouden. Dit impliceert dat de gezinsvoogdij-instelling uithuisplaatsing zoveel mogelijk moet voorkomen en dat moet worden gezocht naar alternatieven die het gezinsverband in stand kunnen houden. Deze bepaling kan dienen als richtsnoer bij het opstellen van het hulpverleningsplan en een rol spelen bij de beoordeling door de rechter van verzoeken tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing of tot verlenging en opheffing van de ondertoezichtstelling."

Voor de duur van het onderzoek door de Raad zal de kinderrechter de maatregelen verlengen.

Een en ander brengt met zich dat de volgende beslissingen moeten worden genomen.

De beslissing

De kinderrechter:

verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 19 maart 2021;

verleent voor de duur van deze verlenging aan de GI een machtiging om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

geeft de Raad voor de Kinderbescherming opdracht tot onderzoek naar het woonperspectief van [minderjarige] en naar de vraag of (verlenging van) de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing nog wel geëigende kinderbeschermingsmaatregelen zijn;

bepaalt dat de zaak opnieuw mondeling wordt behandeld op vrijdag 12 maart 2021 om 14:00 uur, waarbij de kinderrechter er op wijst dat deze beschikking voor de GI, de ouders en de Raad voor de Kinderbescherming er op dat deze beschikking geldt als een oproep om dan aanwezig te zijn en dat door de griffie van de rechtbank géén nieuwe oproep wordt verstuurd;

bepaalt dat de Raad voor de Kinderbescherming uiterlijk één week voor de mondelinge behandeling aan de kinderrechter zijn onderzoeksrapport moet toesturen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. B.R. Tromp, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2020.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld:

- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,

- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.

Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof
Arnhem-Leeuwarden

RG