Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBNNE:2020:3855

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
11-03-2020
Datum publicatie
11-11-2020
Zaaknummer
WWETGC CJIB nr 300000115
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Verstek
Inhoudsindicatie

Beroep op grond van artikel 27 van de WWETGC. De rechtbank verwerpt het verweer dat veroordeelde nimmer kennis heeft gekregen van de in het buitenland genomen beslissing en dat de beslissing nog niet onherroepelijk zou zijn. Het beroep wordt ongegrond verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling strafrecht

Locatie Leeuwarden

rekestnummer 20/8

cjib-zaaknummer 300000115

Beslissing van de meervoudige raadkamer d.d. 11 maart 2020 op het beroep ex artikel 27 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie, ingesteld door

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] 1967 te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats], [straatnaam],

hierna: veroordeelde.

Procesverloop

De veroordeelde heeft per brief beroep ingesteld tegen de op 8 november 2019 genomen beslissing tot erkenning en tenuitvoerlegging van een op 22 december 2015 door het Hof van beroep te Gent (België) opgelegde beslissing tot confiscatie. Het bedrag dat ten uitvoer moet worden gelegd betreft € 18.736,97.

De veroordeelde is per brief gewezen op de mogelijkheid schriftelijk aanvullende gronden van beroep in te dienen. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt. De mondelinge behandeling van het beroep heeft op 26 februari 2020 plaatsgevonden. Veroordeelde is, alhoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Motivering

1. Het beroep is ingesteld op grond van artikel 27 van de Wet wederzijdse erkenning en tenuitvoerlegging geldelijke sancties en beslissingen tot confiscatie (WWETGC).

De rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, is de bevoegde instantie voor de behandeling van het beroep.

2. De veroordeelde heeft in zijn brief aangegeven dat hij wil dat de confiscatiebeslissing verder in België wordt afgehandeld in verband met de mogelijkheid beroep in te stellen of bezwaar te kunnen maken hetgeen in Nederland niet mogelijk is. Temeer omdat de confiscatie beslissing van 22 december 2015 hem nimmer ter kennis is gebracht, aldus veroordeelde.

3. De officier van justitie heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep, onder verwijzing naar het certificaat en naar de extra stukken die door het openbaar ministerie zijn ingebracht.

4. Als uitgangspunten voor de beoordeling van een beroep op grond van artikel 27 van de WWETGC gelden:

I. de rechtbank moet toetsen of de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen;

II. de officier van justitie mag bij zijn beoordeling niet treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen;

III. de rechtbank mag bij haar beoordeling evenmin treden in het in het buitenland gevoerde rechtsgeding en de in het buitenland genomen beslissingen.

5. De rechtbank constateert dat in het certificaat is aangegeven dat de in België gewezen beslissing tot confiscatie op 17 augustus 2016 in persoon aan veroordeelde is betekend en dat hij niet binnen de voorgeschreven termijn verzet of hoger beroep heeft ingesteld, hoewel hij wel uitdrukkelijk op dit recht gewezen is.

Uit de extra stukken die het openbaar ministerie heeft ingebracht komt naar voren dat veroordeelde via een brief van zijn raadsman, die mede door hem, veroordeelde, is ondertekend, aangegeven heeft te berusten in de beslissing van het Hof van beroep te Gent van 22 december 2015.

De rechtbank verwerpt dan ook het verweer dat veroordeelde nimmer kennis heeft gekregen van de beslissing van het Hof van beroep en dat de beslissing nog niet onherroepelijk zou zijn.

6. De rechtbank ziet ook ambtshalve geen gronden waarop de erkenning had moeten worden geweigerd. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de officier van justitie in redelijkheid tot zijn beslissing tot erkenning heeft kunnen komen. De rechtbank zal het ingestelde beroep dan ook ongegrond verklaren.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven op 11 maart 2020 door mr. J.G.W. Lootsma-Oude Nijeweme, voorzitter, mr. K. Post en mr. W.S. Sikkema, rechters, bijgestaan door T.L. Komrij, griffier.